Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6680

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
13/728075-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 35-jarige man die op 26 mei 2013 in het Scheepvaartmuseum een 26-jarige man doodschoot, krijgt de maximale gevangenisstraf van 15 jaar voor doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 5, p. 235

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728075-13 (Promis)

Datum uitspraak: 15 september 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens] 1982,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres HvB] ,

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.B. Smit en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S.R. Bordewijk naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 mei 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een vuurwapen naar voornoemde [slachtoffer] gelopen en/of

- (vervolgens met een vuurwapen een of meerdere schot(en) afgevuurd op voornoemde [slachtoffer] ,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich, op nader in zijn pleitaantekeningen omschreven gronden, op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.3

Overwegingen van de rechtbank

Achtergronden bij het schietincident

Op 26 mei 2013 werd in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam een groot dansfeest georganiseerd onder de naam “The Waterfront”. Er werden voor het feest, dat werd gehouden op de voormalige binnenplaats, thans ‘zaal’, van het museum, zo’n 800 kaarten verkocht. Tijdens het feest werd [slachtoffer] doodgeschoten.

Uit politieonderzoek is naar voren gekomen dat het mogelijk zou gaan om een geplande liquidatie in het criminele milieu. Onder de feestgangers bevonden zich personen die deel uitmaakten van twee rivaliserende criminele bendes, de ene verbonden aan wijlen [naam 1] en de andere verbonden aan [naam 2] . Deze bendes waren al enige tijd verwikkeld in een onderlinge strijd die diverse mensenlevens heeft gekost.

Van de groep van [naam 1] waren in ieder geval [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] aanwezig. Ook verdachte zou tot deze groep behoren. Verdachte was op 2 januari 2013 aangehouden als bestuurder van een auto. Deze auto was gehuurd bij het bedrijf waar [naam 3] toen het management voerde. Verdachte was op dat moment in het bezit van een doorgeladen vuurwapen en in de auto werd een kogelwerend vest aangetroffen (ZD05 05 0062). Verdachte en [naam 3] , die ook wel de neef van [naam 1] wordt genoemd, trokken vaak samen op, en uit opgevraagde bezoekersgegevens van de Penitentiaire Inrichting waar [naam 1] van 31 oktober 2012 tot 10 juni 2013 verbleef, blijkt ook dat zij hem daar gezamenlijk hebben bezocht (ZD05 05 0049).

[slachtoffer] maakte deel uit van de groep van [naam 2] . In meerdere processen-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (hierna TCI-verbalen), waarin ook de rivaliteit tussen de twee groepen wordt beschreven, wordt hiervan melding gemaakt. [slachtoffer] zou de financiële man zijn voor de groep van [naam 2] . Hij zou het contante geld beheren, drugstransporten regelen en aanwezig zijn bij de besprekingen over de handel in verdovende middelen. (ZD09 0001 t/m 0005)

Tekenend in dit verband is het uit het onderzoek 13 Valdia (het onderzoek naar de moord op [naam 6] ) afkomstige OVC-gesprek dat enkele minuten na de schietpartij plaatsvond tussen een onbekende man en wijlen [naam 7] , die de tot de groep [naam 2] wordt gerekend (ZD06 02 0018). [naam 7] is dan al op de hoogte van de schietpartij en meent dat de schutter moet worden gezocht in de hoek van [naam 3] en zijn vrienden, met wie men kennelijk niet op goede voet staat.

Uit het politieonderzoek is gebleken dat er op het feest in het Scheepvaartmuseum gedurende de avond ruzie was ontstaan tussen [naam 3] en [slachtoffer] . [naam 3] , soms bijgestaan door andere leden uit zijn gezelschap, en [slachtoffer] , zochten elkaar gedurende de avond herhaaldelijk op. Dit leidde tot verhitte discussies en scheldpartijen, waarbij [naam 3] en [slachtoffer] door beveiligers uit elkaar moesten worden gehouden. Bij de ruzie zou mogelijk een rol hebben gespeeld dat [naam 3] de telefoon van [slachtoffer] uit zijn hand had geslagen. De telefoon van [slachtoffer] is later teruggevonden en onderzocht. Uit het daarin opgeslagen berichtenverkeer blijkt dat [slachtoffer] die nacht over de confrontaties met [naam 3] contact heeft gehad met personen die zich niet op het feest bevonden. Die waarschuwen hem voorzichtig te zijn en bieden herhaaldelijk aan hem te komen helpen, zo nodig met geweld. [slachtoffer] zegt dat dat niet nodig is, maar vraagt zijn vrienden wel om scherp te staan voor de deur als hij weggaat en bij een verkeerde beweging meteen te “maaien”.

