Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
13/659011-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De teksten ‘Verboden voor joden/moslims/negers’ die op the Totalitarian Art Gallery waren geplakt toen in die winkel een exemplaar van ‘Mein Kampf’ te koop werd aangeboden, zijn beledigend voor de eigenaar van de winkel.

De verdachte heeft betoogd dat hij met het plakken van de pamfletten heeft willen protesteren tegen de weigering van politie en Openbaar Ministerie om tegen deze verkoop op te treden. Een beroep op de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) is verworpen. Verdachte is overeenkomstig de eis veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/71

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659011-16 (Promis)

Datum uitspraak: 7 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. P.C. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. H. Loonstein naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging


Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op zitting – ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 25 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [naam] (eigenaar van antiquariteitenwinkel [naam winkel] (vestiging [plaats vestiging] ) in het openbaar bij geschrift of afbeelding, heeft beledigd, door op een etalageraam van zijn winkel pamfletten te plakken met daarop de teksten: ‘VERBODEN’ en ‘voor JODEN’ en ‘voor NEGERS’ en ‘voor MOSLIMS’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3 Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten onrechte is overgegaan tot het instellen van een strafvervolging. Daarvoor zijn de volgende argumenten aangevoerd.

Aangifte.
Er is niet voldaan aan de wettelijke eisen die gelden voor vervolging op grond van een klacht.
Op 27 mei 2015 heeft [naam] aangifte gedaan, maar niet staat vast dat hij tevens strafvervolging heeft willen instellen. Een verzoek tot vervolging blijkt niet uitdrukkelijk uit de tekst van de aangifte en evenmin blijkt deze wens uit het proces-verbaal van 29 juli 2015 (‘ontvangst klacht door hulpofficier van justitie’) Uit de datum van de klacht blijkt dat [naam] aanvankelijk geen vervolging heeft gewild. De aangifte en het proces-verbaal van 29 juli 2015 kunnen niet worden beschouwd als een klacht in de zin van artikel 269 Wetboek van Strafrecht (Sr).

De tekst van het proces-verbaal van 27 mei 2015 waarin de aangifte is opgenomen is identiek aan de tekst van het proces-verbaal van 29 juli 2015 op de volgende toevoeging na: ‘de klager verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan’.
Bovendien wordt in het proces-verbaal relaas de datum 29 juli 2015 ‘gecorrigeerd’ in 27 mei 2015. Deze merkwaardige procedurele handelswijze wekt bevreemding.

Het is bovendien onduidelijk op welk strafbaar feit de aangifte betrekking heeft.

De aangifte moet worden bezien in het licht van de bedoeling die [naam] heeft met het verspreiden van het verboden boek ‘Mein Kampf’. [naam] heeft met deze verspreiding het doel het publieke debat aan te wakkeren. Verdachte doet mee aan dit debat en maakt kenbaar wat zijn visie daarin is. Verdachte lijkt nu het slachtoffer te worden van de houding van [naam] doordat hij terecht moet staan na een vage aangifte van [naam] .

Indien in de aangifte een opdracht tot het instellen van vervolging kan worden gelezen – hetgeen wordt bestreden – dan betreft die opdracht de vervolging ter zake van smaad en/of laster en niet ter zake van ‘eenvoudige belediging’.

Artikel 261 Sr
Het Openbaar Ministerie heeft verzuimd artikel 261 Sr aan de tenlastelegging ten grondslag te leggen. Het ophangen van de posters met de tekst ‘verboden voor joden – voor negers – voor moslims’ aan de ramen van [naam winkel] kan niet anders worden beschouwd dan als de tenlastelegging van een bepaald feit, te weten de verkoop van het boek ‘Mein Kampf’. De weergave in de tenlastelegging is onjuist, onvolledig en/of selectief. Het pamflet op het raam van de winkel waarop een verbodsbord is afgebeeld met daarin ‘Mein Kampf’ wordt niet vermeld in de tenlastelegging. Hiermee wordt kennelijk beoogd om het aan verdachte te maken verwijt buiten de ‘smaadbepaling’ te houden.
Het Openbaar Ministerie maakt niet (voldoende) duidelijk waarom niet artikel 261 Sr ten laste is gelegd. Een en ander dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Artikel 10 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de beginselen van een behoorlijke procesorde

Het tegengaan van de verspreiding van pamfletten die mogelijk beledigend zijn is een geoorloofd doel in de zin van artikel 10, tweede lid EVRM, maar de beperking (in casu de vervolging van verdachte) staat niet in een redelijke verhouding tot dit doel. Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan het maatschappelijk debat en zijn handelen kan niet worden gezien als een belediging van aangever [naam] maar verdient bescherming in het kader van het recht op de vrijheid van meningsuiting.
De strafvervolging is in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, in het bijzonder met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De vervolging vormt een schending van het willekeurverbod en het gelijkheidsbeginsel. Het gaat niet om een incidenteel protest, verdachte is immers een bekend actievoerder en een journalist. Spreekkoren met hatelijke teksten worden door het Openbaar Ministerie ongemoeid gelaten.

