Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6796

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
C/13/618465 / HA ZA 16-1145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringsinstantie UWV heeft in 2013 onterecht een ontslagvergunning geweigerd aan het inmiddels failliete Stebopa Stellingbouw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 40
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 6
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 94
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1156
JAR 2017/265 met annotatie van mr. S. Said

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/618465 / HA ZA 16-1145

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEBOPA MONTAGE B.V.,

gevestigd te Bleskensgraaf,

eiseres,

advocaat mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV),

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als Stebopa Montage en UWV.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 25 januari 2017 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 augustus 2017 gehouden comparitie van partijen en de daarin vermelde stukken;

  • -

    de brieven van de advocaten van partijen met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De “Esbi-groep” houdt zich bezig met het ontwerpen en produceren van buitenreclame. In het concern was B.V. Esbi (hierna: Esbi) belast met de acquisitie en deden Stebopa Stellingbouw B.V. (hierna: Stellingbouw) en Stebopa Beletteringssystemen B.V. (hierna: Beletteringssystemen) de uitvoerende werkzaamheden.

2.2.

Begin 2012 heeft het Esbi-concern een reorganisatie doorgevoerd. Daarbij werden bij Stellingbouw 3, bij Esbi 2 en bij Beletteringssystemen 3 medewerkers ontslagen via een onderlinge regeling. In de tweede helft van 2012 heeft het Esbi-concern besloten dat gelet op de negatieve omzetontwikkeling opnieuw gereorganiseerd moest worden.

2.3.

Op 19/25 maart 2013 heeft Hoek en Blok Accountants namens Stellingbouw en Beletteringssystemen bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor (aanvankelijk 10 en later) 9 werknemers van Stellingbouw en 4 werknemers van Beletteringssystemen. De aanvraag was gebaseerd op bedrijfseconomische redenen, specifiek werkvermindering.

2.4.

Na 2 schriftelijke rondes heeft het UWV (de afdeling Arbeidsjuridische Dienstverlening te Rotterdam, hierna: AJD) bij besluit van 30 mei 2013 de aanvragen geweigerd. In het besluit is onder meer overwogen: “In voldoende mate is aannemelijk geworden dat de omzet gedurende de laatste jaren geleidelijk is gedaald met als gevolg dat er binnen de verschillende ondernemingen minder werk valt te verrichten. De dalende omzet heeft ertoe geleid dat in 2010 de dienstverbanden van 7 werknemers zijn beëindigd. Gelet op de door u overgelegde omzetcijfers concluderen wij dat de in 2012 doorgevoerde personeelskrimp in verhouding staat met de mate waarin de omzet gedurende de laatste 3 jaren is gedaald. Ofschoon u aangeeft dat er tot 2009 nog een omzet van meer dan € 3.000.000,= werd gegenereerd, hebben wij geen inzicht verkregen in de daarbij behorende personeelsbezetting. Het komt ons logisch voor dat met de doorgevoerde reorganisatie in 2012 al rekening is gehouden c.q. deze gebaseerd is geweest op de sinds 2009 ingezette omzetontwikkeling. In samenhang bezien met bovenstaande zijn wij dan ook van oordeel dat het aantal arbeidsplaatsen dat volgens uw berekening thans dient komen te vervallen niet in verhouding staat met de omzetvermindering sinds 2012. Uw verzoek is dan ook niet voor toewijzing vatbaar”.

2.5.

Stellingbouw heeft vervolgens de kantonrechter te Dordrecht verzocht om 8 arbeidsovereenkomsten te ontbinden. De kantonrechter heeft die verzoeken op 8 augustus 2013 afgewezen met veroordeling van Stellingbouw in de kosten. In de beschikkingen heeft de kantonrechter, voor zover van belang, overwogen dat hij slechts marginaal toetst omdat het UWV de geëigende instantie is om de bedrijfseconomische omstandigheden te beoordelen, dat geen sprake is van evident onjuiste gegevens waarop het UWV zich heeft gebaseerd of van nieuwe feiten of omstandigheden en ten slotte dat Stellingbouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die zouden moeten leiden tot het verdwijnen van 8 arbeidsplaatsen, omdat Stellingbouw geen heldere gegevens heeft verstrekt ter zake van het personeelsverloop, het omzetverloop en de orderportefeuille van het gehele concern over de afgelopen jaren.

