Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6777

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
AMS 17/1322
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering stageverklaring advocaat.

De Algemene Raad heeft zich op basis van onder meer de stageverklaringen op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar kantooradministratie niet adequaat had ingericht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de Algemene Raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres de noodzakelijke vaardigheden mist om zelfstandig de praktijk van advocaat te kunnen voeren. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres,

en

de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Veenboer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, te Amsterdam.

Partijen zullen hierna respectievelijk eiseres, de algemene raad en de raad genoemd worden.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 (het primaire besluit) heeft de raad geweigerd aan eiseres een stageverklaring te verlenen.

Bij besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft de algemene raad het administratief beroep van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De algemene raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 19 juli 2017. Eiseres is verschenen. De algemene raad is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde. Voor de raad zijn verschenen mr. P.N. van Regteren Altena, Deken van de raad, en mr. J.C. Ellerman, lid van de raad.

Overwegingen

Achtergrond

1. Eiseres is op [datum] 2012 beëdigd als advocaat-ondernemer. Op grond van de Advocatenwet is elke advocaat verplicht de eerste drie jaar als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een andere advocaat, de patroon. Indien de stagiaire de stage na drie jaar met goed gevolg heeft afgelegd, verleent de raad een stageverklaring, waarna de advocaat de praktijk zelfstandig uit kan oefenen.

2. Bij besluiten van 27 november 2015 en 11 december 2015 heeft de raad de stage van eiseres met respectievelijk drie maanden en anderhalve maand verlengd. Bij besluit van 17 december 2016 heeft de raad de opzegging van de stage door de patroon goedgekeurd. Eiseres heeft hiertegen administratief beroep ingesteld. De algemene raad heeft bij besluit van 17 mei 2016 het beroep tegen deze besluiten gegrond verklaard. Hij heeft het verzoek om te bepalen dat de stage per 14 november 2015 voltooid is afgewezen en de raad opgedragen om binnen zes weken na dagtekening van de beschikking te komen tot een inhoudelijk oordeel over de vraag of de stage van eiseres beëindigd is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Stageverordening 2005.

De besluitvorming

3. De raad heeft geweigerd om aan eiseres een stageverklaring te verlenen. De raad heeft daaraan, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de organisatie van het kantoor van eiseres niet adequaat is ingericht en zij niet in staat is zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen.

4. De algemene raad heeft de weigering van de raad om aan eiseres een stageverklaring te verlenen in administratief beroep in stand gelaten. De algemene raad heeft daaraan, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat op grond van de stageverslagen van de patroons kan worden getwijfeld of eiseres voldoet aan de aan een stagiaire-ondernemer gestelde eisen als bedoeld in de Stageverordening 2005. De gewekte twijfel is door eiseres ook in administratief beroep niet weggenomen. Daarnaast stelt de algemene raad dat eiseres niet de juiste advocatuurlijke attitude heeft die van belang is voor de rechtzoekende, zowel ten aanzien van de verhouding van eiseres tot haar cliënten als die tot de rechterlijke macht en daarmee voor de kwaliteit en het imago van de advocatuur.

Standpunt van eiseres

5. Eiseres is het met de weigering van de stageverklaring niet eens. Zij stelt, kort samengevat, wel te voldoen aan de aan haar gestelde eisen en verwijst daartoe onder andere naar het stageverslag van [advocaat 3] , de patroon die het stageverslag over het eerste stagejaar heeft opgesteld. Daarnaast heeft eiseres in beroep veel producties, waaronder e-mailcorrespondentie tussen haar en haar patroons overgelegd. Hieruit blijkt volgens eiseres dat zij wel openstond voor aanwijzingen van haar patroons. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om getuigen op te roepen voor de zitting. Ten slotte heeft eiseres verschillende formele beroepsgronden ingediend.

