Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6682

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2690
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De UvA heeft een Amsterdammer voldoende informatie verstrekt over een symposium over de Israëlische veiligheidsindustrie. Het symposium werd in 2016 gehouden bij CREA, een aan UvA gelieerde Stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2690

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Universiteit van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. N. van den Brink).

Procesverloop

In het besluit van 4 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op het door eiser met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedane verzoek beslist onder gedeeltelijke openbaarmaking van de door eiser verzochte informatie.

In het besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken waarvan openbaarmaking (deels) is geweigerd overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak met zaaknummer 17/2693.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en standpunten van partijen

1. Op 12 september 2016 heeft eiser per e-mail met een beroep op de Wob verzocht om openbaarmaking van:

1: “alle WOB documenten betrekking hebbend tussen Gate48 en u” en van

2: “de communicatie tussen Minister OCW en de UvA op dit punt”

Het betreft meer in het bijzonder documenten betreffende het op 14 september 2016 gehouden symposium Securitizing Worlds: a Critical Look at the Israeli Global Security Industry, dat plaatsvond in cultureel studentencentrum CREA (hierna: het Wob-verzoek).

2. In het primaire besluit is op het Wob-verzoek beslist. Verweerder heeft een aantal documenten (e-mails) tussen verweerder en het Ministerie van Onderwijs Cultuur & Wetenschap (hierna OC&W) openbaar gemaakt, waarbij daarin vermelde persoonsgegevens en de naar die persoon te herleiden contactgegevens onleesbaar zijn gemaakt met een beroep op de in artikel 10, lid 2, aanhef en onder e van de Wob genoemde weigeringsgrond. Openbaarmaking van deze gegevens zou volgens verweerder leiden tot een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Dat belang weegt zwaarder. Tevens is in de e-mail van 8 september 2016 (hierna: document 5) een passage onleesbaar gemaakt met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat deze passage volgens verweerder een persoonlijke beleidsopvatting betreft. Twee bijlagen behorend bij de hiervoor bedoelde openbaargemaakte e-mails worden eveneens geweigerd met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob. Het betreft concept-antwoorden op Kamervragen. Er zijn volgens verweerder verder geen andere documenten die op het Wob-verzoek betrekking hebben.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft in het besluit nog toegelicht dat er geen telefoonnotities worden gemaakt. Alle relevante documenten zijn bij het Wob-verzoek betrokken, meer is er niet. Verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2010:BN5699. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer is.

4. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat verweerder de kern van het Wob-verzoek omzeilt. De jurisprudentie wordt door verweerder onjuist toegepast.

Ten onrechte zijn de persoonsgegevens onleesbaar gemaakt. Ook zijn de bijlagen alsmede een passage in een e-mail ten onrechte geweigerd op grond van artikel 11 van de Wob.

Verder voert eiser aan dat niet alle relevante documenten bij het Wob-verzoek zijn betrokken. Er moet haast wel sprake zijn geweest van enige communicatie tussen verweerder en Gate48, alsmede van telefoonnotities van tussen verweerder en OC&W gevoerde telefoongesprekken. Tenslotte betoogt eiser dat Gate48 als getuige dient te worden opgeroepen.

Relevante regelgeving

5. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

6. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de persoonsgegevens

7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat, op de twee bijlagen en de passage in document 5 na, de weggelaten delen inderdaad allemaal zien op persoonsgegevens en tot de persoon te herleiden (contact)gegevens, zoals telefoonnummers en e-mail adressen.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, maar dat dit anders ligt indien het betreft het openbaarmaken van namen van de ambtenaren. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaarmaken daarvan verzetten. Voorts is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking van de naam in de zin van de Wob.1

8. Anders dan eiser stelt, is aan het onleesbaar maken van de persoonsgegevens door verweerder wel degelijk een belangenafweging voorafgegaan, waarbij het belang van de betreffende schrijvers en geadresseerden van de e-mails op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder is bevonden dan het belang van eiser bij openbaarmaking van deze informatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval het belang van de betrokkenen bij de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser. Daarbij wordt mede relevant geacht dat het gaat om personen zonder publieke functie, zodat zij niet reeds uit dien hoofde openbaarmaking van hun persoonsgegevens hebben te dulden. Verweerder heeft openbaarmaking van de persoonsgegevens dan ook mogen weigeren, ook in het licht bezien van een recente volgens eiser te signaleren tendens dat de weigering om overheidsdocumenten openbaar te maken niet de uitoefening van het recht om informatie te kunnen ontvangen en te delen, zoals beschermd door artikel 10 EVRM, de vrijheid van meningsuiting, mag hinderen. Eisers verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens, EHRM (GK) 8 november 2016, [naam] v. Hongarije (nr. 18030/11) kan hem hier niet baten. Openbaarmaking van de persoonsgegevens is hier terecht geweigerd.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de twee bijlagen en de onleesbaar gemaakte passage in document 5

9. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, ook kennis genomen van de twee geweigerde bijlagen en van de onleesbaar gemaakte passage in document 5. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de passage inderdaad valt onder intern beraad en dat het een persoonlijke beleidsopvatting van de schrijver van de betreffende e-mail betreft. Deze mocht naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob.

De twee bijlagen bevatten inderdaad Kamervragen en de concept antwoorden hierop. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft verweerder met OC&W contact gehad over de wijze waarop de Kamervragen beantwoord moesten worden. Er is als het ware aan de antwoorden geschaafd. De rechtbank constateert na lezing van deze stukken dat de geweigerde bijlagen een product zijn van dit schavingsproces en dat het stukken betreft die zien op intern beraad. De concept antwoorden zijn daarmee aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank verwijst in dit verband naar gangbare jurisprudentie van de Afdeling waarin is geoordeeld dat conceptantwoorden op Kamervragen, voor zover deze afwijken van de definitieve antwoordden en derhalve niet reeds openbaar zijn, persoonlijke beleidsopvattingen bevatten die mogen worden geweigerd op grond van artikel grond van 11, eerste lid, van de Wob.2 Verweerder heeft de openbaarmaking van de passage in document 5 en de beide bijlagen dan ook mogen weigeren.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of er nog meer documenten zijn die op het Wob-verzoek betrekking hebben

10. Eiser heeft zijn vraagtekens gezet bij de volledigheid van de verstrekte informatie. Verweerder heeft ter zitting nogmaals toegelicht dat er geen andere stukken zijn. Er worden geen telefoonnotities meer gemaakt, waardoor deze ook niet openbaar gemaakt kunnen worden. Ook is er volgens verweerder geen contact geweest met Gate48. Ter zitting heeft verweerder in dit verband tevens toegelicht dat CREA slechts een aan verweerder gelieerde stichting is en er geen bemoeienis is van verweerder met de programmering van CREA.

11. De mededelingen van verweerder over het niet bestaan van verdere informatie komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het daarmee in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat dergelijke documenten toch bij verweerder berusten. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar onvoldoende in geslaagd. Dat er volgens eiser wel degelijk een organisatorisch verband bestaat tussen verweerder en CREA, wat hier ook van zij, is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek tot het als getuige oproepen van Gate48

12. Voorop wordt gesteld dat het ambtshalve oproepen van getuigen een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. Ook na bestudering van de niet openbaar gemaakte informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het oproepen van Gate48 als getuige. De rechtbank zal dan ook geen gebruik maken van voornoemde bevoegdheid.

Slotsom

13. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder op correcte wijze beslist op het Wob-verzoek van eiser.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. de Rijke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
19 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2007:BA9807.

2 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2010:BN5701.