Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:675

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
13/654240-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkrachting, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een persoon beneden de leeftijd van 18 jaar bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654240-15 (Promis)

Datum uitspraak: 7 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Diependaal en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging- ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 29 augustus 2015 te Amsterdam of in Spaarnwoude, gemeente Haarlemmerliede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of (telkens) door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] en welke zich in een kwetsbare positie bevond) één- of meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die [slachtoffer] (telkens) gedwongen te dulden

- dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn/hun penis duwde(n) en/of (vervolgens) zijn/hun penis(sen) in de mond van die [slachtoffer] duwde(n) en/of bracht(en), in elk geval dat die [slachtoffer] verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) moest pijpen en/of

- dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer] duwde(n) en/of bracht(en)

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- ( door middel van whatsapp) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij naar hem, verdachte, en/of naar (een of meer van ) zijn mededader(s) moest komen en/of dat als zij niet zou komen er wat met haar zou gebeuren en/of dat hij en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (naakt)foto's van die [slachtoffer] in de brievenbus van de moeder van die [slachtoffer] zou doen en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat ze in een auto moest stappen en/of - die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen een of meermalen cocaïne te snuiven en/of

een (halve blauwe) pil te slikken (waardoor die [slachtoffer] zich slecht begon te voelen) door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze wist wat er zou gebeuren als die [slachtoffer] dat niet zou doen

terwijl voornoemde handeling(en) (telkens) plaatsvonden op de achterbank van een kleine (twee deurs) auto waarbij steeds verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) aanwezig was/waren en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

(Artikel 242 juncto 47 juncto 248 lid 1 en lid 4 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 29 augustus 2015 te Amsterdam of in Spaarnwoude, gemeente Haarlemmerliede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op 2 januari 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, één- of meermalen, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn/hun penis(sen) geduwd en/of zijn/hun penis(sen) in de mond van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, in elk geval heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of

- zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

(Artikel 245 juncto 47 juncto 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar haar op schrift gestelde pleitnotitie vrijspraak bepleit voor zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft daartoe, zakelijk weergegeven, betoogd dat er geen sprake is van medeplegen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2014. In onderhavige zaak is namelijk geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking nu verdachte net drie dagen in Nederland was en één van de medeverdachten niet kende. Ten aanzien van de verkrachting heeft zij aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van dwang van de zijde van verdachte. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde verzoekt zij de rechtbank om verdachte vrij te spreken nu verdachte niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was ten tijde van het feit en dat bovendien het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] zo gering is dat er geen sprake is van ontucht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw en met de officier van justitie, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en [naam] , schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] (het primair tenlastegelegde). De rechtbank is daarbij van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde feitelijkheden bewezen kunnen worden verklaard.

De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen van aangeefster

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] dat zij is verkracht door twee mannen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Weliswaar heeft [slachtoffer] een kwetsbare en afhankelijke positie ten aanzien van haar ex-vriend [naam] , naar het oordeel van de rechtbank is dit geen aanleiding om haar verklaringen onbetrouwbaar te achten. Daar komt bij dat het dossier voldoende bewijsmiddelen bevat die de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen.

De betrouwbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd – met name zijn verklaring van 5 november 2015 – niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Verdachte was op het moment dat hij die verklaringen aflegde een doodsbange, jonge jongen in beperkingen en, mede door de manier waarop de politie het verhoor inleidde, in paniek.