2.6.

Stellingbouw is op 20 augustus 2013 op eigen aangifte failliet verklaard. Haar werkzaamheden zijn overgenomen door de nieuw opgerichte Stebopa Montage, die in samenspraak met de curator ook 6 werknemers heeft overgenomen.

2.7.

Op 19 augustus 2013 heeft Stellingbouw een klacht ingediend bij het UWV over de wijze van afhandeling van de ontslagaanvragen. De klachtencommissie van het UWV heeft op 26 november 2016 de klacht gegrond verklaard en daarbij voor zover van belang als volgt overwogen: “Bij de beoordeling van de omvang van de krimp dient AJD zich te richten op de weergegeven situatie van 2013 en de daarbij behorende verantwoording. Bij deze beoordeling kan AJD zich tevens laten leiden door de effecten die de voorafgaande reductie in 2012, met betrekking tot de omvang van de voorgestelde krimp, op de ontstane situatie in 2013 heeft gehad. Uw enkele mededeling van de reductieaantallen in 2012 geeft deze effecten echter niet weer. De benodigde onderbouwing daarvoor ontbreekt. Wij zijn dan ook van mening dat AJD hierover nadere vragen had moeten stellen alvorens een beslissing op de aanvraag te nemen. Dit had kunnen worden gedaan aan het begin van de procedure bij de beoordeling van de compleetheid van de aanvraag of middels een volgende ronde van hoor en wederhoor indien dit aspect pas later in de procedure naar voren zou zijn gekomen”.

2.8.

In een ‘activaovereenkomst in faillissement’ van 9 september 2013 heeft Stebopa Montage met de curator van Stellingbouw, voor zover van belang, het volgende afgesproken: “(artikel 1)Verkoper (de curator, rb) verkoopt en draagt bij deze over aan Koper (Stebopa Montage, rb), gelijk Koper van Verkoper koopt en aanvaardt, het een en ander voorzover gefailleerde daarvan de eigenaar is c.q. daartoe gerechtigd is: (…) (c) De gepretendeerde vordering/claim van gefailleerde op UWV in verband met de ondeugdelijke besluitvorming inzake de acht ontslagprocedures in 2013 (…). (artikel 3) De Activa worden gekocht en verkocht per 1 september 2013. Verkoper zal de Activa per laatstgenoemde datum middels bezitsverschaffing aan Koper leveren (...)”. De koopprijs voor de gepretendeerde vordering/claim op het UWV is gesteld op € 1,=.

3 Het geschil

3.1.

Stebopa Montage vordert dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt verklaard voor recht dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld, het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 201.554,45 aan schadevergoeding en € 2.790,54 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dagvaarding en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

Stebopa Montage legt aan de vordering ten grondslag dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door een onzorgvuldig besluit te nemen op de ontslagaanvragen van Stellingbouw. Er zijn onjuiste gegevens gebruikt en het UWV is veel verder gegaan dan het aanleggen van een marginale toets. Als het UWV juist had gehandeld, zouden de ontslagvergunningen zijn verleend en was Stellingbouw niet failliet gegaan. Als gevolg van de onrechtmatige weigering heeft Stellingbouw schade geleden. Stebopa Montage heeft die vordering tot schadevergoeding van de curator van Stellingbouw overgenomen en is dus gerechtigd de schade te vorderen. Ook andere vennootschappen in het Esbi-concern hebben als gevolg van de onrechtmatige weigering schade geleden die het UWV moet vergoeden. Voor hen treedt Stebopa Montage in deze procedure op als lasthebber.

3.3.

UWV bestrijdt de vordering. Op hetgeen daartoe wordt aangevoerd, wordt hierna ingegaan voor zover dat van belang is voor de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

Het UWV betwist dat Stebopa Montage op geldige wijze de vordering van Stellingbouw heeft overgenomen. Volgens het UWV is niet voldaan aan de leveringsvereisten. In dit verweer wordt het UWV niet gevolgd. Artikel 3:94 BW vereist voor een geldige overdracht van een vordering een daartoe bestemde akte en een mededeling aan de schuldenaar. De akte is in dit geval de ‘activaovereenkomst in faillissement’, waarin met zoveel woorden is vermeld dat (onder andere) de ‘gepretendeerde claim/vordering op UWV’ wordt verkocht/gekocht per 1 september 2013. Daarmee bevat de akte precies die gegevens die nodig zijn om vast te stellen dat deze bestemd is tot levering van die claim/vordering. Een nadere leveringshandeling, zoals door het UWV bepleit, is dan niet nodig. Nu niet in geschil is dat van de overdracht mededeling is gedaan aan het UWV, is dus sprake van een geldige cessie.

