Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6920

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
AMS 16/6072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in eerste instantie een uitkering van € 5.000,- gekregen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Verweerder heeft in beroep een nieuw besluit genomen en beslist dat eiser geen uitkering had moeten krijgen vanwege het eigen aandeel van eiser in het geweldsmisdrijf. De uitkering wordt echter niet teruggevorderd omdat eiser er niet slechter voor mag staan door het instellen van bezwaar dan voordat hij aan de procedure begon.

Eiser heeft de verdachte met een mes in zijn arm gestoken en daarna is eiser meerdere keren met een vuurwapen beschoten. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van disproportioneel geweld van de kant van de dader, zodat eiser in aanmerking dient te komen voor 50% van de uitkering. Dit gebrek wordt echter gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft inmiddels al de uitkering gekregen die hem volgens de rechtbank toekomt. Het beroep is ongegrond. Verweerder wordt wel veroordeeld in de proceskosten en het vergoeden van het griffiegeld aan eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6072

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. I. Güçlü),

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. M.K. Kanselaar-Borstlap).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) toegekend van € 5.000,-. Bij besluit van 5 augustus 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 februari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit wederom ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting geschorst en gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om tot 24 april 2017 gronden in te dienen tegen de herziene beslissing op bezwaar van 15 februari 2017. De gemachtigde van verweerder kreeg tot 22 mei 2017 de gelegenheid om daarop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft op 27 juni 2017 (ontvangen op 28 juni 2017) aanvullende gronden ingediend tegen de herziene beslissing op bezwaar. Verweerder heeft op de zitting van 29 juni 2017 kennis genomen van deze aanvullende gronden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 29 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Op 22 september 2014 heeft eiser een (herzienings)aanvraag ingediend om uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Bij zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij op [de datum] in Amsterdam slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf, waarbij hij is bedreigd met een vuurwapen en meerdere keren is beschoten. Eiser heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen, namelijk meerdere kogels in zijn [lichaamsdelen]

1.2

Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit I, heeft verweerder aan eiser een uitkering op grond van de Wsg toegekend van € 5.000,- (letselcategorie 3). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de uitkering. Eiser stelt dat hij veel kosten heeft gemaakt voor medische hulp en advocaten en lijdt aan schade door inkomstengebrek.

1.3

Hangende het beroep heeft verweerder het bestreden besluit II genomen, waarmee het bestreden besluit I is vervangen. Verweerder heeft het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat eiser geen uitkering uit het Schadefonds had mogen krijgen in verband met het eigen aandeel dat eiser had in het geweldsmisdrijf dat plaatsvond op [de datum] . Eiser had het geweldsmisdrijf kunnen en moeten voorkomen. Eiser begaf zich namelijk bewust in een situatie waarin hij kon en moest verwachten dat er geweld tegen hem zou worden gebruikt. Verweerder gaat uit van de feiten zoals deze door het Gerechtshof Amsterdam zijn vastgesteld in het arrest van [de dag] 2008 in de strafzaak tegen verdachte. Vaststaat dat eiser als eerste geweld gebruikte door de vriend van verdachte met een mes te steken. Op grond van artikel 5 van de Wsg en paragraaf 1.4.1 van de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 juli 2016 (Beleidsbundel) van verweerder dient de aanvraag daarom afgewezen te worden. Verweerder ziet geen aanleiding eiser gedeeltelijk tegemoet te komen in de schade, omdat verweerder van mening is dat de verdachte geen disproportionele reactie gaf op het geweld dat eiser gebruikte. Omdat eiser er door het instellen van het bezwaar niet slechter voor mag staan dan voordat eiser aan de procedure begon, vordert verweerder de reeds aan eiser betaalde uitkering van € 5.000,- niet terug van eiser.

2.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens dat dit besluit niet tegemoet komt aan eisers beroep. Het beroep van eiser wordt dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

Het bestreden besluit I

2.2

Gesteld noch gebleken is dat eiser enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit I. De rechtbank zal het beroep van eiser daartegen niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.