Het juridisch kader

6. Omdat eiseres vóór 1 maart 2013 is beëdigd als advocaat, is op grond van het overgangsrecht de Stageverordening 2005 (hierna: de Stageverordening) van toepassing. Voor de geldende wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

Beoordeling van de formele beroepsgronden

7. Eiseres voert in beroep aan dat het bestreden besluit hangende het hoger beroep in een andere procedure van eiseres bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is genomen en dat het daarom als besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt.

7.1.

De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de door eiseres bedoelde procedure op 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:764) uitspraak heeft gedaan. In die procedure stond de vraag centraal of de algemene raad eiseres terecht niet-ontvankelijk had verklaard in haar administratief beroep tegen een beslissing van 12 november 2015, omdat het geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb betrof. In rechtsoverweging 2.2. van die uitspraak heeft de Afdeling al geoordeeld dat met de nadien wel door de algemene raad genomen besluiten over de stage van eiseres, het besluit van 12 november 2015 niet is ingetrokken, gewijzigd of vervangen, zoals artikel 6:19 van de Awb vereist. Daar komt bij dat toepassing van artikel 6:19 van de Awb feitelijk niet meer mogelijk is.

8. Eiseres voert in beroep aan dat de algemene raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij het besluit van 17 mei 2016 is geoordeeld dat het aan de raad en niet aan de algemene raad is te beoordelen of de stage is voltooid. Dit geldt temeer omdat de algemene raad tijdens de hoorzitting in de onderhavige procedure heeft gezegd dat een volledige heroverweging dient plaats te vinden en dat ex nunc wordt getoetst. Volgens eiseres blijkt niet uit het bestreden besluit dat de algemene raad dit heeft gedaan. Niet blijkt tenminste dat verweerder zelf is overgegaan tot feitenvaststelling.

8.1.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 17 mei 2016 de beslissing van de algemene raad in administratief beroep betreft over de verlenging van de stageperiode en de goedkeuring van de opzegging van de stage door de patroon. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. Dit besluit staat dan ook onherroepelijk vast en valt buiten de omvang van dit geding. De rechtbank zal dan ook niet inhoudelijk ingaan op de motivering van dat besluit.

8.2

De wetgever heeft in artikel 7:25, anders dan in artikel 7:11, van de Awb geen volledige heroverweging voorgeschreven, maar de omvang van de toetsing in administratief beroep in het midden gelaten. De rechtbank stelt vast dat de algemene raad de weigering van de raad in administratief beroep aan een volledige heroverweging heeft onderworpen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze in administratief beroep bekend waren, dus ex nunc. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de algemene raad hiermee niet een onjuiste toets aangelegd. Anders dan eiseres kennelijk meent, vergt de ex nunc toets niet dat de algemene raad zelf overgaat tot feitenvaststelling, maar alleen dat nieuwe feiten en omstandigheden bij de besluitvorming worden betrokken. Of de algemene raad aan zijn besluit voldoende feiten ten grondslag heeft gelegd en daarmee of het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid, zal de rechtbank hierna beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Inhoudelijke beoordeling van de weigering van de stageverklaring

9. Niet in geschil is dat eiseres aan de opleidingseisen van haar stage heeft voldaan.

10. Aan de weigering van de stageverklaring is ten grondslag gelegd dat eiseres niet over voldoende praktijkervaring beschikt als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Stageverordening. Meer in het bijzonder heeft eiseres volgens de algemene raad niet aangetoond dat zij er een adequate kantoororganisatie op nahoudt zoals vereist in artikel 6, derde lid, onder b, van de Stageverordening en mist zij de juiste advocatuurlijke attitude. De algemene raad heeft zijn standpunt gebaseerd op de stageverklaringen, e‑mailcorrespondentie tussen eiseres en anderen en brieven aan en van eiseres. De algemene raad heeft ter adstructie verder verwezen naar het verweerschrift, tevens zelfstandig klaagschrift, van [advocaat 1] , kantoorgenoot van de patroon [advocaat 2] .