De beveiliging voor wat betreft de bezoekers was die avond in handen van het door de organisatie van het feest ingehuurde bureau Night & Day Security. Dat bureau was verantwoordelijk voor de fouillering van de bezoekers bij binnenkomst en het optreden bij eventuele opstootjes tussen feestgangers. De eveneens aanwezige beveiligers van het Scheepvaartmuseum hadden met name de bescherming van het Scheepvaartmuseum en haar de collectie tot taak. Voor deze verdeling van de taken was gekozen omdat de beveiligers van Night & Day het grootste deel van de bezoekers zouden kennen, weliswaar niet altijd van naam, maar vanuit het uitgaansleven. Beveiligers van Night & Day hebben dit later ook bevestigd. Dat de beveiligers van Night & Day veel van de gasten kenden blijkt ook uit beelden van beveiligingscamera’s, die zijn gemaakt bij de ingang van het Scheepvaartmuseum. De rechtbank heeft op beelden van die beveiligingscamera’s waargenomen dat bezoekers door de beveiligers van Night & Day ter begroeting werden omhelsd. De fouillering bestond vaak uit niet meer dan het vluchtig aftasten van het bovenlichaam of het kijken in een tas. In TCI-informatie (ZD 09 0016) is er zelfs sprake van dat er tegen betaling van € 500,- helemaal niet werd gefouilleerd.

Dat wekt bevreemding omdat één van de beveiligers die door Night & Day was ingehuurd tegenover de verbalisanten verklaart dat hij bij de politie heeft gewerkt, en zag dat er op het feest geen yuppen waren maar meer mensen die tot de doelgroepen van de politie behoren.

Zo is verklaarbaar dat er één of meer personen met een vuurwapen op het feest aanwezig waren. In de loop van de avond werd de getuige [getuige 1] , coördinator beveiliging bij het Scheepvaartmuseum, aangesproken door [slachtoffer] , die zei ‘door een groep negers’ te zijn bedreigd met een vuurwapen. Daarop is door beveiligers van Night & Day een negroïde man met dreadlocks gefouilleerd, maar op hem werd geen wapen aangetroffen. Even later, om ongeveer 01:49 uur, vond in een hoek van de omloop van de zaal de fatale schietpartij plaats, waarbij [slachtoffer] kwam te overlijden. [naam 3] en [slachtoffer] waren kort daarvoor na een van hun confrontaties weer uit elkaar gehaald. Beveiligers [beveiliger 1] en [beveiliger 2] van Night & Day stonden dicht bij [slachtoffer] en duwden hem tegen een muur om hem in bedwang te houden. Desondanks wist de schutter zich tussen hen door naar [slachtoffer] te begeven en te schieten. De beveiligers, die zich eerder die avond bezig hadden gehouden met de fouillering van bezoekers bij de ingang, verklaarden later zich hiervan niet veel meer te kunnen herinneren, of van het schieten niets gezien te hebben. Eén van deze beveiligers verklaart dat hij een kwetsbaar beroep heeft en dat hij aan zijn eigen veiligheid moet denken en daarom niet kan verklaren wat hij van anderen heeft gehoord; hij zegt dat hij in een lastig parket zit.

Kort na de schietpartij werd buiten, in de buurt van het Scheepvaartmuseum, [naam 5] door de politie aangehouden. [naam 5] kwam in een auto met hoge snelheid uit de richting van het Scheepvaartmuseum aangereden, parkeerde zijn auto in de Kleine Wittenburgerstraat en liep weg richting de Wittenburgergracht. Omdat [naam 5] voldeed aan het signalement van de schutter, werd hij aangehouden. Bij zijn aanhouding bleek [naam 5] onder zijn jas een kogelwerend vest te dragen en in de auto, die overigens van de broer van [naam 3] bleek te zijn, werd een vuurwapen aangetroffen. Uit nader onderzoek bleek echter dat [naam 5] zelf niet de schutter kan zijn geweest, omdat hij het Scheepvaartmuseum onmiddellijk na een gesprek met [naam 3] en vijf minuten vóór de schietpartij had verlaten, overigens zonder jas.

De rechtbank acht het goed mogelijk dat [naam 5] (snel) naar buiten is gegaan om een vlucht van de latere schutter voor te bereiden. In dit verband is het ook opvallend dat [naam 4] , die met [naam 3] , [naam 5] en verdachte op het feest was, na de schietpartij eveneens ter hoogte van de Kleine Wittenburgerstraat over de Wittenburgergracht loopt en dat enkele minuten later een onbekend gebleven persoon met versnelde pas uit de Kleine Wittenburgerstraat naar de Wittenburgergracht loopt (ZD05 02 0129 t/m 0136).