Dit alles moet leiden tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, aldus de raadsman.

3.1.3

Standpunt van de officier van justitie

Het eerste verweer treft geen doel.
Zowel de aangifte als de klacht voldoen aan de eisen die daar aan gesteld worden. Dat het proces-verbaal ‘ontvangst klacht door hulpofficier van justitie’ van een latere datum is dan de aangifte maakt dat niet anders. Het is aan de politie maar vooral aan het Openbaar Ministerie om hetgeen in de aangifte is vermeld als feitelijke gebeurtenis te beoordelen en indien een strafbaar feit wordt vermoed, dit onder een Nederlandse strafbepaling te brengen en te kwalificeren.
Ook het tweede verweer faalt.
De stelling dat het Openbaar Ministerie selectief is geweest teneinde te versluieren dat het hier om smaad zou gaan, is niet terecht. De verkoop van een exemplaar van ‘Mein Kampf’ is niet strafbaar, zo blijkt uit de jongste jurisprudentie. Uit het samenstel van deze pamfletten op de winkelruit kan niemand begrijpen dat ‘een bepaald feit ten laste wordt gelegd’ (als bedoeld in artikel 261 Sr.) maar wel is voor een ieder duidelijk dat op grond van de tekst op deze pamfletten de eigenaar van de winkel tot racist wordt bestempeld en zich beledigd kan voelen. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie overtreding van artikel 266 Sr ten laste gelegd.

Ook het derde verweer moet worden verworpen.
De Nederlandse wetgever heeft met een vooruitziende blik op de ruimte die ook het EVRM in artikel 10 heeft willen bieden, aan artikel 266 Sr een tweede lid toegevoegd met een strafuitsluitingsgrond ten aanzien van gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen. [naam] behartigt geen openbaar belang. Hij is galeriehouder. Deze strafuitsluitingsgrond is daarom niet aan de orde.

3.1.4

Oordeel van de rechtbank

Aangifte en klacht
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de gestelde onduidelijkheid van de aangifte en het proces-verbaal waarin de klacht is opgenomen, niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daartoe is het volgende redengevend.
In de aangifte vertelt aangever [naam] wat hem op 25 april 2015 is overkomen, namelijk dat er op de etalageruiten van zijn winkel pamfletten waren geplakt zonder dat daarvoor door hem als huurder van het pand of door de eigenaar (de verhuurder) toestemming was gegeven. Door het beplakken van de ramen konden mensen niet meer in de etalage kijken. Hij zag dat voorbijgangers door de teksten geschokt waren. De tekst van de pamfletten was zodanig dat mensen boos werden op aangever omdat zij dachten dat hij de teksten had geplakt. Voor de politie vormde een en ander aanleiding om de pamfletten te fotograferen, waarna aangever ze heeft verwijderd.

De klacht is binnen de daartoe gestelde termijn van 90 dagen ingediend en houdt in wat zij in moet houden, namelijk het uitdrukkelijk verzoek om over te gaan tot vervolging van de mogelijke dader(s).

Opportuniteitsbeginsel
Het is aan het Openbaar Ministerie de aangifte te beoordelen en te beslissen of hier sprake is van een (mogelijk) strafbaar feit en zo ja, te bepalen onder welke strafbepaling(en) naar Nederlands recht het feitencomplex kan vallen en welke kwalificatie passend is, waarna een vervolgingsbeslissing kan worden genomen.

De wijze waarop het Openbaar Ministerie vervolgens een strafbaar feit ten laste legt, de keuze die het daarbij maakt en de strafbepaling(en) die het daarbij toepasselijk acht is voorbehouden aan de officier van justitie. Daarbij geldt dat slechts indien de klacht een vervolgingsverzoek ter zake van smaad(schrift) inhoudt, het Openbaar Ministerie dat feit ten laste moet leggen. Nu de klacht geen vergvolgingsverzoek tot smaad(schrift) inhoudt, staat het het Openbaar Ministerie vrij om aan verdachte eenvoudige belediging ten laste te leggen. Het is derhalve duidelijk wat verdachte wordt verweten. Het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is nu zij verzuimd heeft artikel 261 Sr ten laste te leggen, wordt derhalve verworpen.

Werking van artikel 10 EVRM

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op artikel 10 EVRM het volgende.

Artikel 10 EVRM beschermt de vrijheid van meningsuiting. Het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) heeft een uitvoerige jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM. Het EHRM heeft daarin benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting een van de meest essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt en tevens een voorwaarde voor haar ontwikkeling als geheel en voor de ontwikkeling van de individuen binnen die rechtstaat.

