Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6707

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
13.751.370-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Hongarije, overlevering toegestaan, art. 12 OLW en 4 Handvest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.370-17 (EAB I)

RK nummer: 17/2929

Datum uitspraak: 25 juli 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 januari 2017 door the Correctional Division of the Regional Court of Miskolc (Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem, en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen:

- van de Hongaarse autoriteiten de vereiste concrete informatie te verkrijgen met betrekking tot de detentieomstandigheden;

- bij de Hongaarse autoriteiten navraag te doen over de procedure in hoger beroep.

Op de zitting van 25 juli 2017 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

- een vonnis van 11 juni 2014 van the District Court of Miskolc en

- een arrest van 22 januari 2015 van the Regional Court of Miskolc (court of second instance) als gevolg waarvan het vonnis van 11 juni 2014 onherroepelijk is geworden.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De brief van het Ministry of Justice of Hungary van 20 juli 2017 houdt onder meer het volgende in:

The Ministry of Justice of Hungary – acting as Central Authority – presents its compliments to the Arrondissementsparket Amsterdam and (…) has the honour to inform it that [opgeëiste persoon] was absent both form the hearings held in 11 June 2014 and 22 January 2015.

De brief van het Ministry of Justice of Hungary van 19 juli 2017 houdt onder meer het volgende in:

The Ministry of Justice of Hungary – acting as Central Authority – (…) has the honour to inform you that the judgment which is the basis of the EAW (…) was indeed rendered in absentia. As a consequence, please find attached the corrected EAW and its English translation.

De bijlage bij die brief houdt onder meer het volgende in:

(d) Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:

(…)

2. [ ] No the person did not appear in person at the trial resulting in the decision.

3. 1f you have ticked the box under point 2, please confirm the existence of one of the following:

(…)

3.4.

the person was not personally served with the decision, but

- the person will be personally served with this decision without delay after delivery thereof;

and

- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and

- the person will be informed of the timeframe within which he or she may request a retrial or appeal. The request for retrial has no deadline.

Het EAB strekt dus tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid en terwijl – kort gezegd – niet is gebleken dat zich één van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

- ( (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

- ( (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende EAB.

Het hiervoor weergegeven onderdeel 3.4 van de bijlage van de brief van 19 juli 2017 voldoet aan deze eisen.

De rechtbank mag de overlevering dus niet weigeren op de enkele grond dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

De omstandigheid dat de rechtbank aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag heeft voorgelegd of artikel 4 bis van Kaderbesluit 2009/299/JBZ, waaraan artikel 12 OLW uitvoering geeft, ook van toepassing is op een vonnis dat in hoger beroep na een behandeling ten gronde is gewezen (C-270/17 PPU (Tupikas)), brengt niet mee dat de behandeling van het onderhavige EAB moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van die vraag.

Weliswaar is ook in deze zaak sprake van een berechting in twee instanties, maar de beantwoording van de prejudiciële vraag is voor deze zaak niet van belang, omdat – wat het antwoord ook moge zijn – in deze zaak de overlevering in geen geval mag worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW.

5 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal.

6. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: detentieomstandigheden in Hongarije

De brief van het Ministry of Justice of Hungary van 10 juli 2017 houdt onder meer het volgende in:

The Ministry of Justice of Hungary — acting as Central Authority — (…) has the honour to inform you that the National Headquarter of the Penitentiary provided with assurance that after the surrender, [opgeëiste persoon] (born in [geboorteplaats] on [geboortedag] 1984, Hungarian national) will be held either at the Penitentiary Institute of Szombathe1y or Tiszalök, where the detention conditions are CPT compliant.

Op grond van deze brief staat vast dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Hongarije zal worden geplaatst hetzij in de gevangenis in Szombathely, hetzij in de gevangenis in Tiszalök.

De rechtbank heeft geen bewijzen zoals bedoeld in punt 88 van het arrest Aranyosi en Căldăraru (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198), dat personen die hetzij in de gevangenis in Szombathely hetzij in de gevangenis in Tiszalök gedetineerd zijn in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling lopen (Rb. Amsterdam 4 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4966).

Nu de rechtbank geen bewijzen heeft voor een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Szombathely en Tiszalök, komt zij niet toe aan de in punt 92 van het arrest Aranyosi en Căldăraru bedoelde beoordeling of de opgeëiste persoon bij plaatsing in één van deze twee gevangenissen een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling loopt (Rb. Amsterdam 4 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4966).

Artikel 4 Handvest staat dan ook niet in de weg aan (het nemen van een beslissing over) de overlevering.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Correctional Division of the Regional Court of Miskolc (Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juli 2017.

De jongste rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C