Het bestreden besluit II

3. Eiser betwist dat sprake is van eigen schuld. Het is aan de strafrechter voorbehouden om eigen schuld aan te nemen en de strafrechter heeft in het geval van eiser geoordeeld dat hiervan geen sprake is, aldus eiser. Eiser heeft het mes uit zelfverdediging gebruikt. Hij is niet begonnen met het geweld. Het door de dader gebruikte geweld is naar de mening van eiser bovendien disproportioneel.

4. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van [de dag] 2008 niet blijkt dat sprake was van zelfverdediging. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de strafrechter heeft geoordeeld dat geen sprake was van eigen schuld. In het bovenstaande arrest, onderaan pagina 4, heeft het Gerechtshof Amsterdam immers geoordeeld dat op grond van de stukken van het geding als vaststaand kan worden aangenomen dat eiser met een mes in de arm van de dader heeft gestoken en dat eiser daarna met een vuurwapen is beschoten. Tegenover de politie heeft eiser zijn eigen aandeel in het geweld verzwegen. Hieruit kan worden afgeleid dat de strafrechter een eigen aandeel van eiser als vaststaand aanneemt. Het feit dat de vordering van eiser van € 10.000,- niet is behandeld in de strafzaak, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen sprake is van eigen aandeel. Zoals blijkt uit het eerdergenoemde arrest was de vordering niet van eenvoudige aard, zodat deze zich daarom niet leende voor behandeling in de strafzaak. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Volgens paragraaf 1.4.1 van de Beleidsbundel wordt het geweld van de dader als disproportioneel aangemerkt als het geweld van de dader niet in verhouding staat tot wat het slachtoffer te verwijten valt en het slachtoffer zeer ernstig letsel heeft opgelopen. Het uitgangspunt is dan dat 50% van de uitkering wordt toegekend.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank moet eiser wel gevolgd worden in zijn stelling dat sprake was van disproportioneel geweld. Hoewel de rechtbank met verweerder van oordeel is dat een mes en een vuurwapen in beginsel beiden in potentie dodelijke wapens zijn, is hier, gelet op de feiten, wel sprake van een disproportionele reactie op het door eiser gebruikte geweld. Eiser heeft immers slechts een keer met een mes in de arm van de vriend van de dader gestoken, waarop de dader meerdere keren met een vuurwapen op eiser heeft geschoten. Hierbij is eiser drie keer in zijn [lichaamsdelen] geraakt. In dit geval is daarom geen sprake van proportioneel geweld. De beroepsgrond slaagt.

5.3

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van disproportioneel geweld van de kant van de dader, zodat eiser in aanmerking dient te komen voor 50% van de uitkering. Het bestreden besluit II kent op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet evenwel aanleiding voormeld gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad. Volgens de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (Letsellijst) van 25 januari 2016 valt eiser namelijk in ieder geval niet onder letselcategorie 5 en 6 voor zijn fysieke letsel, aangezien dan sprake moet zijn van anatomisch verlies van een of beide (onder)benen, hetgeen niet het geval is. Ook valt eiser niet onder letselcategorie 5 of 6 voor eventueel psychisch letsel, aangezien dan sprake moet zijn van een langdurige opname in een psychiatrisch ziekenhuis, hetgeen niet het geval is. Gelet hierop valt eiser maximaal in letselcategorie 4 waar een uitkering van maximaal € 10.000,- bij hoort, hetgeen eiser ook heeft gevorderd. Aangezien eiser volgens de Letsellijst maximaal een uitkering van € 10.000,- kan ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat eiser in aanmerking dient te komen voor een uitkering van 50 % van maximaal € 10.000,-, dus € 5.000,-. De rechtbank stelt vast dat dit bedrag door verweerder in het bestreden besluit I is vastgesteld, zij het via een andere weg. Verweerder heeft in het bestreden besluit II aangegeven dat eiser de reeds aan hem betaalde uitkering van € 5.000,- niet terug hoeft te betalen, zodat eiser al in het bezit is van de uitkering van € 5.000,- die hem volgens de rechtbank toekomt. Eiser is derhalve niet in zijn belangen geschaad.

6. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

7. De rechtbank ziet in het geconstateerde gebrek aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Ook ziet de rechtbank aanleiding verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit I, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- (zegge: honderdachtenzestig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro 50 cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.