Uit het TCI-verbaal van 30 mei 2013 (ZD09 0001) blijkt dat bij de politie de volgende informatie is binnengekomen: “ [slachtoffer] , die onlangs is doodgeschoten in het Scheepvaartmuseum, is geliquideerd. De schietpartij was geen uit de hand gelopen ruzie. De ruzie was gespeeld. Bij het feest was een neef van [naam 1] aanwezig, welke de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie. (…) De gelegenheid was er nu en daarom vond de liquidatie nu plaats.”

Geen voorbedachte raad

De rechtbank acht sterke aanwijzingen aanwezig voor de hiervoor geschetste achtergrond van rivaliserende criminele groepen als betrokken bij de schietpartij, maar acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat er sprake is geweest van moord. De hiervoor besproken punten zijn weliswaar minst genomen opmerkelijk te noemen, maar vormen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende (ondersteuning voor) bewijs dat dat de schutter zelf met voorbedachten rade heeft gehandeld.

De rechtbank voert met betrekking daartoe het volgende aan.

Dat de ruzie tussen [naam 3] en [slachtoffer] in scene zou zijn gezet, zoals in voormeld TCI-verbaal wordt gesteld, en aldus feitelijk alleen het decor voor een reeds van te voren geplande liquidatie vormde, en dat het vuurwapen door de schutter werd meegenomen met het vooropgezette plan om daarmee [slachtoffer] dood te schieten, heeft de rechtbank op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kunnen vaststellen. Duidelijk is dat de betrokkenen voorbereid lijken te zijn geweest op en ook bereid waren tot het gebruik van geweld. Er was immers al een vuurwapen mee naar binnen genomen en mogelijk was zelfs de vlucht al georganiseerd. De rechtbank kan echter niet vaststellen welke wetenschap de schutter hiervan heeft gehad en welke rol hij in de voorbereiding heeft gespeeld. Dat de schutter zijn daad, gelet op de diverse getuigenverklaringen in het dossier, op een ogenschijnlijk koelbloedige wijze heeft verricht, betekent naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat hieraan een moment van kalm beraad en rustig overleg vooraf is gegaan. Het is niet uitgesloten dat de schutter, bijvoorbeeld als gevolg van de ruzie tussen [naam 3] en [slachtoffer] , in een plotselinge opwelling heeft gehandeld.

Doodslag

De rechtbank grondt haar beslissing op de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op de hierna in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Dat er in deze zaak sprake is van doodslag lijdt naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel.

Vast staat dat op 26 mei 2013 in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam [slachtoffer] het slachtoffer was van een dodelijke schietpartij. Door de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] werd waargenomen dat er door een man meerdere schoten op het slachtoffer werden afgevuurd.1,2,3 Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut bleek later dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van diverse schotverwondingen.4

Identiteit schutter

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte moet worden aangemerkt als de schutter die verantwoordelijk is voor deze doodslag. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij het feest heeft bezocht en daar ook aanwezig was op het moment van de schietpartij.5

Uit het politieonderzoek was op basis van telefoon- en gps-gegevens en beveiligingsbeelden al gebleken dat naar alle waarschijnlijkheid verdachte samen met [naam 3] naar het feest in het Scheepvaartmuseum is gegaan, waarbij verdachte de auto van [naam 3] heeft bestuurd. [naam 3] heeft nadien in zijn getuigenverhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die avond inderdaad samen met verdachte in de auto van [naam 3] naar het feest is gegaan. Nadat zij de auto hadden geparkeerd, hebben [naam 4] en [naam 5] zich bij hen gevoegd, en zijn zij met zijn vieren bij het Scheepvaartmuseum naar binnen gegaan.6 Verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Verdachte heeft ter terechtzitting ook bevestigd dat hij de autosleutel van de auto van [naam 3] en de parkeerkaart in zijn bezit heeft gehad. De gezamenlijke binnenkomst is te zien op de beelden van de beveiligingscamera’s bij de ingang van het Scheepvaartmuseum die op de terechtzitting zijn getoond. [naam 3] , [naam 4] en verdachte stonden bovendien - met een aantal anderen – ingeschreven voor dezelfde VIP-tafel.7 Overigens heeft de rechtbank bij het bekijken van de beelden waargenomen dat verdachte bij de fouillering door een beveiliger (naar later bleek [beveiliger 3] ) slechts vluchtig aan het bovenlichaam werd afgetast.8

