Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6679

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
C/13/583293 / HA ZA 15-275
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Eiseres is met de overgelegde stukken en hetgeen zij daaromtrent heeft gesteld niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Voor tussenvonnis zie: ECLI:NL:RBAMS:2016:9873

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/583293 / HA ZA 15-275

Vonnis van 30 augustus 2017

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

VOTG TANKTAINER GMBH,

gevestigd te Hamburg,

eiseres,

advocaat mr. F.J.H. Krumpelman te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOPPERS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Soede te Utrecht.

Partijen zullen hierna VOTG en Koppers genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 maart 2016,

- de akte uitlating enquête tevens houdende akte overlegging producties van 1 juni 2016 van de zijde van VOTG, met producties 21 t/m 25,

- de antwoordakte van 17 augustus 2016 van de zijde van Koppers, met producties 5 t/m 8,

- de antwoordakte van 28 september 2016 van de zijde van VOTG,

- de beslissing van de rolrechter van 3 oktober 2016 naar aanleiding van het bezwaar van Koppers tegen de akte van 28 september 2016, inhoudende dat slechts de punten 9 tot en met 14 van de akte worden toegestaan, het meerdere buiten beschouwing wordt gelaten en de bijgevoegde producties worden geweigerd en teruggestuurd,

- het verzoek van VOTG tot het houden van pleidooi van 9 november 2016,

- de reactie van Koppers op het verzoek tot het houden van pleidooi van 16 november 2016,

- de beslissing van 16 november 2016 van de rolrechter waarbij het verzoek om pleidooi is toegewezen,

- het proces-verbaal van het pleidooi van 23 juni 2017, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 23 maart 2016 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank VOTG toegelaten tot bewijs dat de vlekken in de tanks voor het herstel waarvan zij vergoeding vordert zijn veroorzaakt door een omstandigheid of omstandigheden die aan Koppers is/zijn toe te rekenen.

2.2.

VOTG heeft afgezien van bewijslevering door middel van getuigen en heeft ter voldoening aan haar bewijsopdracht schriftelijke stukken in het geding gebracht. VOTG heeft in de eerste plaats bij akte foto’s ingediend van de tanktainers voordat VOTG deze tanktainers ter beschikking heeft gesteld aan Koppers. Daarnaast heeft VOTG een uitleg ingediend van het European Cleaning Document (hierna: ECD) en een afschrift van de website van European Federation of Tank Cleaning Organisations (hierna: EFTCO) waarin ook het schoonmaakproces van de tanktainers uitgelegd wordt. VOTG heeft verder een verklaring van Calumet ingediend van 11 mei 2016 waarin Calumet kort gezegd verklaard dat zij bij de door Koppers gebruikte tanktainers extra werkzaamheden heeft moeten verrichten als gevolg van oververhitting van de tanktainers, ofwel extreme oververhitting in het lossingsproces dat Koppers zelf uitvoerde. Voorts blijkt volgens VOTG uit de verklaring van Calumet dat zij een test heeft uitgevoerd met naftaleen in tanktainers en dat er geen probleem was en geen extra werk nodig was wanneer zij de temperatuur liet oplopen tot 100 graden Celsius. VOTG heeft verder foto’s ingediend van de tanktainers na de lossing door Koppers en de eerste schoonmaak van de tanktainers door Calumet en facturen van VOTG aan Koppers met kostenopgaven van Calumet. VOTG heeft ter gelegenheid van het pleidooi opnieuw schriftelijke stukken ingediend en zij heeft deze stukken tijdens het pleidooi toegelicht. Bij deze stukken bevindt zich e-mailcorrespondentie tussen partijen van september 2013, april 2014 en mei 2014, alsmede een verklaring van Calumet van 9 september 2016 met een begeleidende e-mail van 14 september 2016 van Calumet aan VOTG. VOTG stelt dat uit de door haar in geding gebrachte stukken en hetgeen zij daaromtrent naar voren heeft gebracht volgt dat de door VOTG aan Koppers doorbelaste herstelwerkzaamheden zijn veroorzaakt door een omstandigheid of omstandigheden die enkel aan Koppers toe te rekenen zijn.

2.3.

Koppers heeft uitvoerig verweer gevoerd. Volgens Koppers kunnen de door VOTG overgelegde stukken niet tot bewijs van de stellingen van VOTG dienen.

2.4.