11. De rechtbank heeft kennisgenomen van het stuk van [advocaat 1] . De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van met name de beginfase van de stage de informatie op meerdere punten niet overeenkomt met andere informatie, bijvoorbeeld de stageverslagen. De rechtbank zal dit stuk, voor zover betwist, alleen als bewijs gebruiken voor zover dat door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund.

12. De Afdeling heeft meermaals geoordeeld over een weigering om een stageverklaring te verstrekken, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2430), 1 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV2412) en 14 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK0122). Volgens de Afdeling strekt de eis van voldoende praktijkervaring als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Stageverordening ertoe dat voldoende kennis van en inzicht en vaardigheid in de beroepswerkzaamheden is verkregen. Dit is in het belang van zowel de cliënten van advocaten, als van een goede rechtspleging in haar algemeenheid. De eis omvat volgens de Afdeling dus niet alleen kwantitatieve, maar ook kwalitatieve elementen. Verder dient de bestuursrechter het oordeel van de algemene raad over de vraag of de raad de stageverklaring kon weigeren terughoudend te toetsen, gelet op de beoordelingsruimte die de algemene raad hierbij toekomt.

13. Tijdens de stageperiode is eiseres begeleid door meerdere advocaten, waarvan [advocaat 3] , [advocaat 2] en [advocaat 4] officieel als elkaar opvolgende patroons hebben gefungeerd. In die hoedanigheid hebben zij op respectievelijk 9 december 2013, 8 januari 2015 en 14 juli 2015 stageverslagen opgesteld, die aan eiseres zijn voorgehouden en door haar zijn medeondertekend. Het stageverslag van [advocaat 3] is in algemene zin positief. Dit is ook niet in geschil. In het stageverslag van [advocaat 2] staat onder andere het volgende vermeld:

Hoe is de opbouw en inrichting van de dossiers? Wisselend: vaak alles goed/redelijk geordend middels submappen, soms slordig door elkaar heen. […]

Hoe is de beoordeling op dit moment? Moeilijk in te schatten. Het komend stagejaar is zeer belangrijk. […]

Wat is uw algemene indruk? Wisselend. Juridische (proces)stukken meestal ruim voldoende. …. ( onleesbaar voor de rechtbank) correspondentie aan cliënten kan beter.”

In het stageverslag van [advocaat 4] staat onder meer vermeld:

Hoe is de opbouw en inrichting van de dossiers? Nog geen structuur, nogal rommelig, alles ligt door elkaar; belangrijke brieven (inhoudelijk van aard) niet in dossier; bij nieuwe zaken begonnen met ordelijke inrichting. Kan nog geen oordeel worden gegeven of het lukt. Er ligt nog niet veel in nieuwe dossiers. […]

Hoe is de beoordeling op dit moment? Dossiers en administratie niet ordelijk. […]

Wat is uw algemene indruk? Met praktijk gaat het goed, juridische stukken ruim voldoende, correspondentie inhoudelijk ook voldoende. Stagiaire moet nog goede balans vinden tussen verdeling tijd juridische inhoudelijke werkzaamheden en overige (andere dossiers, administratie). […]”

14. Eiseres heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat zij de stageverslagen slechts voor gezien heeft getekend en niet voor akkoord. Eiseres is het met de inhoud van de verslagen van [advocaat 2] en [advocaat 4] voor zover deze hierboven zijn weergegeven niet eens. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat zij niet eerder in de gelegenheid is gesteld om inhoudelijk op de kritiek van haar patroons te reageren.

14.1.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Eiseres is als advocaat-stagiaire zelf verantwoordelijk voor het voltooien van haar opleiding en het met goed gevolg afleggen van de stage. Het lag daarom op haar weg om, als zij het met bepaalde onderdelen van de stageverslagen van haar patroons niet eens was dit aan te kaarten bij de betreffende patroon dan wel bij haar mentor, [advocaat 5] (hierna: de mentor). Dit heeft zij niet gedaan. Eiseres heeft nog aangevoerd dat het stageverslag geen ruimte bood om haar visie op haar functioneren weer te geven is. Dit is onvoldoende voor het oordeel dat eiseres geen gelegenheid had om inhoudelijk te reageren op het stageverslag. Van een advocaat-stagiaire mag immers worden verwacht dat zij niet lijdzaam toeziet wanneer er onjuistheden over haar in een stageverslag worden vermeld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om hetgeen in de stageverslagen staat vermeld voor onjuist te houden. De raad en algemene raad hebben hun oordeel hierop dan ook in redelijkheid mogen baseren.