Er zijn gedurende de avond diverse, met name verbale, confrontaties tussen [naam 3] en [slachtoffer] geweest. [naam 3] heeft hierover ook bij de rechter-commissaris verklaard.9 Getuige [getuige 5] , een vroegere vriendin van verdachte, heeft verklaard dat naast [naam 3] ook verdachte op enig moment bij de discussie tussen [naam 3] en [slachtoffer] aanwezig is geweest.10 Getuigen constateren dat de sfeer grimmiger werd. [naam 3] heeft destijds ook als verdachte bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Hij heeft toen verklaard dat hij kort voor het schieten heeft staan praten met degene met wie hij ook naar het feest was gegaan. Hij heeft toen zijn autosleutel en parkeerkaartje van deze persoon aangepakt, waarbij hij naar eigen zeggen misschien heeft gewezen naar [slachtoffer] .11

[getuige 2] , hoofd beveiliging van het Scheepvaartmuseum, heeft verklaard dat hij zag dat een dikke Surinaamse man, die hij later als [naam 3] heeft herkend, en een Marokkaanse man, later blijkt dit [slachtoffer] te zijn, door beveiligers van Night & Day uit elkaar werden gehouden in de zuidelijke omloop van de zaal. Vervolgens zag hij dat [naam 3] iets tegen één van zijn vrienden zei en knikte in de richting van [slachtoffer] en dat die vriend daarop over zijn schouder naar [slachtoffer] keek. Dat herhaalde zich na weer een poging van [naam 3] en [slachtoffer] om elkaar op te zoeken. Vervolgens zag [getuige 2] dat deze vriend van [naam 3] tussen de beveiligers door liep en hoorde hij meerdere schoten achter elkaar vallen. Hij zag daarop dat de vriend van [naam 3] [slachtoffer] , die op de grond lag, nog twee keer door het hoofd schoot. Vervolgens zag hij dat de schutter het vuurwapen in zijn broeksband stak en in de richting van [getuige 2] naar de uitgang aan de zuidzijde liep. De schutter passeerde hem daarbij op ongeveer een halve meter afstand.12, 13

Ook getuige [getuige 6] , eveneens werkzaam bij het Scheepvaartmuseum, heeft verklaard dat hij zag dat naast een gezette donkere man die ruzie maakte met een Marokkaanse man (het latere slachtoffer), een man stond met een donkere huidskleur en gekleed in donkere kleding. Hij zag dat de gezette man naar de Marokkaanse man wees, en heeft [getuige 2] hierop opmerkzaam gemaakt. Vrijwel onmiddellijk daarna vond de schietpartij plaats.14

Getuige [getuige 2] heeft later op de camerabeelden van de binnenkomst van de bezoekers aanvankelijk alleen [naam 3] herkend, door [getuige 2] omschreven als de opdrachtgever. Na een tweede keer bekijken van de beelden herkende [getuige 2] de man die achter [naam 3] naar binnen gaat als de dader.15 Deze man is door de politie geïdentificeerd als verdachte. De rechtbank heeft ook ter zitting uit eigen waarneming kunnen vaststellen dat verdachte dezelfde persoon is als degene die door [getuige 2] op de camerabeelden is aangewezen.

Zoals hiervoor al overwogen heeft getuige [getuige 2] verklaard dat de schutter na het schieten direct door de omloop naar de uitgang aan de zuidzijde liep. Deze verklaring wordt bevestigd door getuige [getuige 3] , barman, die heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de schutter op het latere slachtoffer heeft geschoten en dat de schutter zich vervolgens omdraaide en haastig wegliep in de richting van de uitgang van de hal.16 Getuige [getuige 7] , eveneens barman, heeft verklaard dat hij vlak bij de plek waar het slachtoffer werd neergeschoten aan het werk was, toen hij schoten hoorde. Na het schieten heeft hij twee mannen weg zien lopen in de richting van de uitgang. Een negroïde man met dreadlocks, later geïdentificeerd als [naam 8] , en voor [naam 8] een negroïde man met heel kort haar.17

De verklaringen van deze getuigen zijn vergeleken met de beelden van de diverse beveiligingscamera’s.18 Om 01.49.20 uur is te zien dat de aandacht van twee vrouwen die aan het begin van de omloop staan wordt getrokken door iets wat er aan het einde van de omloop gebeurt. Aan het einde van de omloop ligt op dat moment iets wits of iemand in het wit gekleed op de grond. Een donker gekleed persoon staat hier licht voorovergebogen bij en wijst met gestrekte arm. Om 01.49.23 uur en 01.49.25 uur is te zien dat de donker geklede persoon wegloopt in de richting van de onderdoorgang van de feestzaal naar de centrale hal. Om 01.49.26 uur is te zien dat er een man, in het donker gekleed, vanaf het binnenterrein de centrale hal binnenloopt, naar de uitgang loopt en om 01.49.29 uur het Scheepvaartmuseum verlaat. Te zien is dat vervolgens om 01.49.33 [naam 8] als eerstvolgende het museum verlaat, vermoedelijk gevolgd door [naam 4] .