4.2.

De volgende vraag is dan of Stellingbouw een vordering op het UWV had. Daartoe moet eerst worden beoordeeld of het besluit van 30 mei 2013 (hierna: het besluit) tot weigering van de ontslagvergunningen jegens Stellingbouw onrechtmatig is. Partijen zijn het erover eens dat dat het geval is als bij marginale toetsing komt vast te staan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

4.3.

Stebopa Montage stelt met juistheid dat in het besluit ten onrechte is vermeld dat er sprake was van een omzet van € 3 miljoen. In de ontslagaanvragen heeft Stellingbouw immers vermeld dat dit tot 2009 de omzet was bij Beletteringssystemen, maar zij heeft daarin ook vermeld dat tot 2009 bij Stellingbouw een omzet werd behaald van (meer dan)
€ 2,5 miljoen. In die zin is het besluit dus onjuist. Dit leidt echter tot niets, want gesteld noch gebleken is dat als het UWV hier het correcte cijfer had vermeld, het besluit anders zou zijn uitgevallen.

4.4.

Verder kan worden vastgesteld dat het UWV in het besluit als uitgangspunt heeft genomen dat er sprake was van werkvermindering die op zichzelf reductie van personeel rechtvaardigde. De ontslagaanvragen zijn niettemin geweigerd omdat het UWV de voorgestelde 9 ontslagen in 2013 niet proportioneel achtte in verhouding tot de (slechts)
3 ontslagen in 2012, nu de omzet zich vanaf 2012 minder dramatisch had ontwikkeld dan in de periode tussen 2009 en 2012. Met andere woorden: bij een minder slechte omzetontwikkeling dan in 2009-2012 zouden juist minder ontslagen worden verwacht dan bij de eerste reorganisatie. Het kwam het UWV, blijkens het besluit, ‘logisch’ voor dat de negatieve omzetontwikkeling tussen 2009 en 2012 al was verdisconteerd in de eerste reorganisatie. Hieruit werd geconcludeerd dat Stellingbouw niet had aangetoond dat de voorgenomen ontslagen proportioneel waren. Omdat het UWV alle aanvragen moet toe- of afwijzen – en dus niet een paar wel kan toewijzen en andere niet – zijn alle aanvragen om die reden afgewezen.

4.5.

In de beslissing op de klacht (de gegrondverklaring ervan) leest de rechtbank de erkenning door het UWV dat deze conclusie (nog) niet getrokken had kunnen worden en dat de ontslagaanvragen dus (nog) niet hadden mogen worden afgewezen, zonder dat Stellingbouw eerst de gelegenheid had gekregen om aan te tonen dat de in 2013 voorgenomen ontslagen ook in het licht van de (effecten van de) eerdere reorganisatie in 2012 proportioneel waren. De rechtbank oordeelt dan ook dat in deze zin het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en het dus – zie rov. 4.2 laatste zin – onrechtmatig is jegens Stellingbouw.

4.6.

De vraag die daarna beantwoord moet worden, is of Stellingbouw daardoor schade heeft geleden. Om dat te beoordelen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de situatie waarin Stellingbouw zou hebben verkeerd als wel een zorgvuldig besluit was genomen. Het is zeker nog niet gezegd dat in dat geval de ontslagvergunningen zouden zijn verleend, omdat dat afhangt van de vraag of Stellingbouw erin zou zijn geslaagd aan te tonen dat de ontslagaanvragen proportioneel waren. In de dagvaarding heeft Stebopa Montage niet onderbouwd dat dit het geval zou zijn geweest. Ter zitting heeft zij echter wel voldoende aanknopingspunten gegeven om te rechtvaardigen dat zij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld die onderbouwing te verstrekken. Stebopa Montage zal aan de hand van door haar in te dienen stukken moeten aantonen dat de 9 ontslagaanvragen in 2013, in het licht van de (effecten van de) reorganisatie in 2012, waarbij 3 arbeidsplaatsen waren vervallen, proportioneel waren. Zij zal daartoe ook moeten aantonen dat in de reorganisatie van 2012 de omzetdaling tussen 2009 en 2012 nog niet (volledig) was verdisconteerd. Het UWV zal op die uiteenzetting mogen reageren.