De rechtbank acht de bij de politie op 5 november 2015 afgelegde verklaring van verdachte betrouwbaar en ook bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaring is gedetailleerd en voor een deel door verdachte in het bijzijn van zijn advocate afgelegd en ook door verdachte ondertekend. Daar komt bij dat het dossier bewijsmiddelen bevat die de verklaring van verdachte ondersteunen.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de verklaringen van verdachte, [naam] , [medeverdachte] en [slachtoffer] volgt dat [slachtoffer] door [naam] is benaderd om naar het Mercatorplein te komen. [naam] heeft telefonisch tegen [slachtoffer] gezegd dat zij naar het plein moest komen en dat als zij niet zou komen er wat met haar zou gebeuren én hij (naakt)foto’s naar haar moeder zou sturen. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar het Mercatorplein gereden. [naam] en [medeverdachte] hebben eerder die dag contact met elkaar gehad door middel van WhatsApp. [naam] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft benaderd op verzoek van [medeverdachte] . Ook verdachte wist dat er een meisje zou komen. [naam] heeft tegen verdachte en [medeverdachte] gezegd dat zij seks met haar konden hebben. [slachtoffer] is vervolgens op het Mercatorplein bij de drie mannen in de auto gestapt . Zij zijn richting een afgelegen park gereden. [medeverdachte] bestuurde de auto. Uit de verklaringen blijkt dat [slachtoffer] in de auto cocaïne moest snuiven, anders zou [naam] de eerder genoemde foto’s sturen naar haar moeder. Verdachte en [slachtoffer] verklaren dat [medeverdachte] haar een (halve) xtc-pil heeft gegeven in de auto. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij ook de xtc-pil niet wilde innemen, maar dat [naam] haar aankeek en zei: “Denk aan de foto’s”. In de (tweedeurs-)auto heeft [naam] tegen [slachtoffer] gezegd dat zij seks moest hebben met de jongens en dat hij anders de foto’s zou opsturen. Vervolgens heeft zij zowel orale als vaginale seks met verdachte en [medeverdachte] gehad. Daarna zijn verdachte, [medeverdachte] , [naam] en [slachtoffer] teruggereden. Zij hebben [slachtoffer] afgezet op het Mercatorplein.

Dwang en feitelijkheden

Er is sprake van dwang in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht indien het slachtoffer tegen de dwangmiddelen niet langer weerstand heeft kunnen bieden, dan normaal kan en mag worden verwacht. Daarbij kan van belang zijn dat een afhankelijkheidssituatie wordt gecreëerd, waarbij de concrete omstandigheden van het geval een grote rol spelen. Ook de feiten en omstandigheden voorafgaand aan de tenlastegelegde periode kunnen daarbij worden meegewogen.

Uit de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] blijkt dat verdachte op de hoogte was van de dwang nu hij bij de politie heeft verklaard dat hij hoorde dat [naam] het meisje belde in de auto. Verdachte heeft verklaard dat hij [naam] hoorde zeggen: “Als je niet komt dan zal ik de foto’s naar je moeder sturen” en “We willen jou neuken”. [naam] zou hebben gezegd: “Je moet met deze jongen seks hebben anders stuur ik de foto’s naar je moeder”. Verdachte heeft verklaard dat [naam] in zijn aanwezigheid, en die van [medeverdachte] , [slachtoffer] onder druk heeft gezet.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen geachte feitelijkheden in onderlinge samenhang bezien en gelet op alle omstandigheden van het geval, zodanig van aard waren dat [slachtoffer] zich daar redelijkerwijs niet aan heeft kunnen onttrekken of tegen heeft kunnen verzetten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat sprake was van dwang in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht en dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] . De rechtbank verwerpt het verweer.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af, dat verdachte een dusdanige substantiële bijdrage heeft geleverd aan het plegen van het feit dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 29 augustus 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, door feitelijkheden [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] en welke zich in een kwetsbare positie bevond, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer] gedwongen te dulden

- dat verdachte en/of zijn mededader(s) het hoofd van die [slachtoffer] naar hun penis duwden en vervolgens hun penis in de mond van die [slachtoffer] brachten, en verdachte en één van zijn mededaders moest pijpen en

- dat verdachte en één van zijn mededaders hun penis in de vagina van die [slachtoffer] brachten

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer] hebben gezegd dat zij naar hem, verdachte, en zijn mededaders moest komen en dat als zij niet zou komen er wat met haar zou gebeuren en (naakt)foto's van die [slachtoffer] in de brievenbus zou doen en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze in een auto moest stappen en

- die [slachtoffer] heeft gedwongen cocaïne te snuiven en een halve blauwe pil te slikken waardoor die [slachtoffer] zich slecht begon te voelen door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze wist wat er zou gebeuren als die [slachtoffer] dat niet zou doen

terwijl voornoemde handelingen plaatsvonden op de achterbank van een tweedeurs auto waarbij steeds verdachte en zijn mededaders aanwezig waren en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie hebben doen ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld naar de regels van het volwassenstrafrecht tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gevorderd dat de vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 9.272,00 aan materiële en immateriële kosten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de advocaatkosten ad € 3.811,50.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het ten laste gelegde primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij bepleit het adolescentenstrafrecht toe te passen, zoals door de reclassering is geadviseerd, en verdachte een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen nu de verdediging vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat de vordering dient te worden afgewezen nu deze een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan verkrachting van een vijftienjarig meisje. Hij en zijn mededaders hebben het meisje gedwongen seksueel gemeenschap met hen te hebben door haar te dreigen met het verspreiden van naaktfoto’s van haar. Zij zijn met zijn vieren naar een afgelegen plek gereden en het slachtoffer heeft verdovende middelen geslikt, waardoor sprake was van bedwelming van het slachtoffer. Verdachte en zijn mededaders hebben misbruik gemaakt van de afhankelijke situatie waarin het slachtoffer zich bevond en van de sfeer van intimidatie en dreiging waarin zij ten tijde van de verkrachting mede door toedoen van verdachte was komen te verkeren. Verdachte heeft zijn lustgevoelens gesteld boven het belang van het slachtoffer en zich daarbij niet bekommerd om haar gevoelens en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Voorstelbaar is dat het voor haar een vernederende, kwetsende en beangstigende ervaring is geweest. Het slachtoffer heeft nog lange tijd de enorme psychische gevolgen ondervonden van deze gebeurtenis en ondervindt deze nog steeds, zoals blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, er blijk van heeft gegeven zich te realiseren wat hij haar heeft aangedaan of spijt heeft betuigd.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het gegeven dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 1 december 2016 betreffende verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en na dit feit ook niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank ziet met de raadsvrouw en de reclassering, en anders dan de officier van justitie, aanleiding tot toepassing van het jeugdstrafrecht wegens de handelingsvaardigheden van verdachte alsmede de mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding van verdachte. De rechtbank merkt op dat de reclassering geen contra-indicatie ziet voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank neemt het advies van de reclassering dan ook over en legt, op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, na te noemen jeugdsancties aan verdachte op.

In de omstandigheid dat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, het jeugdstrafrecht wel toepast en alle hiervoor genoemde omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Beslag

Het inbeslaggenomen ondergoed (zie nummers 3 en 4 op de beslaglijst) dient te worden teruggegeven aan [slachtoffer] .

De inbeslaggenomen telefoon (zie nummer 2 op de beslaglijst, 1 STK Zaktelefoon KL: Zwart NOKIA, [nummer] ) dient te worden teruggegeven aan verdachte.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] met als wettelijk vertegenwoordiger [naam vertegenwoordiger] vordert € 122,- + € 100,- + € 50,- en daarmee – naar de rechtbank begrijpt – € 272,- aan materiële schadevergoeding en € 9.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert zij vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 3.811,50.

Daarbij is vermeld dat een bedrag van € 5.000,- geacht kan worden te zullen worden betaald door het Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarvan € 1.000,- reeds beschikbaar is gesteld en het meerdere zal worden gereserveerd tot het bereiken van de meerderjarige leeftijd van [slachtoffer] .