De getuigenverklaringen, de beelden en het zeer korte tijdsverloop brengen de rechtbank in hun onderlinge samenhang beschouwd tot de overtuiging dat de man die om 01.49.26 uur het Scheepvaartmuseum verlaat de schutter is. Het gaat om een negroïde man met een kaal hoofd, dan wel zeer kort haar, zwarte bovenkleding en een gespierd postuur. De rechtbank stelt vast dat verdachte past in dit signalement.

Nadere bewijsoverwegingen

Verklaring van [naam 3]

De raadsman heeft aangevoerd dat het niet juist is vast te houden aan de door [naam 3] als verdachte bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, met name op het punt van het overhandigen van de parkeerkaart en de autosleutel aan [naam 3] , nu hij daar in latere verklaringen op is teruggekomen.

De rechtbank is echter van oordeel dat zowel deze als andere onderdelen van verklaringen van [naam 3] bruikbaar zijn voor het bewijs, indien en voor zover deze in voldoende mate ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen.

[naam 3] heeft als verdachte bij de rechter-commissaris (net als eerder bij de politie) verklaard dat hij kort voor het schieten heeft staan praten met degene met wie hij ook naar het feest was gegaan. Hij zou toen zijn autosleutel en parkeerkaartje van deze persoon hebben aangepakt. [naam 3] heeft daarbij stellig ontkend dat [naam 5] diegene was. [naam 3] verklaarde dat hij wel al eerder aan [naam 5] een garderobelabel had gegeven zodat [naam 5] de jas van [naam 3] kon halen.19 De ontkenning dat [naam 3] direct voorafgaand aan het schieten met [naam 5] heeft gesproken, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het latere onderzoek, waar op camerabeelden te zien is dat [naam 5] vijf minuten voor de schietpartij het Scheepvaartmuseum heeft verlaten.

Anderzijds acht de rechtbank de verklaringen van [naam 3] ongeloofwaardig, en niet bruikbaar voor het bewijs, voor zover deze in het dossier hun weerlegging vinden. [naam 3] is in zijn getuigenverhoor door de rechter-commissaris op 29 juni 2017 teruggekomen op zijn eerdere verklaring en hij heeft toen verklaard dat hij kort vóór de schietpartij juist wél met [naam 5] stond te praten en dat hij de autosleutel en de parkeerkaart wél van [naam 5] heeft gekregen. Reden hiervoor zou zijn geweest dat [naam 5] nog langer op het feest wilde blijven en hij, [naam 3] , eruit gezet werd.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze verklaring van [naam 3] weerlegd door eerdergenoemde camerabeelden, waaruit blijkt dat [naam 5] het museum al enkele minuten vóór de schietpartij had verlaten. Uit het feit dat [naam 5] daarbij zijn jas had achtergelaten, maar enkele minuten na de schietpartij alweer in een andere jas en met een kogelwerend vest aan werd aangehouden, leidt de rechtbank voorts af dat [naam 5] geenszins van plan was om op het feest te blijven, zodat de latere verklaring van [naam 3] om die reden ook voor het overige volstrekt ongeloofwaardig is.

Ook de verklaring van verdachte dat hij de parkeerkaart en de autosleutels van [naam 3] al voordat hij bij het feest naar binnen ging, aan [naam 5] heeft gegeven, acht de rechtbank gelet op het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig. Daar komt bij dat verdachte deze verklaring pas ter terechtzitting heeft afgelegd. Daarmee lijkt hij afgestemd op de verklaring van [naam 3] van 27 juni 2017.

Rapport inzake herkenning verdachte door [getuige 2]

Door de verdediging is betoogd dat de herkenning van verdachte door getuige [getuige 2] niet betrouwbaar is en daarom niet moet worden gebruikt voor het bewijs. De verdediging heeft daartoe meerdere argumenten aangevoerd en uitgewerkt in zijn pleitnotities. Ter onderbouwing heeft hij tevens gewezen op de conclusies in het deskundigenrapport van dr. M. Sauerland aangaande de herkenning van verdachte door [getuige 2] . De officier van justitie acht de conclusies van de deskundige om meerdere redenen te kort door de bocht en zij acht herkenning door [getuige 2] wel betrouwbaar, omdat deze herkenning aan andere bewijsmiddelen kan worden getoetst.