4.7.

Als Stebopa Montage de proportionaliteit niet weet aan te tonen, dan zal de vordering niet kunnen worden toegewezen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat als de besluitvorming zorgvuldig was geweest – en aan Stellingbouw nadere informatie was gevraagd – de ontslagaanvragen ook zouden zijn geweigerd.

4.8.

Als Stebopa Montage de proportionaliteit wel weet aan te tonen, is het vervolg als volgt. In dat geval wordt aangenomen dat bij zorgvuldige besluitvorming de ontslagvergunningen zouden zijn verleend. Het UWV wordt niet gevolgd in haar stelling dat in dat geval de aanvragen zouden zijn geweigerd omdat er herplaatsingsmogelijkheden waren voor de betrokken werknemers. Dat die mogelijkheden er waren, is door Stebopa Montage uitdrukkelijk betwist door erop te wijzen dat er in het geheel geen vacatures of aflopende contracten waren elders in het Esbi-concern. Het feit dat Stebopa Montage uit het faillissement van Stellingbouw 6 werknemers heeft overgenomen, betekent voorts niet dat er herplaatsingsmogelijkheden waren. Onbestreden is dat er door het faillissement van Stellingbouw 18 banen verloren zijn gegaan, waarvan er 6 zijn teruggewonnen met de doorstart – zodat er per saldo 12 banen weg zijn – terwijl de ontslagaanvraag 9 banen betrof. Dit duidt dus niet op de aanwezigheid van herplaatsingsmogelijkheden. Dit leidt tot de conclusie dat het UWV de schade moet vergoeden die Stellingbouw heeft geleden door het niet verlenen van de ontslagvergunningen (allemaal aangenomen dat de proportionaliteit wordt aangetoond).

4.9.

Het UWV wordt evenmin gevolgd in haar stelling dat de beschikkingen van de kantonrechter van 8 augustus 2013 het causale verband tussen de onzorgvuldige besluitvorming en de gestelde schade hebben doorbroken. De procedure bij de kantonrechter was nu juist nodig geworden doordat de ontslagaanvragen waren geweigerd en was daarmee een schadebeperkende maatregel. Dat Stellingbouw er niet in is geslaagd de kantonrechter te overtuigen van de bedrijfseconomische noodzaak van de ontslagen, betekent niet dat die bedrijfseconomische noodzaak er ook niet was; zoals de kantonrechter overweegt, is het UWV de geëigende en best geëquipeerde instantie om de bedrijfseconomische noodzaak van een voorgenomen ontslag te beoordelen. Dat Stellingbouw – zij het tevergeefs – een schadebeperkende maatregel heeft genomen mag voorts vanzelfsprekend niet tegen haar gebruikt worden.

4.10.

Wat de gevorderde schade betreft, wordt alvast als volgt overwogen, waarbij er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de proportionaliteit wordt aangetoond en vastgesteld wordt dat de ontslagvergunningen bij zorgvuldige besluitvorming wel zouden zijn verleend.

4.11.

De rechtbank verwerpt de stelling van het UWV dat de schade niet meer kan bedragen dan € 1,=, het bedrag dat Stebopa Montage aan de curator heeft betaald om de vordering over te nemen. De prijs die voor die vordering is bepaald, zegt immers niets over de hoogte van de schade. Voor zover uit die prijs kan worden afgeleid dat de curator zelf weinig heil zag in de vordering, kan dat het UWV evenmin baten omdat ook dat niets zegt over de gegrondheid of de omvang van de vordering, maar louter iets zou kunnen zeggen over de inschatting door de curator van de kans dat er een ‘harde’ vordering was, afgezet tegen de kosten die gemaakt zouden moeten worden om die in rechte te innen.

4.12.

