Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6937

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
Parketnummer 13/654060-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bewijsverweer en verweer tav medeplegen verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654060-17 (Promis)

Datum uitspraak: 31 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1988,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Oppe en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Koster naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een souterrain behorende bij een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een of meer fiets(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] en/of [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat souterrain heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen fiets(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van de toegangsdeur behorende bij voornoemd souterrain.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.1

Waardering van het bewijs

4.1.1

Inleiding

Op zondag 7 mei 2017 omstreeks kwart voor zeven in de ochtend zag een getuige die zijn hond aan het uitlaten was een man, die hij eerder zag toen deze in zijn auto keek en hem probeerde te openen, uit het souterrain van perceel [adres 2] te Amsterdam komen. Vervolgens liep de betreffende man samen met drie voor dit pand staande mannen weg. De getuige volgde hen en zag dat zij een rondje liepen om vervolgens weer bij hetzelfde souterrain uit te komen. Daar gingen de mannen alle vier naar binnen en de getuige zag twee van hen met een fiets naar buiten komen. De getuige is het viertal blijven volgen terwijl hij ondertussen de politie belde. Op enig moment zijn de vier mannen, nadat zij de fietsen op de brug van de Keizersgracht hadden achtergelaten, gaan rennen op de Raadhuisstraat. De getuige zag dat de inmiddels gearriveerde politie drie van de vier mannen aanhield, zo verklaart hij. Onder hen bevond zich verdachte.

4.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen kan worden dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de fietsendiefstal. De officier van justitie heeft er in dit verband ook op gewezen dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid aldaar op dat tijdstip.

4.1.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft erop gewezen dat verbalisanten bij het bekijken van camerabeelden geen van de verdachten voor 100 procent konden herkennen. Zij bezigden onder andere de term hoogstwaarschijnlijk. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende processen-verbaal daarom niet redengevend zijn voor het bewijs. Zij heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van de getuige evenmin redengevend is voor het bewijs. Zij heeft gewezen op tegenstrijdigheden in de beide door de getuige afgelegde verklaringen en gesteld dat de verklaring van de getuige, dat drie van de vier mannen zijn aangehouden, een veronderstelling lijkt te zijn.

4.1.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de verklaring van de getuige betrouwbaar, temeer nu deze wordt gesteund door andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Van een 100 procent herkenning door verbalisanten is inderdaad geen sprake, maar één van de personen op de camerabeelden is volgens verbalisant ‘hoogstwaarschijnlijk’ verdachte. Postuur en kleding van verdachte komen vrijwel geheel overeen met die van één van de personen die op de camerabeelden te zien is. Eén persoon wordt tweemaal op de beelden gesignaleerd, hetgeen de verklaring van de getuige over het rondje lopen bevestigt. Daarnaast vindt de verklaring van de getuige bevestiging in het aantreffen van de weggenomen fietsen op de plek waar de verdachten deze volgens de getuige hadden achtergelaten. Uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid op die plek om kwart voor zeven op zondagochtend.

4.2

Medeplegen

4.2.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat medeplegen niet bewezen kan worden. De enkele omstandigheid dat de verdachten met zijn vieren waren is onvoldoende om het medeplegen aan te nemen, aldus de raadsvrouw die in dit verband heeft gerefereerd aan het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, waar het medeplegen niet is aangenomen in een geval waarbij een verdachte een balletjespistool aan iemand gaf, op afstand toekeek bij een beroving daarmee en bovendien meedeelde in de buit. De raadsvrouw heeft gesteld dat in de onderhavige zaak sprake is van minimaal één persoon die geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en dat, zelfs als vaststaat dat alle vier de mannen het souterrain zijn binnengegaan, het medeplegen ten aanzien van verdachte daarom niet kan worden bewezen.

4.2.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat aan het aannemen van medeplegen strikte eisen worden gesteld, maar dat in deze zaak uit de bewijsmiddelen een voldoende mate van samenwerking en daarmee gezamenlijke uitvoering blijkt. Vier personen zijn een souterrain ingegaan en hebben daaruit gezamenlijk fietsen weggenomen, aldus de officier van justitie.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen kan worden aangenomen en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in de nabijheid van de plaats delict direct na de diefstal uit het souterrain. Dit kan op zichzelf niet aan het bewijs bijdragen, maar de rechtbank zal dit wel betrekken in haar overwegingen ten aanzien van het bewijs. In zijn arrest van 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, overweegt de Hoge Raad het volgende:

In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.

Naar het oordeel is van de rechtbank is hier sprake van zo’n situatie. Zoals uit overweging 4.1. blijkt, is verdachte aangetroffen onder omstandigheden die, in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs van zijn betrokkenheid bij de diefstal. Voor die omstandigheden heeft verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 7 mei 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een souterrain behorende bij een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen fietsen, toebehorende aan [persoon 1] en een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot dat souterrain hebben verschaft door middel van braak op de toegangsdeur behorende bij voornoemd souterrain.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van voorarrest. Hij acht een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering in het aanvullend advies van 26 juli 2017 is voorgesteld, niet opportuun.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft een mildere straf bepleit. Zij heeft aangevoerd dat verdachte sinds 2014 niet meer met justitie in aanraking is geweest en inmiddels is uitgestroomd uit de Top600. Hij volgt nu een taxiopleiding en woont bij zijn ouders, aldus de raadsvrouw, die heeft verzocht aan verdachte een voorwaardelijke straf of een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal van fietsen uit een souterrain waarbij de toegangsdeur van dat souterrain is geforceerd. Door aldus te handelen heeft verdachte schade veroorzaakt en het eigendomsrecht van de fietseigenaren geschonden. Feiten als de onderhavige brengen naast financiële schade ook veel hinder en overlast met zich mee, alsmede maatschappelijke onrust.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 juli 2017 betreffende verdachte blijkt dat verdachte in het verleden meermalen terzake van vermogensdelicten is veroordeeld. Deze veroordelingen zijn echter wat gedateerd zodat de rechtbank die slechts marginaal meeweegt.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het verdachte betreffende aanvullend reclasseringsadvies d.d. 26 juli 2017, in het bijzonder op de daarin voorgestelde interventies.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Zij deelt de opvatting van de officier van justitie, dat het opleggen van bijzondere voorwaarden niet opportuun is, niet. De rechtbank acht voorts een al te lange detentie thans niet meer passend en geboden. Zij kent meer belang toe aan het preventieve karakter van de straf en zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur opleggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering voorgesteld. Teneinde het repressieve karakter van het strafproces niet uit het oog te verliezen, zal de rechtbank daarnaast een forse taakstraf opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 maand, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. veroordeelde moet zich melden bij Reclassering Nederland gevestigd aan de [adres 3] te Amsterdam wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze perioden moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

2. veroordeelde moet deelnemen aan de gedragsinterventie GI-LdH CoVaplus;

3. veroordeelde wordt verplicht om, op termijn, een behandeltraject te volgen bij De Waag te Amsterdam, een ambulante instelling voor forensische psychiatrie of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit nodig acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en C. Klomp, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2017.