De rechtbank stelt voorop dat de wijze waarop de herkenning heeft plaatsgevonden geen schoonheidsprijs verdient. Het verdient bepaald niet de voorkeur om een getuige eerst een zogeheten foslo te laten zien met daarin een foto van verdachte en nadien bewegende beelden met daarop dezelfde verdachte. Met de raadsman en de deskundige is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke manier van confronteren de betrouwbaarheid van een herkenning in zijn algemeenheid niet ten goede komt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit evenwel nog niet met zich brengt dat een herkenning die op een dergelijke wijze tot stand is gekomen, op voorhand onbruikbaar is voor het bewijs. Daartoe zal deze herkenning eerst nader en in samenhang met het overige bewijs moeten worden beschouwd.

Door de raadsman en de deskundige is in dit verband gewezen op het feit dat het eerder door [getuige 2] opgegeven signalement afwijkt van dat van verdachte, dat [getuige 2] later terug zou zijn gekomen op de stelligheid van zijn eerdere herkenning, en dat [getuige 2] de schutter heel graag wilde herkennen en wist dat deze uiteindelijk op de beelden zou moeten staan. De deskundige heeft voorts gewezen op het risico van een verkeerde identificatie bij een “cross-race” identificatie en op de ontlastende waarde van het feit dat drie getuigen, waaronder [getuige 2] , verdachte eerder niet uit een foslo hadden gehaald.

De rechtbank constateert dat [getuige 2] aanvankelijk een signalement van de schutter heeft opgegeven dat gedeeltelijk afwijkt van dat van verdachte. Het gaat dan in het bijzonder om de haardracht en om de broek van de schutter. De rechtbank begrijpt de latere verklaringen van [getuige 2] aldus, dat juist in dat afwijkende signalement zijn latere twijfel was gelegen. [getuige 2] twijfelde niet aan zijn herkenning van de schutter, maar aan het door hem opgegeven signalement.20 Een eerder verkeerd opgegeven signalement maakt een latere herkenning nog niet onbetrouwbaar. Algemeen bekend is dat getuigen zich kunnen vergissen als zij signalementen opgeven. Zij moeten dan namelijk een persoon in onderdelen beschrijven, terwijl het meer voor de hand ligt dat herkenningen meer vanuit een holistisch perspectief plaatsvinden.

Volgens de deskundige maakt een “cross-race” identificatie het moeilijker om iemand te herkennen en komen verkeerde identificaties in die gevallen vaker voor. De deskundige noemt in haar rapport deze vaststelling slechts in zijn algemeenheid en gaat niet in op het mogelijke risico op een verkeerde identificatie in het geval van bewegende beelden. Bovendien kan dit fenomeen ook de andere kant op hebben gewerkt.

De deskundige schrijft dat de drie eerdere foslo’s, waarbij verdachte niet door de getuigen werd herkend, een ontlastende waarde hebben. De deskundige kwantificeert deze waarde niet. De rechtbank weet – ook uit eigen ervaring – dat het veel moeilijker is iemand te herkennen van een statische foto dan van bewegende beelden, waarbij ook verschillende gelaatsuitdrukkingen, houdingen en bewegingen kunnen worden waargenomen. Ook hier speelt het element van het eerder genoemd holistisch perspectief een rol. Illustratief is in dit verband het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van de getuige [beveiliger 3] , de beveiliger die verdachte bij binnenkomst heeft gefouilleerd en die door verdachte in een soort van omhelzing lijkt te worden genomen. Als aan [beveiliger 3] een foto van de verdachte wordt getoond, herkent hij hem niet. Pas in de combinatie met de bewegende beelden herkent hij verdachte wel als iemand die hij kent uit het uitgaansleven.21 Zelfs voor iemand die verklaart verdachte te kennen, is het kennelijk moeilijk om hem te herkennen van een foto, althans van de voor de foslo beschikbare foto.

De rechtbank begrijpt uit de verklaring van [getuige 2] dat hij gefrustreerd was dat hij in de foslo’s niemand had herkend en dat hij dacht dat hij de schutter wel op de beelden aan zou kunnen wijzen. De raadsman en de deskundige hebben dit vertaald als een gretigheid om te herkennen, [getuige 2] noemt het zelf een bevestiging van zijn professionele werkhouding. [getuige 2] heeft ook verklaard dat hij de schutter kort vóór het schieten heeft gezien, dat de schutter na het schieten op hem af is gelopen, hem op zeer korte afstand is gepasseerd en hem recht in de ogen heeft gekeken.22 Hoe dan ook is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [getuige 2] ervan uitging dat de dader op de beelden zou moeten staan, de herkenning van [getuige 2] nog niet onbetrouwbaar maakt. Op de camerabeelden staan immers vele personen die [getuige 2] zou hebben kunnen aanwijzen als de schutter. [getuige 2] heeft nu juist die persoon aangewezen die voldoet aan het signalement van de schutter zoals dat hiervoor bij het vertrek uit het Scheepvaartmuseum is vastgesteld, die volgens [naam 3] in zijn eerdere verklaringen kort voor de schietpartij met [naam 3] heeft gesproken, en die als enige van de betrokkenen niet op enigerlei wijze kan worden uitgesloten als de schutter.