Ter zitting is voorts aangegeven dat de gehele vordering in gelijke omvang tevens is ingediend in strafzaken tegen twee andere verdachten met betrekking tot de beschuldiging van een zedendelict op 28 en 29 augustus 2015, en dat bovendien nog een (immateriële) schadevordering in de strafzaak tegen medeverdachte [naam] zal worden ingediend die zowel samenhangt met voornoemde strafzaken als de onderhavige strafzaak. In de onderhavige zaak wordt daarom gevraagd de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding hoofdelijk en naar rato toe te kennen voor een derde dan wel met referte aan het oordeel van de rechtbank.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Deze vordering van € 272,- is onderbouwd met stukken en is ter zitting beperkt in relatie tot louter het onderhavige delict. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 272,- toekennen, hoofdelijk aan verdachte op leggen en vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, zijnde 29 augustus 2015.

Niet betwist is dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Er is sprake geweest van een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit. De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van het strafbare feit psychisch leed bij haar is ontstaan, waarvoor zij professionele behandeling heeft gekregen, te weten traumagerichte cognitieve gedragstherapie. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Het gevorderde bedrag acht de rechtbank, ook indien pro rata toegerekend aan louter het onderhavige delict, disproportioneel hoog. Bij de begroting van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend.. De rechtbank begroot de vergoeding van de immateriële schade die rechtstreeks door verdachte in vereniging met zijn mededaders is toegebracht aan de benadeelde partij als gevolg van het strafbaar feit gepleegd op 29 augustus 2015 naar billijkheid op € 3.000,- , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 29 augustus 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening, hoofdelijk op te leggen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 272,- aan materiele schadevergoeding en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2015.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaken tegen twee andere verdachten. Verdachte wordt aldus veroordeeld aan de benadeelde partij de toegewezen bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen voor zover deze vordering niet reeds of namens een ander of anderen is betaald.

Kosten rechtsbijstand

De benadeelde partij heeft verzocht een bedrag van € 3.811,50 aan kosten voor rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank een vergoeding toekennen voor proceskosten die de benadeelde partij maakt bij voeging in het strafproces. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Voor het opstellen van een vordering en het bijwonen van de behandeling ter terechtzitting worden conform het liquidatietarief twee punten toegekend ad € 384, - per punt. In totaal beraamt de rechtbank de rechtsbijstandskosten aldus op € 768,-. Niet aannemelijk is gemaakt dat er zich zodanige bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat deze een afwijking van deze reguliere toewijzing kunnen rechtvaardigen.

De gevorderde vergoeding voor kosten rechtsbijstand is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 768,-. Voor het overige van de gevorderde proceskosten zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de overige kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Verkrachting, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een persoon beneden de leeftijd van 18 jaar bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich zal houden aan de aanwijzingen die hem door of namens de jeugdreclassering zullen worden gegeven;

  2. zich binnen vijf werkdagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep op het volgende adres: Bijlmerdreef 101, 1102 BP te Amsterdam. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

  3. zal meewerken aan diagnostiek en, indien geïndiceerd, zich laat behandelen door I-psy of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering. De veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen en regels die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar zullen worden gegeven;

  4. zal meewerken aan hulpverlening door Unal zorg of soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van [naam vertegenwoordiger] , wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] en met als gemachtigde mr. S. Aytemur, Linnaeusparkweg 16, 1098 EB Amsterdam, toe tot € 272,- (tweehonderdtweeënzeventig euro) aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- (drieduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 29 augustus 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam vertegenwoordiger] voornoemd, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de immateriële schadevordering niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam vertegenwoordiger] , € 272,- (tweehonderdtweeënzeventig euro) aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- (drieduizend euro) aan immateriële schadevergoeding aan de Staat te betalen, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 29 augustus 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 17 (zeventien) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 768,- (zevenhonderdachtenzestig euro), zijnde de kosten voor rechtsbijstand.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de schadevordering betreffende de proceskosten niet-ontvankelijk is.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van:

2 STK Ondergoed met nummers [nummer] en [nummer] (nrs. 3 en 4 op de beslaglijst).

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1. STK Zaktelefoon Kl: Zwart NOKIA met nummer [nummer] (nr. 2 op de beslaglijst).

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en B.M. van Heemst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2017.