15. [advocaat 4] heeft op 31 augustus 2015 een brief aan de mentor gezonden met aanvullende informatie over het verloop van de stage sinds het stageverslag van 14 juli 2015. Hierin vermeldt [advocaat 4] dat de uitvoering van de gemaakte afspraken naar wens verloopt behoudens twee onderdelen, te weten de dossiervorming en correcte (financiële) administratie. Volgens [advocaat 4] is vooral de fysieke dossiervorming een heikel punt. Structuur ontbreekt, er is geen kopie van de stukken, de briefwisseling is niet op volgorde, van elkaar gescheiden of er ontbreken stukken. Door deze werkwijze is het volgens [advocaat 4] bijna niet mogelijk om de achteraf uitgaande correspondentie die vooraf niet is gezien en de uiteindelijke versie van verstuurde processtukken en het correct voeren van de (financiële) administratie te controleren. Dit komt volgens [advocaat 4] omdat eiseres veel stukken digitaal opslaat en geen kopieën daarvan uitprint en ordelijk in een fysiek dossier bewaart. [advocaat 4] schrijft dat een groot aantal dossiers is bekeken, maar dat enkele dossiers nog niet in orde zijn. Over de digitaal opgeslagen dossiers kan [advocaat 4] geen goed oordeel geven.

16. Eiseres heeft tegen deze brief van [advocaat 4] aangevoerd dat zij [advocaat 4] wel toegang heeft gegeven tot haar kantoor en computer, dus dat controle van de digitale dossiers wel mogelijk was.

16.1.

De rechtbank is van oordeel dat ook al had [advocaat 4] toegang tot het kantoor van eiseres en haar computer, uit de stageverslagen van [advocaat 2] en [advocaat 4] en de brief van [advocaat 4] van 31 augustus 2015 blijkt dat de fysieke dossiers van eiseres ook niet op orde waren.

17. Op grond van de stageverklaringen en de brief van [advocaat 4] van 31 augustus 2015 bestond twijfel bij de raad over de vraag of eiseres de kantoororganisatie inmiddels wel voldoende adequaat had ingericht. De raad heeft het daarom noodzakelijk gevonden om zelf de kantooradministratie te controleren om te kunnen vaststellen of deze voldeed om een stageverklaring af te geven. Dit blijkt uit de e-mailcorrespondentie van de raad met eiseres om een afspraak in te plannen voor een steekproef bij eiseres op kantoor.

17.1.

Eiseres stelt in beroep enerzijds dat de reden van een kantoorbezoek door de raad haar niet duidelijk was en dat een dergelijk bezoek niet nodig was omdat de verklaring op basis van de stukken kon worden verleend. Anderzijds stelt zij dat zij zelf een selectie van dossiers mee naar de raad had kunnen nemen om te laten beoordelen.

17.2.

De rechtbank stelt vast dat eiseres na afloop van de stage bij [advocaat 4] geen patroon meer heeft gehad. Op basis van de stageverklaringen en de brief van [advocaat 4] van 31 augustus 2015 volgt de rechtbank het standpunt van de raad dat twijfel bestond of eiseres de kantoororganisatie in het voorjaar van 2016 inmiddels wel op orde had. De rechtbank is met de algemene raad van oordeel dat een steekproef bij eiseres op kantoor de enige manier was om deze twijfel weg te nemen en vast te kunnen stellen dat zij wel aan de vereisten voor een stageverklaring voldeed. Een eigen selectie van dossiers meenemen naar een hoorzitting zou niet hetzelfde effect hebben, omdat eiseres deze dossiers vooraf op orde kon brengen. In de e-mails van 8 en 10 juni 2016 van mr. A. van de Streek namens de raad aan eiseres staat expliciet vermeld dat het te plannen kantoorbezoek geen hoorzitting betreft, maar een inhoudelijke toets die zal worden verricht door de mentor en een lid van de raad bij eiseres op kantoor. Eiseres is erop gewezen dat zij ervoor moet zorgen dat de dossiers kunnen worden ingezien, zodat de wijze waarop zij de dossiervorming en financiële administratie voert kan worden gecontroleerd. Gezien deze e-mails kon de bedoeling van het kantoorbezoek eiseres duidelijk zijn. Desondanks heeft zij niet meegewerkt aan dit kantoorbezoek en de raad verzocht de stageverklaring af te geven op basis van de stukken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de algemene raad zich juist op basis van deze stukken in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar kantooradministratie niet adequaat had ingericht.

18. Ten aanzien van het gebrek aan advocatuurlijke attitude heeft de algemene raad in het bestreden besluit vermeld dat het eiseres aan de vereiste vaardigheden ontbreekt. Volgens de algemene raad bestaan er op basis van de stukken grote twijfels over de integriteit van eiseres, haar communicatie met andere advocaten en cliënten en de samenwerking met anderen. Eiseres betwist dit.

18.1.

De rechtbank maakt uit de stukken op dat eiseres zonder overleg met haar patroon, op briefpapier van het kantoor van haar patroon [advocaat 2] en [advocaat 1] alle rechtbanken heeft aangeschreven met het verzoek om zichzelf, haar partner en een neef op de lijst te laten plaatsen voor het zogenaamde grijsmaken omdat er problemen zijn met de post. Daarnaast blijkt uit het dossier dat eiseres heimelijk opnamen heeft gemaakt van gesprekken met haar mentor. Eiseres ontkent niet deze acties te hebben uitgevoerd. Tijdens de zitting heeft eiseres wel redenen gegeven waarom zij deze acties heeft uitgevoerd en gezegd dat zij nu weet dat dit gedrag niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank had het eiseres destijds ook duidelijk moeten zijn dat deze beide acties geen optie waren. Het heimelijk opnemen van gesprekken is bovendien in strijd met de gedragsregels voor advocaten. De algemene raad heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat er twijfels bestaan over de integriteit van eiseres als advocaat.

18.2.

Verder blijkt uit e-mails in het dossier dat eiseres over een langere periode van de stage moeilijk bereikbaar was voor haar patroons, maar ook voor haar cliënten en de raad. Ook blijkt uit de stukken dat eiseres gedurende (een deel van) de stageperiode schulden had, onder andere vanwege betaalachterstanden voor een bedrijfsauto, openstaande CJIB-boetes en een huurschuld bij het kantoor van [advocaat 1] . Het kantoor van haar patroon is in deze periode blijkens de stukken ook met schuldeisers van eiseres geconfronteerd. Verder ontkent eiseres niet dat zij minstens drie keer in conflict is geraakt met advocaten die gedurende de stage haar patroon dan wel directe collega waren. Zo is zij binnen enkele maanden nadat zij was gestart als advocaat-stagiaire bij het kantoor van [advocaat 6] in een juridische procedure met deze advocaat terecht gekomen. Een jaar later was eiseres verwikkeld in een juridische procedure met [advocaat 1] over de huurachterstand. Ten slotte is het patronaat van [advocaat 4] geëindigd met een conflict. Op basis van deze objectieve informatie kan worden vastgesteld dat de opstelling van eiseres conflictueus en niet constructief is en vaak leidt tot escalaties. Met de algemene raad is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke houding het imago van de advocatuur schade kan berokkenen en bovendien niet bevorderlijk is voor de samenwerking met anderen.

18.3.

Gelet op het voorgaande en de onder overweging 12. genoemde rechtspraak van de Afdeling, is de rechtbank van oordeel dat de algemene raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres de noodzakelijke vaardigheden mist om zelfstandig de praktijk van advocaat te kunnen voeren. Voor het doen van nader onderzoek bestond dan ook geen aanleiding.

19. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij anders is behandeld dan andere advocaat-stagiaires.

19.1.

De rechtbank overweegt dat de stagiaire die zoals eiseres advocaat-ondernemer is met een buitenpatroon een andere positie inneemt dan een advocaat die in loondienst is bij de patroon. Zowel de Advocatenwet als de Stageverordening kent aan de stagiaire die advocaat-ondernemer is andere rechten en plichten toe dan aan de advocaat-stagiaire in loondienst. Dat zij door de raad anders is behandeld is daarmee in overeenstemming. Voor zover eiseres hier een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld, zodat van strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is gebleken.

20. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de raad de Stageverordening niet juist heeft toegepast, door haar en haar patroons niet te horen alvorens de stageverklaring te weigeren.

20.1.

De rechtbank overweegt dat de passage waar eiseres op doelt in artikel 10, eerste lid, van de Stageverordening ‘gehoord de patroon en de stagiaire’ blijkens de toelichting van de deken van de raad tijdens de zitting niet letterlijk betekent dat de patroon gehoord moet worden tijdens een hoorzitting. De patroons van eiseres hebben hun standpunten al weergegeven in de schriftelijke stageverslagen en er bestond volgens de raad geen aanleiding om de patroons hierover ook nog mondeling te horen. De stageverslagen zijn tijdens een gesprek tussen de mentor en de stagiaire besproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad geen onjuiste toepassing gegeven aan de stageverordening door in dit geval de patroons niet in het bijzijn van eiseres te horen.

21. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de algemene raad ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan haar verzoek om zes getuigen te horen tijdens de zitting in administratief beroep. Eiseres stelt dat zij daardoor in een nadeliger bewijspositie is gebracht. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om deze getuigen op te roepen en te horen tijdens de zitting van 19 juli 2017. Hierbij heeft zij een beroep gedaan op het arrest Gillissen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) van 15 maart 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609).

21.1.

De rechtbank heeft het verzoek om de getuigen op te roepen bij brief van 6 juli 2017 afgewezen. Eiseres heeft vervolgens zelf drie getuigen opgeroepen voor de zitting, [advocaat 3] , [advocaat 2] en [advocaat 4] . Geen van deze getuigen heeft gehoor gegeven aan de oproep van eiseres. Verder heeft zij voorafgaande aan de zitting verzocht om het horen van [advocaat 7] en [advocaat 8] . De rechtbank ziet geen aanleiding om de getuigen alsnog op te roepen voor een zitting om te worden gehoord. Anders dan in de zaak die voorlag bij het Hof in de zaak Gillissen, hebben de drie patroons van eiseres al een schriftelijke verklaring afgelegd in de vorm van de stageverslagen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het niet voor de hand dat de patroons nu anders zullen verklaren dan zij al in hun schriftelijke stageverslagen hebben gedaan. De twijfel die destijds op grond van de stageverslagen bij de raad bestond kon niet worden weggenomen door de patroons te horen, maar uitsluitend door de kantooradministratie van eiseres ter plekke te controleren. Eiseres heeft daar zelf geen toestemming voor gegeven. Daar kunnen getuigenverklaringen in administratief beroep geen verandering in brengen en dat kan nu in beroep ook niet meer. Voor zover eiseres de getuigen had willen horen ter weerlegging van de stellingen van [advocaat 1] , verwijst de rechtbank naar overweging 11. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de vragen die eiseres [advocaat 4] blijkens haar reactie op het verweerschrift in administratief beroep had willen stellen, verder betrekking hebben op onderwerpen die de algemene raad niet ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van de stageverklaring.

Conclusie

22. De rechtbank is alles overziend van oordeel dat de algemene raad in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de raad de stageverklaring aan eiseres heeft kunnen weigeren.

23. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage juridisch kader

Advocatenwet

In artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet is (voor zover hier relevant) bepaald dat elke advocaat verplicht is gedurende de eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een andere advocaat – hierna te noemen de patroon – en bij deze kantoor te houden.

In het derde lid van dit artikel is (voor zover hier relevant) bepaald dat de raad van toezicht van de verplichting van de stagiaire bij een patroon kantoor te houden vrijstelling kan verlenen, indien naar het oordeel van de raad een behoorlijke praktijkuitoefening, waaronder de financiering van de praktijk en de dekking van het risico van de beroepsaansprakelijkheid van de stagiaire, overeenkomstig de daaromtrent gestelde voorschriften bij of krachtens deze wet, verzekerd is.

Verordening op de advocatuur

In artikel 9.1., eerste lid, van de Verordening op de advocatuur is bepaald dat voor stagiaires die beschikken over een op grond van de Stageverordening 2005 afgegeven bewijs dat het in artikel 9c van de Advocatenwet bedoelde examen met gunstig gevolg is afgelegd en voor stagiaires die beëdigd zijn voor 1 maart 2013, ingeschreven zijn voor de beroepsopleiding en vanaf inwerkingtreding van dit artikel zonder onderbreking op het tableau staan ingeschreven, de Stageverordening 2005 en de daarop berustende bepalingen van toepassing blijven totdat de stagiaire aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

Stageverordening 2005 (hierna: Stageverordening)

Artikel 5 van de Stageverordening luidt:

1. De patroon verschaft de stagiaire leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin des woords. Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de stagiaire bij en vervolgens aan diens optreden jegens de rechterlijke macht, beroepsgenoten en cliënten.

2. De patroon ziet er op toe dat de stagiaire alle verplichtingen nakomt die door de Algemene Raad en de Raad van Toezicht voor stagiaires zijn vastgesteld, opleidingsmaatregelen met name daaronder begrepen.

5. De patroon schenkt bij zijn begeleiding van de stagiaire, die op de voet van artikel 9b, derde lid, van de wet niet bij hem kantoor houdt, bijzondere aandacht aan de inrichting van diens kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt en diens administratie, de boekhouding daaronder begrepen.

6. De patroon van de stagiaire die:

b. op de voet van artikel 9b, derde lid van de wet niet bij hem kantoor houdt, brengt ten minste één maal per zes maanden verslag uit aan de Raad van Toezicht omtrent het verloop van de stage.

Artikel 6 van de Stageverordening luidt:

1. De stagiaire is, tenzij de Algemene Raad respectievelijk de Raad van Toezicht anders bepaalt, gehouden de door de Algemene Raad voor stagiaires vastgestelde verplichtingen, opleidingsmaatregelen met name daaronder begrepen, na te komen.

3. De stagiaire, die op de voet van artikel 9b, derde lid, van de wet niet bij zijn patroon kantoor houdt, is verplicht:

a. zijn patroon in de gelegenheid te stellen te voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vijfde lid.

b. aantoonbaar de organisatie van zijn kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt adequaat in te richten.

c. alleen zaken aan te nemen die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen en waarvoor hij de deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de deskundigheid van een andere advocaat.

In artikel 10, eerste lid, van de Stageverordening is bepaald dat de verplichting de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een patroon eindigt zodra de duur van de stage op de voet van het bepaalde in artikel 9b van de wet is verstreken en de Raad van Toezicht, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire naar behoren aan de bij of krachtens deze verordening aan hem gestelde eisen heeft voldaan en tevens over voldoende praktijkervaring beschikt.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Raad van Toezicht aan de stagiaire, wiens stageverplichting overeenkomstig het vorige lid is geëindigd een verklaring geeft dat de stage is voltooid.

In artikel 18, eerste lid, aanhef en onder i, van de Stageverordening is bepaald dat voor belanghebbenden, naast het bepaalde in artikel 9b, vijfde lid, van de wet, tegen de weigering tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 10, tweede lid, door de Raad van Toezicht administratief beroep open staat op de Algemene Raad.