De rechtbank concludeert dat er gebreken kleven aan de wijze waarop de confrontatie van [getuige 2] met de beelden heeft plaatsgevonden, maar dat deze gebreken niet dusdanig zijn dat de daarop volgende herkenning van verdachte door [getuige 2] niet betrouwbaar kan worden geacht. De gebreken kunnen van invloed zijn geweest. Maar dat hoeft niet. De rechtbank heeft de mogelijkheid van beïnvloeding onder ogen gezien. Maar nu de herkenning van [getuige 2] wel strookt met de overige bewijsmiddelen in het dossier, neemt de rechtbank aan dat die mogelijkheid zich niet heeft voorgedaan. En dat de herkenning van [getuige 2] betrouwbaar is.

Betrokkenheid verdachte

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte degene was die met [naam 3] naar Amsterdam is gereden, dat verdachte tijdens het feest in het Scheepvaartmuseum op enig moment aanwezig is tijdens de confrontatie tussen [naam 3] en [slachtoffer] , dat verdachte kort voor het schieten met [naam 3] heeft staan praten en naar [slachtoffer] heeft gekeken, dat verdachte vervolgens op [slachtoffer] is afgelopen, meerdere malen met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, en dat verdachte het Scheepvaartmuseum vervolgens heeft verlaten.

Verdachte heeft geen enkel aanknopingspunt gegeven voor een andere gang van zaken. Hij heeft enkel verklaard dat hij samen met [naam 3] bij het feest naar binnen is gegaan, dat hij daar enige tijd is gebleven, dat hij na de schietpartij is vertrokken en dat hij niets met de schietpartij te maken heeft. De rechtbank vindt dit, afgezet tegen alles wat hiervoor is besproken, onvoldoende.

Geen medeplegen

Gelet op de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 6] en gelet op de TCI-verbalen, is het goed mogelijk dat verdachte in opdracht van of met medeweten van [naam 3] heeft gehandeld. Het feit dat [naam 5] voor het schieten het Scheepvaartmuseum heeft verlaten en in de buurt rondreed in een auto met een kogelwerend vest aan en een vuurwapen binnen handbereik, bevestigt op zijn minst dat een geweldsuitbarsting die avond niet voor iedereen als een verrassing kwam. Wat de feitelijke wetenschap en rol van eenieder bij de schietpartij is geweest, kan echter niet worden achterhaald. Zo is bijvoorbeeld ook niet duidelijk geworden wat [naam 3] tegen verdachte heeft gezegd kort voordat verdachte op [slachtoffer] afliep en hem neerschoot.

Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met een of meer mededaders, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 26 mei 2013 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft en is verdachte met dat opzet,

- met een vuurwapen naar voornoemde [slachtoffer] gelopen en

- vervolgens met een vuurwapen meerdere schoten afgevuurd op voornoemde [slachtoffer] ,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht door met een vuurwapen meerdere kogels op hem af te vuren. De schietpartij vond plaats in het centrum van Amsterdam, tijdens een druk bezocht dansfeest in het Scheepvaartmuseum, waarbij honderden mensen aanwezig waren. Verdachte was eerder die avond betrokken geweest bij een voortdurende ruzie tussen een van zijn vrienden en het slachtoffer, waarbij gedurende de avond meerdere confrontaties plaatsvonden. Wat daar precies is voorgevallen heeft de rechtbank niet kunnen achterhalen, maar duidelijk is wel dat verdachte na de laatste confrontatie het slachtoffer van dichtbij door zijn hoofd, nek en bovenlichaam heeft geschoten. Gezien de grote drukte op het feest heeft verdachte het risico dat ook omstanders zouden kunnen worden geraakt daarbij op de koop toe genomen. Zo bevonden zich tijdens het schieten in ieder geval twee beveiligers in de directe nabijheid van het slachtoffer. Verdachte heeft de laatste paar schoten afgevuurd terwijl het slachtoffer al weerloos op de grond lag en is vervolgens zonder op of om te kijken weggelopen. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt het handelen van verdachte van een extreme koelbloedigheid en gewetenloosheid.

