Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6825

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
AWB 17/1246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verweerder) heeft de vaststelling van drie toevoegingen ingetrokken en gemuteerd, omdat er volgens verweerder sprake is van processuele en inhoudelijke samenhang tussen de zaken. Het ging om toevoegingen voor rechtshulp in cassatie in drie zaken, met afzonderlijke tenlasteleggingen. Volgens de Raad zijn de zaken gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend op dezelfde zitting behandeld en is daarom sprake van processuele samenhang (volgens artikel 21 en artikel 18, eerste lid, van het Bvr). De rechtbank vindt dat daarvan geen sprake is. Uit de arresten en uit de conclusies van de advocaat-generaal is niet op te maken dat de zaken op enig moment inhoudelijk ter zitting zijn behandeld, terwijl uit artikel 18 Bvr volgt dat wel sprake moet zijn van enige inhoudelijke behandeling ter zitting. Er zijn alleen zittingen geweest als bedoeld in artikel 438 Sv en artikel 439 Sv en dat zijn geen zittingen waarop de zaken inhoudelijk worden behandeld. Uit de omstandigheid dat de arresten op dezelfde dag zijn uitgesproken blijkt ook niet dat er een gezamenlijke behandeling ter zitting is geweest. Bovendien staat in artikel 18, eerste lid, van het Bvr dat de zitting waarbij alleen uitspraak wordt gedaan, niet wordt gezien als een zitting als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. De zaken zijn dus niet gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend op dezelfde zitting zijn behandeld. Verweerder heeft daarom ten onrechte gesteld dat sprake is van processuele samenhang. Pas als sprake is van processuele samenhang, geldt dat sprake moet zijn van inhoudelijke samenhang. Aan die vraag wordt in dit geval dus niet meer toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1246

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

Procesverloop

Bij besluiten van 1 september 2016 (de eerste besluiten) heeft verweerder de vergoeding van de toevoeging met [nummer 1] gecorrigeerd en de vergoedingen van de toevoegingen met [nummer 2] en [nummer 3] ingetrokken. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt op 16 september 2016.

Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2017. Eiser is verschenen, verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft drie toevoegingen aangevraagd voor het verlenen van rechtsbijstand in cassatie in drie strafzaken. De toevoegingen zijn verleend en in eerste instantie de vergoedingen ook. Toevoeging [nummer 1] zag op rechtsbijstand in cassatie, waarbij eisers cliënt in hoger beroep is veroordeeld voor heling. In die zaak was die cliënt ook verboden wapenbezit ten laste gelegd. Toevoeging [nummer 2] en [nummer 3] zagen beide op rechtsbijstand in cassatie, waarbij eisers cliënt in hoger beroep is veroordeeld voor diefstal, op verschillende dagen en plekken.

2. Op 26 juli 2017 heeft verweerder een steekproefcontrole gehouden. Verweerder stelt dat naar aanleiding daarvan is gebleken dat sprake is van samenhang tussen de drie zaken, zoals bedoeld in artikel 21 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr). Verweerder heeft vervolgens de vergoedingen in [nummer 2] en [nummer 3] ingetrokken en de vergoeding in [nummer 1] gemuteerd. In het bestreden besluit verwijst verweerder naar het advies van de bezwaarcommissie van 2 november 2016. De bezwaarcommissie verwijst naar artikel 21 Bvr en de Nota van Toelichting daarbij. De bezwaarcommissie stelt dat sprake is van processuele samenhang, omdat de zaken door de Hoge Raad gelijktijdig zijn behandeld op de zitting van 23 februari 2016. Er is ook gelijktijdig uitspraak gedaan op 19 april 2016. Daarnaast stelt de bezwaarcommissie dat sprake is van inhoudelijke samenhang, omdat de zaken betrekking hebben op dezelfde problematiek.

3. Eiser is het hier niet mee eens en stelt dat geen sprake is van processuele samenhang, omdat de zaken niet gevoegd, gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend zijn behandeld op een zitting bij de Hoge Raad. Er is namelijk helemaal geen zitting geweest in de zin van artikel 18 van het Bvr. Daarnaast is geen sprake van inhoudelijke samenhang.

Is er sprake van processuele samenhang?