In het hierna volgende zullen de schadeposten worden langsgelopen in de volgorde waarin Stebopa Montage ze heeft gepresenteerd.


a. Doorbetaald loon aan 8 werknemers € 44.792,=. Stebopa Montage stelt dat zij het loon van de voor ontslag voorgedragen medewerkers heeft doorbetaald tussen 30 mei 2013 en
20 augustus 2013, wat niet had gehoeven als de ontslagvergunningen waren verleend. Het UWV heeft echter met stukken onderbouwd aangevoerd dat zij over deze periode het loon heeft doorbetaald. Ter zitting is hierop door Stebopa Montage gezegd dat het kan zijn dat het UWV ook loon heeft betaald, maar dat dat dan dubbel is gebeurd wat niet goed te begrijpen is. Daarmee heeft Stebopa Montage dus niet betwist dat het UWV de loonbetalingsverplichting heeft overgenomen, maar heeft zij nagelaten duidelijk te maken waarom zij daarnaast ook het loon nog zelf heeft voldaan. Bij die stand van zaken kan op dit punt geen schade worden vastgesteld die het UWV moet vergoeden.

b. Pensioenpremies van diezelfde werknemers over dezelfde periode € 6.719,=. Hiervoor geldt dat als de ontslagvergunningen zouden zijn verleend, deze premies niet hadden hoeven worden doorbetaald. In discussie is echter of dit over de hele periode van 30 mei 2013 tot
20 augustus 2013 het geval zou zijn geweest. Indien het UWV het besluit zorgvuldig had genomen, dan had zij nadere informatie gevraagd bij Stellingbouw over de proportionaliteit. De aanvragen zouden dan niet op 30 mei 2013 zijn verleend, maar later, nadat Stellingbouw de gevraagde informatie had verstrekt. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen mee te delen wanneer in dat geval de vergunningen zouden zijn verleend en per wanneer, uitgaande van die datum, de arbeidsovereenkomsten opgezegd hadden kunnen worden. De pensioenpremies vanaf die laatste datum tot 20 augustus 2013 zijn vervolgens als schade toewijsbaar.


c. Auto’s en telefoons van de zaak € 4.400,=. Het UWV bestrijdt ook deze schadepost, waartoe zij aanvoert dat de onderbouwing ontbreekt. Stebopa Montage zal in de gelegenheid worden gesteld die nadere onderbouwing te geven, waarbij zij dient te betrekken dat de betreffende werknemers waren vrijgesteld van werkzaamheden zodat toelichting behoeft dat zij niettemin over een auto en telefoon van de zaak bleven beschikken. Ook op dit punt dient het gevorderde bedrag herberekend te worden op basis van de datum waartegen de arbeidsovereenkomsten opgezegd hadden kunnen worden, als hiervoor onder b. bedoeld. Het UWV zal hierop mogen reageren.


d. Kosten (griffierecht en proceskostenveroordelingen) van de kantonprocedure € 4.096,=. Als de vergunningen waren verleend, zouden de ontbindingsprocedures niet zijn gevoerd. Dit betreft dan ook rechtstreekse schade als gevolg van het onzorgvuldige besluit en deze post is dan ook toewijsbaar.


e. Kosten faillissementsprocedure (griffierecht) € 589,=. Ook deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Stebopa Montage heeft uitgebreid gemotiveerd dat Stellingbouw niet failliet zou zijn gegaan als de ontslagvergunningen waren verleend. Het UWV heeft daar onvoldoende tegenover gesteld, zodat wordt aangenomen dat het griffierecht voor de faillissementsaanvraag schade is die voor vergoeding in aanmerking komt.