Artikel 10 EVRM beschermt ook informatie of ideeën die "offend, shock or disturb".

Het recht op vrije meningsuiting, als gegarandeerd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan:

“bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen".

De term noodzakelijk houdt in dat er een dringende maatschappelijke noodzaak, “a pressing social need”, moet zijn voor zodanige beperking.

De rechter moet daarbij de zaak als geheel tegen het licht houden, en acht slaan op de inhoud van de bestreden bewoordingen en de context waarin deze werden gebruikt. Hij zal moeten vaststellen of de tussenkomst van de autoriteiten proportioneel was in relatie tot de legitieme doelstellingen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Artikel 10, eerste lid, EVRM laat daarbij weinig ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen over onderwerpen die het publiek belang raken.

In het onderhavige geval is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de (mogelijke) beperking is voorzien bij wet, te weten de strafbaarstelling in artikel 266 Sr. Daarnaast dient een mogelijke veroordeling van verdachte in elk geval (één van de ) in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doelen, te weten de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Dat betekent dat te dezen de vraag moet worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Voor een goed functionerende democratische samenleving is van essentieel belang dat burgers hun mening kunnen uiten en aan maatschappelijke discussies kunnen deelnemen. Waar het gaat om uitlatingen die een bijdrage leveren aan de maatschappelijke discussie, is een beperking van het recht op de vrijheid van meningsuiting niet snel gerechtvaardigd, ook niet als het gaat om uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten.

Verdachte is er onvoldoende in geslaagd te onderbouwen dat zijn actie een bijdrage vormt aan het maatschappelijk debat. Verdachte heeft -aldus zijn verklaring ter terechtzitting- met zijn actie kritiek willen uitoefenen op de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen stappen te ondernemen tegen aangever, toen deze (opnieuw) een exemplaar van ‘Mein Kampf’ in zijn winkel te koop aanbood. Voor aangever en omstanders was in ieder geval niet duidelijk dat dit de bedoeling was van de actie. Het plakken van de pamfletten met de verbodsteksten op het raam van de winkel wijzen, -in ieder geval in de uiterlijke verschijningsvorm en zonder nadere toelichting, die ontbreekt- ook niet op kritiek in de richting van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting van verdachte door vervolging terecht is gemaakt en noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde (grond)rechten van anderen. Niet aannemelijk is dat dit voldoende op een andere wijze dan door middel van strafrechtelijk ingrijpen kon worden gerealiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 10 EVRM niet aan vervolging ten aanzien van het onderhavige feit in de weg staat. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van willekeurige vervolging of vervolging in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 10 EVRM wordt dan ook verworpen.

4
4. Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de raadsman

Het tenlastegelegde feit kan geen belediging opleveren, omdat de opzet daarop ontbreekt.

[naam] valt niet onder één van de categorieën, genoemd op de pamfletten. De op de pamfletten aangeduide personen (joden, moslims of negers) voelen zich niet door de actie beledigd.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn standpunt dat hetgeen verdachte heeft gedaan een belediging van de winkeleigenaar is. De verdachte weet, zou moeten weten of zou kunnen weten dat [naam] dit omstreden boek louter verkoopt om commerciële redenen en niet vanwege de verheerlijking van het nationaalsocialisme. In feite maakt verdachte de winkelier uit voor racist en dat is een heel ernstige belediging, aldus de officier van justitie in zijn requisitoir.
De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de bekentenis van verdachte.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.
Verdachte heeft tegenover de politie verklaard: ‘Alleen het verbodsbord voor ‘Mein Kampf’ zou volgens ons niet genoeg zijn. We wilden dat het uitdagender werd, daarom hebben we de andere plakkaten er bij geplakt’.
Gevraagd of hij zich kan voorstellen dat hij iemand in zijn goede eer en naam aantast door deze pamfletten op de winkelruit te plakken zodat ze voor iedereen waarneembaar zijn, heeft verdachte geantwoord dat hij zich dit in het algemeen wel kan voorstellen.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij met ‘uitdagender’ bedoeld heeft: ‘opvallend, meer aandacht; aandacht van de media’.
De vraag van de rechtbank wat hij zelf zou denken als hij zulke teksten op een winkelruit geplakt zou zien, heeft verdachte niet willen beantwoorden en afgedaan als ‘te theoretisch’.

Uit de verklaring van aangever blijkt dat voorbijgangers geschokt waren door de teksten en zelfs boos en kwaad op aangever werden, omdat ze dachten dat hij ze op geplakt had.

De rechtbank is van oordeel, alles overwegende, dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had om de winkelier in zijn eer en goede naam aan te tasten en dus te beledigen. Dat wil zeggen verdachte had moeten weten, toen hij de pamfletten op ‘ [naam winkel] ’ heeft geplakt, wat het gevolg kon zijn: het beschadigen van de eer en goede naam van de winkelier, [naam] . Dit gevolg heeft verdachte op de koop toe genomen.