4.1

In artikel 21, eerste lid, van het Bvr staat dat als samenhangende strafzaken worden beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 18, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

4.2

In artikel 18, eerste lid, van het Bvr staat dat voor de toepassing van dit artikel onder zitting wordt verstaan elk optreden van de rechter in het kader van het onderzoek ter terechtzitting en elke behandeling in rechte van de hoofdzaak of hoofdvordering alsmede het horen van de verdachte door de officier van justitie, met het oog op het uitvaardigen van een strafbeschikking, met uitzondering van:

a. de zitting waarin tot aanhouding wordt besloten zonder dat de zaak inhoudelijk is behandeld, of

b. de zitting waarin uitsluitend de uitspraak in de zaak is gedaan.

5.1

Hieruit blijkt dat voor de vraag of sprake is van samenhang in strafzaken bepalend is of sprake is van processuele samenhang en daarvoor is bepalend of de zaken gevoegd, gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend op dezelfde zitting zijn behandeld. Uit artikel 18, eerste lid van het Bvr blijkt dat het moet gaan om een zitting waar wel enige inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden.

Verweerder stelt dat dat in dit geval ook is gebeurd, namelijk op de zitting van 23 februari 2016. Volgens verweerder was dat een zitting als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), waarin staat dat alle zaken in behandeling worden genomen op een openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer. Verweerder stelt dat dit een zitting is als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Bvr.

Eiser heeft gesteld dat er helemaal geen inhoudelijke behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden. Eiser heeft er nog op gewezen dat op 23 februari 2016 de advocaat-generaal conclusie heeft genomen in de drie zaken, maar dat dit een schriftelijke proceshandeling was en een zitting als bedoeld in artikel 439 Sv. De rechtsbijstand was verder helemaal schriftelijk. De rechtbank begrijpt dat eiser bedoelt dat dus niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 21, eerste lid, Bvr.

5.2

De rechtbank is het met eiser eens. Verweerder stelt dat elke zaak door de Hoge Raad inhoudelijk ter zitting wordt behandeld, omdat dit volgt uit artikel 438 van het Sv. Verweerder baseert dit kennelijk alleen op de tekst van artikel 438 van het Sv. In Tekst en Commentaar bij artikel 438 van het Sv staat echter dat: “Uitgangspunt is dat de openbare behandeling ter terechtzitting door de hoge raad niet meer is dan een enkelvoudige rolzitting waarop uitspraken worden gedaan, conclusies worden genomen en nieuwe zaken worden aangebracht en waarin in sommige zaken een schriftelijke toelichting wordt overgelegd.”

Hieruit – en uit de toelichting van eiser – volgt dat een zitting als bedoeld in artikel 438 van het Sv dus geen inhoudelijke behandeling van een zaak is, maar een rolzitting. Verder stelt eiser terecht dat de datum waarop de advocaat-generaal conclusie neemt, een zitting is als bedoeld in artikel 439 van het Sv en niet een zitting als bedoeld in artikel 438 van het Sv. Uit de omstandigheid dat de arresten op dezelfde dag zijn uitgesproken blijkt ook niet dat er een gezamenlijke behandeling ter zitting is geweest, zoals bedoeld in artikel 21 en artikel 18, eerste lid, van het Bvr. Bovendien staat in artikel 18, eerste lid, van het Bvr dat de zitting waarbij alleen uitspraak wordt gedaan, niet wordt gezien als een zitting als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Uit de arresten en uit de conclusies van de advocaat-generaal is niet op te maken dat de zaken op enig moment inhoudelijk ter zitting zijn behandeld.

Hieruit volgt dat de zaken niet gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend op dezelfde zitting zijn behandeld. Verweerder heeft dan ook ten onrechte gesteld dat daarom sprake is van processuele samenhang, zoals bedoeld in artikel 21 van het Bvr. Pas als sprake is van processuele samenhang, geldt dat sprake moet zijn van inhoudelijke samenhang. Aan die vraag wordt in dit geval dus niet meer toegekomen.

Conclusie en gevolgen van de uitspraak

6. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet aanleiding vanwege de finaliteit zelf in de zaak te voorzien. Dat houdt in dit geval in dat de rechtbank het bezwaar gegrond verklaart en de eerste besluiten herroept.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond, herroept de eerste besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 168,- (honderdachtenzestig euro) aan eiser dient te betalen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 990,- (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op door mr. H.C. Naves, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. van Meel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2017.

de griffier,

de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB