Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6822

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
6131246 / CV EXPL 17-15287
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtsmacht Nederlandse rechter op grond van artikel 7 EEX-Vo Herschikt in geschil tussen bank en kredietnemers waarbioj de kredietnemers na het sluiten van de kredietovereenkomst zijn verhuisd naar België.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: 6131246 / CV EXPL 17-15287

Uitspraak: 22 september 2017

Vonnis in incident van de kantonrechter

in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

2. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

beiden gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

gedaagden in bevoegdheidsincident,

nader te noemen Rabobank,

gemachtigde drs. M. D. Brouwer te Utrecht,

t e g e n

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] , [land] ,

gedaagden,

eisers in bevoegdheidsincident,

nader te noemen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2,

gemachtigde mr. J.F. van Dijk te ’s-Gravenhage.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 15 maart 2017, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de rolmededeling van 24 juli 2017 waarin Rabobank in de gelegenheid is gesteld van antwoord te dienen op de in de conclusie van antwoord opgeworpen bevoegdheidsexceptie,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1 Beoordeling

in het incident

1.1.

Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hebben de rechtsmacht van de Nederlandse rechter betwist, zodat deze ten aanzien van hen zal moeten worden beoordeeld in dit incident.

1.2.

Partijen zijn woonachtig, dan wel gevestigd, op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie. Dit leidt tot de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van Rabobank kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX-Vo Herschikt) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten.

1.3.

Anders dan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hebben betoogd volgt uit artikel 4 lid 2 EEX-Vo Herschikt niet dat op dit geschil in incident van toepassing is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In artikel 4 lid 2 EEX-Vo Herschikt is bepaald dat lidstaten hetzelfde recht met betrekking tot het vaststellen van de bevoegdheid moet toepassen op alle burgers woonachtig op zijn grondgebied ongeacht hun nationaliteit (het assimilatiebeginsel). Dat recht is in dit geval de EEX-Vo Herschikt.

1.4.

In artikel 4 lid 1 EEX-Vo Herschikt is bepaald dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dienen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 (in beginsel) voor de Belgische rechter te worden opgeroepen. Uit artikel 5 EEX-Vo Herschikt volgt dat slechts afwijking van deze hoofdregel mogelijk is op grond van de regels, zoals neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 7 tot en met 26) EEX-Vo Herschikt. Derhalve is in dit geval de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel van artikel 4 EEX-Vo Herschikt afwijkende bijzondere bevoegdheid, op grond waarvan de rechter te Amsterdam rechtsmacht heeft om van de vorderingen van Rabobank kennis te nemen.

1.5.

Rabobank heeft haar vordering op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 gebaseerd op de geldleningovereenkomsten. Rabobank stelt dat de kantonrechter rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in artikel 7 onder 1 EEX-Vo Herschikt.

1.6.

In artikel 7 aanhef en onder 1 EEX-Vo Herschikt luidt:
Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

1.7.

De onderhavige geldleningsovereenkomsten betreffen overeenkomsten tot het verstrekken van krediet. Dat zijn overeenkomsten tot het verstrekken van diensten, zodat het bepaalde onder artikel 7 aanhef en lid 1 onder b tweede gedachte streepje van de EEX-Vo Herschikt toepassing vindt. Het verstrekken van kredieten door Rabobank geschiedt vanuit haar kantoor. Onweersproken is dat Rabobank is gevestigd te Amsterdam, zodat de diensten van Rabobank aan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 (het verstrekken van de kredieten) overeenkomstig de overeenkomsten zijn verleend in die plaats.

1.8.

Gelet op het bovenstaande komt – in afwijking van het bepaalde in artikel 4 EEX-Vo Herschikt – in dit geval mede rechtsmacht toe aan de Nederlandse rechter en is de rechtbank te Amsterdam bevoegd kennis te nemen van de vordering van Rabobank op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2.

1.9.

De vordering van Rabobank op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 overstijgt de competentiegrens van de kantonrechter. Rabobank heeft haar vordering op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 in deze procedure weliswaar beperkt tot € 25.000,00 maar zij heeft daarbij haar rechten op het meerdere voorbehouden. Nu gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 de rechtstitel van de vordering van Rabobank betwisten door een beroep te doen op verjaring van die vordering is gezien het bepaalde in artikel 93 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgeerlijke Rechtsvordering de kantonrechter in beginsel niet bevoegd van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter is daarom voornemens de zaak te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Daarover hebben partijen zich nog niet uitgelaten, zij zullen daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Alle overige beslissingen in dit incident worden aangehouden.

2 BESLISSING

De kantonrechter:

in het incident

2.1.

verstaat dat de rechtbank Amsterdam rechtsmacht heeft;

2.2.

stelt eerst Rabobank in de gelegenheid zich uiterlijk vrijdag 6 oktober 2017 bij akte uit te laten over het voornemen deze procedure te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken, waarna gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 binnen een termijn van twee weken bij akte mogen reageren,

2.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. G.H. Marcus, kantonrechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2017.

De griffier De kantonrechter