Verdachte heeft op meedogenloze wijze niet alleen het slachtoffer zijn meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen, maar ook de nabestaanden, met name de ouders en zussen van het slachtoffer onherstelbaar leed bezorgd. Zoals ter terechtzitting is gebleken, ondervinden zij tot op de dag van vandaag nog dagelijks de nadelige psychische gevolgen van het verlies van hun zoon en broer. Ook op andere betrokkenen heeft het voorval grote impact gehad. Op de dag voor de inhoudelijke behandeling heeft een schouw in het Scheepvaartmuseum plaatsgevonden waarbij een medewerker van het Scheepvaartmuseum als getuige is gehoord. De rechtbank heeft geconstateerd dat een herbeleving van de gebeurtenissen bij hem ook toen nog hevige emoties losmaakte.

Dit soort feiten schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, temeer nu het slachtoffer tijdens een groot en voor een breed publiek toegankelijk feest is neergeschoten. De maatschappelijke onrust die het feit heeft veroorzaakt is dan ook aanzienlijk. Hoewel het feit alweer meer dan vier jaar geleden heeft plaatsgevonden, is de rechtbank gebleken dat de zaak ook nu nog onverkort in de maatschappelijke belangstelling staat. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat uit een uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in het verleden, ook al is dat al wat langer geleden, vaker voor ernstige geweldsdelicten tot forse gevangenisstraffen is veroordeeld. Zo werd verdachte in 2004 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 9 maanden voor een poging tot moord en een poging tot doodslag. Nadien werd verdachte nog veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor een wederechtelijke vrijheidsberoving. Deze eerdere veroordelingen hebben klaarblijkelijk onvoldoende afschrikwekkende werking op verdachte gehad, en hebben hem er niet van weerhouden opnieuw een zeer ernstig en gewelddadig misdrijf te plegen.

Tegenover al deze belastende omstandigheden ziet de rechtbank geen enkele verzachtende omstandigheid die aanleiding zou kunnen geven tot matiging van de straf.

Ofschoon de rechtbank niet moord maar doodslag bewezen acht, lijkt er toch een samenhang te bestaan met de golf van geweld en liquidaties zoals die de afgelopen jaren tussen twee elkaar vijandige Amsterdamse groeperingen heeft plaatsgevonden en waarbij een mensenleven voor deze groeperingen niets of nauwelijks meer iets van waarde lijkt te zijn.

Tegen deze achtergrond en gezien de omstandigheden waaronder het feit heeft plaats gevonden, is de rechtbank van oordeel dat slechts kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van maximale duur. De rechtbank is van oordeel dat – kennelijk – slechts op deze manier aan de maatschappij en aan verdachte in het bijzonder duidelijk kan worden gemaakt dat een feit als dit op geen enkele wijze kan worden getolereerd. Dat deze straf aanzienlijk lager is dan door de officier van justitie gevorderd, komt doordat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet moord maar doodslag bewezen acht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

  • -

    (5094296) een sleutelbos

  • -

    (5094307) een zaktelefoon (Samsung)

  • -

    (5098147) een zaktelefoon (BlackBerry bold)

  • -

    (5098324) een zaktelefoon (Nokia rm-944)

  • -

    (5098620) een simkaart van zaktelefoon (nummer [nummer] )

  • -

    (5098625) een simkaart van zaktelefoon

  • -

    (5098630) een simkaart van zaktelefoon

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. J.B. Oreel en F. Dekkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2017.

De oudste rechter is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

De jongste rechter is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (ZD03 01 0001 e.v.)

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] (ZD03 03 0001 e.v.)

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] (ZD03 03 0090 e.v.)

4 Een geschrift, zijnde een rapport van een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, d.d. 28 mei 2013 (ZD08 02 0087 e.v.)

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 september 2017.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2017.

7 Proces-verbaal van bevindingen (ZD05 02 0024 e.v.)

8 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek beelden aankomst (ZD05 02 0172 e.v.) en eigen waarneming van de rechtbank.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2017.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] (ZD03 05 0087 e.v.)

11 Verhoor van verdachte inbewaringstelling (ZD04 02 0041 e.v.)

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (ZD03 01 0001 e.v.)

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (ZD03 01 0041 e.v.)

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] (ZD03 03 0094 e.v.)

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (ZD03 01 0019 e.v. i.c.m. ZD05 02 0075)

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] (ZD03 03 0090 e.v.)

17 Proces-verbaal van bevindingen (ZD05 01 0001 e.v.)

18 Proces-verbaal van bevindingen beelden (ZD05 02 0093) en Rapport NFI beeldonderzoek beveiligingsbeelden (ZD08 02 0074 e.v.)

19 Proces-verbaal verhoor verdachte ZD04 02 0032 en verhoor van verdachte inbewaringstelling ZD 04 02 0043

20 RC verhoor getuige [getuige 2] ZD 03 01 0127 e.v.

21 ZD 03 02 0127

22 ZD 03 01 0004