f. Kosten van juridische bijstand in de UWV-procedure, de klachtenprocedure en de kantonprocedure € 32.646,=. Hiervoor geldt dat de kosten van juridische bijstand in de UWV-procedure niet als schade kunnen worden aangemerkt. Zoals het UWV terecht aanvoert, zouden deze kosten immers ook gemaakt zijn als de ontslagvergunningen waren verleend, zodat ze geen gevolg zijn van de weigering. Ook de kosten van de klachtenprocedure kunnen niet als rechtstreekse schade als gevolg van de weigering van de ontslagvergunningen worden aangemerkt; het is niet noodzakelijk een klachtenprocedure te voeren als een ontslagvergunning wordt geweigerd. Voor de kosten van bijstand in de kantonprocedures ligt dat anders. Hoewel daar geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt, was het alleszins redelijk dat Stellingbouw zich in die niet eenvoudige zaak liet bijstaan door een deskundige. De kosten daarvan zijn dan ook als schade aan te merken, om dezelfde reden als de hiervoor onder d. genoemde kosten. Stebopa Montage zal nog wel moeten meedelen welk deel van de door haar gevorderde kosten betrekking heeft op de juridische bijstand in de kantonprocedures. Het UWV zal daarop mogen reageren.


g. Schade van groepsvennootschappen in het Esbi-concern, bestaande uit: (i) € 39.798,= wegens een onbetaalde belastingschuld van Stellingbouw die door de fiscus op grond van fiscale eenheid bij de groepsmaatschappijen in rekening is gebracht (ii) € 46.014,45 wegens oninbare vorderingen van groepsmaatschappijen op Stellingbouw en (iii) € 22.500,= voor kosten van juridische bijstand als gevolg van de ‘fallout’ van de niet verleende ontslagvergunningen en het faillissement. Inmiddels betwist het UWV niet langer dat Stebopa Montage van de groepsmaatschappijen last heeft gekregen om namens hen deze vordering te innen. Het UWV bestrijdt de vordering zelf wel. Op dit punt overweegt de rechtbank dat een onzorgvuldig besluit van het UWV jegens de aanvrager Stellingbouw niet automatisch een onrechtmatige daad jegens de andere groepsmaatschappijen oplevert. Daarvoor is nodig dat het UWV jegens die groepsmaatschappijen een norm heeft geschonden die strekt ter bescherming tegen de gestelde schade. Daarvan kan hier niet worden gesproken. Stebopa Montage heeft volstaan met de stelling dat ‘de groepsmaatschappijen schade hebben geleden als gevolg van het faillissement dat is veroorzaakt door het gebrek aan saneringsmogelijkheden hetgeen een rechtstreeks gevolg is van het onrechtmatig handelen van het UWV’. Dat Stellingbouw door het niet verlenen van de ontslagvergunningen haar faillissement heeft moeten aanvragen, maakt echter nog niet dat alle schade (ook van derden) als gevolg van dat faillissement een rechtstreeks gevolg is – in de zin van het vereiste juridische causaal verband – van die weigering. Stebopa Montage maakt niet duidelijk welke concrete jegens de groepsmaatschappijen in acht te nemen norm het UWV zou hebben geschonden. Dat het UWV zich bij de beoordeling van de aanvraag van Stellingbouw ook de belangen van de groepsmaatschappijen moest aantrekken, is in dit verband ook niet concreet genoeg. De namens de groepsmaatschappijen gevorderde schadevergoeding is dan ook niet toewijsbaar.

4.13.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. De zaak wordt naar de rol verwezen voor aktes. Eerst aan de kant van Stebopa Montage voor: (i) het aantonen van de proportionaliteit van de ontslagaanvragen (ii) mededeling wanneer de arbeidsovereenkomsten zouden zijn opgezegd als de ontslagvergunningen na het opvragen van nadere informatie over de proportionaliteit zouden zijn verleend en hoeveel pensioenpremie daarna nog had moeten worden betaald tot aan het faillissement (iii) een onderbouwing van de kosten van auto’s en telefoons van de zaak over de periode vanaf het moment waartegen de arbeidsovereenkomsten, na nadere informatie over de proportionaliteit, hadden kunnen worden opgezegd tot aan het faillissement, waarbij wordt ingegaan op het feit dat de bewuste werknemers al waren vrijgesteld van werkzaamheden en (iv) onderbouwde mededeling welk deel van de gevorderde kosten van juridische bijstand betrekking heeft op de kantonprocedures. Het UWV zal op dit alles vervolgens bij antwoordakte mogen reageren.

5 De beslissing

De rechtbank

- verwijst de zaak naar de rol van 18 oktober 2017 voor akte aan de kant van Stebopa Montage als bedoeld in rov. 4.13, met vervolgens 4 weken later gelegenheid voor het UWV om een antwoordakte te nemen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.1

1 type: coll: