Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6779

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
AMS 17/1311
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek met betrekking tot een omgevingsvergunning voor een dakopbouw. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het algemeen bestuur over meer stukken beschikt dan die al openbaar zijn gemaakt. Beroep ongegrond.

Ten aanzien van het beroep niet-tijdig beslissen heeft het algemeen bestuur geen dwangsom verbeurd i.v.m. de wijziging van de Wob per 1 oktober 2016. Het beroep niet-tijdig is deels niet-ontvankelijk en deels gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser,

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Nieuw West van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Bouzahra).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als [de man] en het algemeen bestuur.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 27 februari 2017 een beroepschrift van [de man] ontvangen, gericht tegen het niet tijdig beslissen door het algemeen bestuur op zijn bezwaarschrift van 15 augustus 2016 gericht tegen het besluit van 15 augustus 2016, alsmede op het niet tijdig beslissen door het algemeen bestuur op zijn verzoeken van 7 en 16 oktober 2016.

Bij besluit van 14 maart 2017, verzonden 16 maart 2017, heeft het algemeen bestuur op het bezwaarschrift van [de man] van 15 augustus 2016 beslist (hierna: het bestreden besluit). Hierbij heeft het algemeen bestuur het bezwaar van [de man] (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

[de man] heeft beroepsgronden tegen het bestreden besluit ingediend.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting behandeld op 19 juli 2017, gelijktijdig met de beroepszaak van [de man] met zaaknummer AMS 16/7307. [de man] is verschenen. Het algemeen bestuur is vertegenwoordigd door zijn bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

Voorgeschiedenis en aanleiding tot deze procedure

1. [de man] woont in de [straat] in Amsterdam. De buurman van [de man] in het naastgelegen pand op nummer 4 heeft een omgevingsvergunning voor een dakopbouw aangevraagd en gekregen. Over deze omgevingsvergunning gaat de beroepsprocedure van [de man] met zaaknummer AMS 16/7307, waarin de rechtbank vandaag ook uitspraak doet.

2. [de man] heeft sinds mei 2016 bij verschillende (bestuurs)onderdelen van stadsdeel Nieuw West verzoeken gedaan om onder meer informatie te verkrijgen over constructieberekeningen voor dakopbouwen en funderingen.

3. Op 12 juli 2016 heeft [de man] bij het algemeen bestuur een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend. [de man] heeft daarbij verzocht om alle documenten met betrekking tot het bouwplan/vergunningaanvraag met nummer OLO 2279563 2016/UIT/4189, die nog niet publiek ter inzage zijn gelegd of anderszins ter beschikking zijn gesteld. Onder ‘documenten’ verstaat [de man] alle stukken/vastgestelde tekst die betrekking hebben op het bouwplan/vergunningaanvraag, zoals ingekomen en verzonden brieven, interne en externe rapporten, interne en externe e-mails, handgeschreven memo’s en aantekeningen op documenten.

4. Op 15 augustus 2016 heeft de Afdelingsmanager Vergunningen namens het algemeen bestuur een beslissing genomen op het Wob-verzoek van [de man] (hierna: het primaire besluit). Hierbij is aan [de man] meegedeeld dat zijn verzoek om informatie wordt ingewilligd en zijn (per e-mail) elf documenten aan hem verstrekt. Voor wat betreft de ambtelijke adviezen en e-mail correspondentie is aan [de man] meegedeeld dat deze deel uitmaken van de vergunningen. De overige stukken worden als interne beleidsopvattingen in de zin van artikel 11 van de Wob beschouwd en worden daarom niet verstrekt.

5. Bij brief van 15 augustus 2016 heeft [de man] bij het algemeen bestuur bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

6. Bij brief van 7 oktober 2016 heeft [de man] bij het algemeen bestuur in het kader van twee klachten die hij heeft ingediend op respectievelijk 22 juli 2016 en 30 augustus 2016, (voor zover nodig) op grond van de Wob een verzoek ingediend om hem onderzoeksbevindingen te doen toekomen of daarin inzage te geven.

7. Bij brief van 16 oktober 2016 heeft [de man] het algemeen bestuur (voor zover nodig) op grond van de Wob verzocht om de ontvangst van zijn brieven van 22 juli 2016 en 12 augustus 2016 met de nadere bezwaargronden, de ontvangst van de ingebrekestelling en de gegevens met betrekking tot het nogmaals doorgenomen zijn van de constructietoetsing en de extra belasting die de fundering kan dragen zoals vermeld in het advies van de bezwaarcommissie.

8. Bij brieven van 19 oktober 2016, 9 november 2016, 16 november 2016 en 11 januari 2017 heeft [de man] het algemeen bestuur in gebreke gesteld en daarbij verzocht om een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en verzoeken.

9. Bij brief van 26 februari 2017, ontvangen op 27 februari 2017, heeft [de man] beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 15 augustus 2016 en zijn verzoeken van 7 en 16 oktober 2016.

De Wob en dwangsom bij niet tijdig beslissen

10.1

[de man] heeft de rechtbank verzocht om de door het algemeen bestuur verbeurde dwangsommen vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen.

10.2

Zoals de rechtbank tijdens de zitting uiteen heeft gezet is per 1 oktober 2016 de Wob gewijzigd. Met ingang van die datum is paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet langer van toepassing op de Wob en wordt dus geen dwangsom meer verbeurd bij het niet tijdig beslissen op grond van deze wet. Gelet op het overgangsrecht is het oude recht (met dwangsom) alleen nog van toepassing op verzoeken waarin de ingebrekestelling vóór 1 oktober 2016 door het bestuursorgaan is ontvangen. In dit geval heeft [de man] het algemeen bestuur bij brieven van 19 oktober 2016, 9 november 2016, 16 november 2016 en 11 januari 2017 in gebreke gesteld. Dat betekent dat – ook als komt vast te staan dat het algemeen bestuur te laat heeft beslist – [de man] geen dwangsom kan krijgen.

Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar van 15 augustus 2016

11. Het algemeen bestuur heeft met het bestreden besluit op het bezwaar van [de man] beslist. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Aangezien [de man] beroepsgronden tegen het bestreden besluit heeft ingediend kan worden vastgesteld dat het algemeen bestuur met dit besluit niet tegemoet is gekomen aan het beroep van [de man] . De rechtbank zal hieronder een inhoudelijk oordeel geven op het beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank is verder niet gebleken van enig belang bij een inhoudelijk oordeel door de rechtbank van het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar van 15 augustus 2016. De rechtbank zal dit beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan procesbelang.

Ten aanzien van het beroep van rechtswege tegen het besluit op bezwaar van 14 maart 2017

12. In het bestreden besluit heeft het algemeen bestuur, kort samengevat, het bezwaar gegrond verklaard voor zover dit zag op de informatie die met toepassing van artikel 11 van de Wob was geweigerd. Deze stukken zijn alsnog tijdens de hoorzitting in bezwaar aan [de man] uitgereikt. Voor het overige heeft het algemeen bestuur zich op het standpunt gesteld dat alle in het verzoek van 12 juli 2016 gevraagd informatie al met het primaire besluit is verstrekt. In zoverre is het primaire besluit door het algemeen bestuur gehandhaafd.

13.1

[de man] voert in beroep aan dat hij de volgende stukken nog niet van het algemeen bestuur heeft ontvangen:

A. Het verkeer door de Wabo-Bezwaarcommissie met derden over zijn bezwaren;

B. Het verkeer tussen stadsdeel Nieuw West en StadsLoket-DVL van 19 tot en met 24 mei 2016 over de geschonden afspraak tot publieke inzage;

C. Het verkeer tussen stadsdeel Nieuw West en StadsLoket-DVL over de bij het college van burgemeester en wethouders ingediende klachten van 18 en 24 mei 2016;

D. Het door de Wabo-Bezwaarcommissie beweerde document waarmee de constructie goedkeuring door de Omgevingsdienst aan de aanvrager is verleend;

E. (heeft [de man] in de pleitnota voor de zitting van 19 juli 2017 doorgehaald);

F. Alle verdere stukken waarin de gevraagde inzage nog niet is verleend, bijvoorbeeld

  1. de voorgeschreven melding start bouw;

  2. de voorgeschreven melding bouw gereed;

  3. de indiening constructieberekening op 4 mei 2016;

G. De bevindingen van het onderzoek naar het doen en laten van de Wabo-Bezwaarcommissie, aangevoerd in de brief van het algemeen bestuur van 3 oktober 2016;

H. De bevindingen van de hertoetsing van de fundering, aangevoerd in de brief van het algemeen bestuur van 11 oktober 2016, alsmede de nadere reactie daarover van het algemeen bestuur aan de Wabo-bezwaarcommissie.

13.2

Het algemeen bestuur stelt zich ten aanzien van de stukken genoemd onder A en B op het standpunt dat die stukken er niet zijn, omdat door de bezwaarcommissie niet met derden over het bezwaar van [de man] is gesproken.

13.3

De hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), heeft in vaste rechtspraak geoordeeld dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, het document in kwestie toch onder het bestuursorgaan berust1.

13.4

In dit geval acht de rechtbank de mededeling van het algemeen bestuur dat er geen documenten zijn die zien op correspondentie tussen de bezwaarcommissie en derden, niet ongeloofwaardig. Het algemeen bestuur heeft bij de bezwaarcommissie en het StadsLoket-DVL navraag gedaan, maar daaruit is niets naar voren gekomen. [de man] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij door derden over zijn bezwaar is aangesproken en dat hem schriftelijke correspondentie daarover (e-mails) is aangeboden. Dit aanbod heeft [de man] echter afgeslagen omdat hij deze informatie op de juiste wijze via het algemeen bestuur wilde verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling toch op de weg van [de man] als aanvrager van de stukken om aannemelijk te maken dat de gevraagde informatie er wel is. Dit had [de man] kunnen doen door de gestelde e-mails aan het algemeen bestuur of de rechtbank te overleggen. Het algemeen bestuur had dan met deze informatie een nieuwe zoekslag kunnen maken. Nu [de man] dit heeft nagelaten heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde informatie bij het algemeen bestuur aanwezig is.