Voor zover VOTG wederom stelt dat Koppers gehouden is de facturen te betalen omdat zij de facturen geaccepteerd heeft, wordt als volgt overwogen. In het tussenvonnis is reeds overwogen dat Koppers niet gemotiveerd betwist heeft dat zij de offertes voor de betreffende werkzaamheden van VOTG heeft ontvangen en dat zij evenmin voldoende gemotiveerd betwist heeft dat VOTG deze kosten heeft moeten maken om de vlekken te doen verwijderen. Verder is overwogen dat daarmee nog niet vaststaat dat Koppers gehouden is deze kosten te betalen. Koppers heeft immers de betreffende offertes niet gemotiveerd verworpen maar zij heeft evenmin de verschuldigdheid daarvan aanvaard. Hetgeen VOTG na tussenvonnis heeft aangevoerd noopt de rechtbank niet van standpunt terug te komen. Aan de stellingen van VOTG in dit verband wordt dan ook voorbij gegaan.

2.5.

De rechtbank overweegt voorts als volgt. De door VOTG bij akte in het geding gebrachte foto’s van de tanktainers zeggen, wat daar verder ook van zij, enkel iets over de staat van de tanktainers voordat deze door Koppers in gebruik zijn genomen. Op grond van deze foto’s kan niet worden vastgesteld waar de vlekken door zijn veroorzaakt. Ook uit de door VOTG ingediende uitleg van het ECD en de uitdraai van de website van EFTCO kan niet worden afgeleid wat de oorzaak is van de vlekken. Voor het antwoord op de vraag naar de oorzaak van de vlekken is, zoals Koppers terecht stelt, niet relevant of Koppers al dan niet heeft gecontroleerd of bij de levering van de tanktainers ook de ECD’s zijn geleverd en of Koppers wel of geen visuele inspectie heeft uitgevoerd. Dit zegt immers niets over eventuele omstandigheden die nadien zijn ingetreden en wellicht hebben geleid tot de vlekken in de tanktainers. Voor zover VOTG bedoeld heeft te betogen dat ingeval van het opwarmen van het naftaleen tot temperaturen tot ruim boven de 200 graden Celsius met zekerheid kan worden gesteld dat het schade aan de tanktainers oplevert, heeft zij deze stelling niet nader toegelicht. Zij heeft bovendien nagelaten te stellen en te onderbouwen dat Koppers de temperatuur van het naftaleen tot temperaturen tot ruim boven de 200 graden Celsius heeft laten oplopen. Ook op grond van de verklaring van Calumet van 11 mei 2016 en de foto’s van de tanktainers na de lossing door Koppers en de eerste schoonmaak van de tanktainers door Calumet, kan de oorzaak van de vlekken niet worden vastgesteld. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat tussen partijen vast staat dat Calumet geen ervaring had met het schoonmaken van tanktainers met naftaleen en dat VOTG niet heeft weersproken dat Calumet de tanktainers pas gecontroleerd heeft nadat eerst het gangbare schoonmaakproces had plaatsgevonden. In het licht daarvan had het op de weg van VOTG gelegen om de verklaring van Calumet dat de vlekken zijn veroorzaakt door “product heating” of “extreme product heating” nader toe te lichten met onderliggende stukken, hetgeen zij nagelaten heeft. De door VOTG ingediende facturen van VOTG aan Koppers met kostenopgaven van Calumet zeggen evenmin iets over de oorzaak van de vlekken. Uit de stukken die door VOTG voorafgaand aan het pleidooi in het geding zijn gebracht en de toelichting die zij daarop gegeven heeft kan tot slot ook niet worden afgeleid wat de oorzaak is van de vlekken in de tanktainers. In de e-mailcorrespondentie wordt weliswaar gesproken over de vlekken maar de oorzaak hiervan volgt daaruit niet. De verklaring van Calumet van 9 september 2016 en de begeleidende e-mail van 14 september 2016 vormen, kort gezegd, een nadere toelichting op het schoonmaakproces dat door Calumet is uitgevoerd. Op grond hiervan kan evenwel niet worden vastgesteld welke omstandigheden hebben geleid tot de vlekken in de tanktainers.

2.6.

De conclusie van het voorgaande is dat niet is komen vast te staan hoe de vlekken in de tanktainers zijn ontstaan en bij welke temperatuur, laat staan dat kan worden vastgesteld dat de vlekken zijn veroorzaakt door een omstandigheid of omstandigheden die aan Koppers is/zijn toe te rekenen. VOTG is aldus met de overgelegde stukken en hetgeen zij daaromtrent heeft gesteld niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van VOTG niet voor toewijzing in aanmerking komen.

2.7.

VOTG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Koppers worden begroot op:

  • -

    griffierecht € 3.864,00

  • -

    salaris advocaat € 9.000,00 (4,5 punten × tarief € 2.000,-)

Totaal € 12.864,00

De nakosten zijn toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt VOTG in de proceskosten, aan de zijde van Koppers tot op heden begroot op € 12.864,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

3.3.

veroordeelt VOTG in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat VOTG niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving onderscheidenlijk betekening van het vonnis, tot aan de dag van voldoening;

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proces- en de nakostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. S.E. Harenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.