De rechtbank acht het feit bewezen op grond van de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen.

  1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

  2. Een proces-verbaal met [nummer] van 27 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam ambtenaar] (doorgenummerde pag. 5, 6), inhoudende de aangifte van [naam] .

  3. Een geschrift zijnde een fotokopie van een foto (afbeelding), waarop te zien zijn de in de aangifte genoemde pamflatten (de rechtbank leest: pamfletten) (doorgenummerde pag. 8).

Op grond hiervan komt de rechtbank tot de volgende bewezenverklaring.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de drie in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 25 mei 2015 te Amsterdam opzettelijk [naam] , eigenaar van [naam winkel] , vestiging [plaats vestiging] , in het openbaar bij geschrift of afbeelding, heeft beledigd, door op een etalageraam van zijn winkel pamfletten te plakken met daarop de teksten: ‘VERBODEN’ en ‘voor JODEN’, ‘voor NEGERS’ en ‘voor MOSLIMS’.

Voor zover in de (gewijzigde) tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit en van verdachte

Voor zover de raadsman met een beroep op artikel 10 EVRM heeft willen betogen dat verdachte van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen, wordt dit verweer verworpen. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen die zij onder 3.1.4 ‘werking van artikel 10 EVRM’ heeft geformuleerd.

Het bewezen geachte feit is dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is evenmin een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De situatie als bedoeld in artikel 266, eerste lid, Sr is niet aan de orde. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 dagen.
Hij heeft zijn eis onder meer als volgt onderbouwd.
In de ogen van de officier van justitie is het handelen van verdachte een vorm van prematuur, onterecht voor eigen rechter spelen. Dit zaagt aan de wortels van de rechtsstaat. Voor verdachte had een andere weg opengestaan om te protesteren tegen de verkoop van een exemplaar van ‘Mein Kampf’, namelijk daarvan aangifte doen. Dit heeft hij niet gedaan.
Het handelen van verdachte is extra kwalijk doordat hij [naam] belemmert in zijn broodwinning. Dit is een zwaarwegend belang. Klanten zouden de zaak kunnen gaan mijden ‘omdat er een luchtje aan zou hangen’.

De officier van justitie heeft de rechtbank met klem verzocht om bij bewezenverklaring niet te volstaan met een voorwaardelijke geldboete of toepassing van artikel 9a Sr. Dat past niet bij de nare belediging als hier aan de orde gesteld. Verdachte is te ver gegaan.

7.2.

Standpunt van de raadsman

Voor zover de rechtbank de eerdere verweren verwerpt verzoekt de raadsman toepassing van artikel 9a Sr.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van een vorm van ‘eigen richting’, die als volstrekt ongewenst moet worden beschouwd. Dit neemt niet weg dat de rechtbank begrip kan opbrengen voor het feit dat verdachte strijdt tegen de verspreiding en/of verkoop van fascistische artefacten en voorwerpen en dat de verheerlijking daarvan in neonazistische kringen hem doet huiveren.
Aan de andere kant is het begrijpelijk dat het Openbaar Ministerie zich, toen het feit zich voordeed, met beide handen gebonden achtte om op te treden tegen het te koop aanbieden van ‘Mein Kampf’ door de eerdere uitspraak van de rechtbank, het daarop gevolgde arrest van 1 februari 2016 van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2016:299) en de op dat arrest gevolgde cassatieprocedure. Dit mag echter voor verdachte geen vrijbrief zijn om het recht dan maar in eigen hand te nemen.

De belediging, die verdachte aangever heeft aangedaan, is op de pamfletten in grove kreten gesteld. Ieder pamflet is bovendien voorzien van een hakenkruis. De gekozen teksten missen hun uitwerking niet en beogen een associatie te leggen tussen een abjecte vorm van racisme en uitsluiting van bepaalde groepen enerzijds en aangever anderzijds. Er is de rechtbank niet gebleken dat hiervoor enige grond van waarheid zou bestaan. Verdachte is, zoals de officier van justitie al concludeerde, in zijn op zich legitieme protest te ver gegaan.

Voor de toepassing van artikel 9a Sr, zoals meest subsidiair voorgesteld door de raadsman, ziet de rechtbank dan ook geen ruimte. De ernst van het feit is niet zodanig gering, noch biedt de persoonlijkheid van de dader daarvoor aanleiding, noch de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om van de geëiste straf af te wijken en zal verdachte zoals gevorderd een geldboete opleggen. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, met de persoon en met de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24a en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde feit levert eenvoudige belediging op.

Verklaart het bewezen feit strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 300,- (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.V. Essenburg, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en A. Eichperger, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2017.