13.5

De rechtbank stelt met betrekking tot het stuk onder D vast dat [de man] daarover al de beschikking heeft. Dit betreft immers de constructieberekening van 4 mei 2015 van ingenieursbureau IRg met daarop de stempel met de vermelding “Constructie geen bezwaar” van 8 juni 2016. De rechtbank is ambtshalve bekend dat dit de gebruikelijke wijze is om de goedkeuring aan constructieberekeningen bekend te maken. De rechtbank acht niet aannemelijk dat hier ook nog een begeleidende brief aan de aanvrager bij hoort.

13.6

Ten aanzien van het stuk genoemd onder F-3 overweegt de rechtbank het volgende. [de man] heeft verwezen naar het advies (pagina 7, 8e regel). Daar staat dat de e-mail van 4 mei 2016 is overhandigd. Het algemeen bestuur heeft het advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Daarmee heeft het algemeen bestuur besloten deze e-mail openbaar te maken en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of dit stuk openbaar dient te worden gemaakt. Indien [de man] het stuk tijdens de hoorzitting niet heeft ontvangen, dan kan hij het alsnog aan het algemeen bestuur vragen.

13.7

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt een Wob-verzoek onder meer begrensd in de tijd en mag deze niet later in de procedure worden uitgebreid2. Ten aanzien van de stukken onder C, F-1, F-2, G en H is de rechtbank van oordeel dat deze stukken buiten de omvang van het oorspronkelijke verzoek van 12 juli 2017 vallen. Het algemeen bestuur behoefde daarover dan ook geen beslissing te nemen in het primaire of bestreden besluit. De rechtbank geeft hierover verder dan ook geen inhoudelijke beoordeling.

14. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het algemeen bestuur over nog meer stukken beschikt die niet openbaar zijn gemaakt en die op grond van het verzoek van 12 juli 2016 onder het verzoek vallen. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit daarom ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen op de verzoeken van 7 en 16 oktober 2016

15.1

De rechtbank stelt voorop dat de Wob-verzoeken van [de man] van 7 en 16 oktober 2016 niet onder het bereik van het verzoek van 12 juli 2016 vallen. Alle gevraagde stukken houden weliswaar verband met hetzelfde onderwerp, te weten de vergunningaanvraag voor de dakopbouw, maar [de man] heeft in de verzoeken van oktober 2016 om andere stukken gevraagd dan in het verzoek van 12 juli 2016. De rechtbank overweegt dat [de man] door zijn vele geschriften aan het algemeen bestuur het er niet overzichtelijker op heeft gemaakt welke stukken hij nog wilde ontvangen, maar dat betekent niet dat het algemeen bestuur niet op deze verzoeken behoorde te beslissen.

15.2

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wob dient het bestuursorgaan uiterlijk binnen vier weken na ontvangst op een Wob-verzoek te beslissen. Nu de rechtbank tot op heden niet is gebleken dat het algemeen bestuur op de verzoeken van 7 en 16 oktober 2016 heeft beslist, is de beslistermijn ruimschoots overschreden. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de verzoeken van 7 en 16 oktober 2016 is daarom gegrond.

15.3

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van het tweede lid verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

15.4

De rechtbank zal het algemeen bestuur opdragen om alsnog binnen twee weken op de verzoeken van [de man] van 7 en 16 oktober 2016 te beslissen. De rechtbank ziet in het voorgaande bovendien aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het algemeen bestuur een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank sluit hiermee aan bij de door de Afdeling gehanteerde norm3.

16. Omdat het beroep gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de verzoeken van 7 en 16 oktober 2016 gegrond is, dient het algemeen bestuur het door [de man] betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 15 augustus 2016

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Ten aanzien van het beroep van rechtswege tegen het besluit op bezwaar van 14 maart 2017

- verklaart het beroep ongegrond;

Ten aanzien van het niet tijdig beslissen op de verzoeken van 7 en 16 oktober 2016

  • -

    verklaart het beroep niet-tijdig beslissen op de verzoeken van [de man] van 7 en 16 oktober 2016 gegrond;

  • -

    draagt het algemeen bestuur op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de verzoeken van [de man] ;

  • -

    bepaalt dat het algemeen bestuur aan [de man] een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • -

    draagt het algemeen bestuur op om het betaalde griffierecht van € 168,- aan [de man] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1255

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1428

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8689