Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6595

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
13/751425-14 en 13/751344-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

overlevering / detentieomstandigheden Roemenië / na uitstelbeslissing geen informatie die leidt tot ander oordeel / OM niet-ontvankelijk wegens overschrijden redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummers: 13/751425-14 (EAB I) en 13/751344-16 (EAB II)

RK nummers: 16/2560 en 16/3008

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vorderingen ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vorderingen dateren van 14 april 2016 en 2 mei 2016 en betreffen onder meer het in behandeling nemen van Europees aanhoudingsbevelen (EAB’s).

Deze EAB’s zijn uitgevaardigd op 23 april 2014 en 21 april 2016 door respectievelijk the Cluj County Court (Roemenië) en the Local Court of Cluj-Napoca (Roemenië) en strekken tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1987,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland,

thans inzake 13/751425-14 (EAB I) gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [detentieplaats ] ,

ter fine van tenuitvoerlegging van onherroepelijke vrijheidsstraffen voor de duur van vijf jaren (EAB I) en drie jaren (EAB II), opgelegd wegens, kort gezegd, deelname aan een criminele organisatie, mensenhandel (EAB I) en uitlokking van dan wel medeplichtigheid aan diefstal en rijden zonder een geldig rijbewijs (EAB II).

1 Procesgang

De opgeëiste persoon is op grond van EAB I voorlopig aangehouden op 10 april 2016. Het EAB is ontvangen op 14 april 2016. De officier van justitie heeft op 14 april 2016 de voorlopige aanhouding omgezet in aanhouding en heeft op diezelfde datum de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB ingediend. De beslistermijn als bedoeld in artikel 22, eerste lid, OLW is op die datum ingegaan.

EAB II van 21 april 2016 is op 29 april 2016 ontvangen. Op 2 mei 2016 heeft de officier van justitie de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB ingediend. De beslistermijn als bedoeld in artikel 22, eerste lid, OLW is op die datum ingegaan.

Op 20 mei 2016 heeft de officier van justitie naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie inzake Aranyosi en Câldâraru (HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198) aan de Roemeense uitvaardigende autoriteit nadere informatie gevraagd over de detentie-omstandigheden in Roemenië en in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst zal worden. Op 2 juni 2016 heeft de uitvaardigende autoriteit geantwoord.

De vorderingen zijn behandeld op de openbare zitting van 9 juni 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, waarnemende voor zijn kantoorgenoot mr. S. Burmeister en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft het onderzoek tot 7 juli 2016 geschorst om de raadsman in de gelegenheid te stellen de aanvullende informatie met betrekking tot de detentieomstandigheden te bestuderen en zijn verdediging hierop voor te bereiden.

Bij brief van 2 juli 2016 hebben de Roemeense autoriteiten nadere informatie over de detentie-omstandigheden overgelegd.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de zitting van 7 juli 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn waarnemend raadsman W.R. Jonk en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 21 juli 2016 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd en de beslissing over de tenuitvoerlegging van de EAB’s uitgesteld in verband met haar eerder bij uitspraak van 28 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:2630) gegeven oordeel dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Hierna: Handvest).

De rechtbank heeft het onderzoek opnieuw hervat op de zitting van 29 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn waarnemend raadsman W.R. Jonk en door een tolk in de Roemeense taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat

In de eerdergenoemde tussenuitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de mogelijke detentie van de opgeëiste persoon in “the Gherla Penitentiary” het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest dat bij eerdere overleveringsprocedures naar Roemenië was ontstaan niet is weerlegd, zodat voor de opgeëiste persoon bij overlevering nog steeds een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestaat.

Thans beschikt de rechtbank over nieuwe informatie van de Roemeense autoriteiten, in de vorm van brieven van de Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen in Roemenië van 28 maart 2017 en 7 juli 2017.

De rechtbank heeft, onder meer bij uitspraak van 18 april 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:2579) eerder overwogen dat met de bij brief van 28 maart 2017 verstrekte informatie de ‘strong presumption’ van schending van artikel 4 Handvest niet weerlegd.

In de brief van 7 juli 2017 heeft de Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen in Roemenië – kort gezegd – meegedeeld dat een algemene garantie voor over te leveren personen van een minimale persoonlijke ruimte van 3 m² niet kan worden gegeven, maar dat een dergelijke garantie in individuele gevallen eventueel wel zou kunnen worden gegeven (“we express our availability to provide individual assurances as regards the provided imprisonment conditions”).

Nu van een individuele garantie als hiervoor bedoeld ten behoeve van de opgeëiste persoon niet is gebleken, is de ‘strong presumption’ van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon in “the Gherla Penitentiary” nog altijd niet weerlegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet uitsluit.

4 De redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

4.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn thans is overschreden. Tussen de uitstelbeslissing van 21 juli 2016 en de zitting van 29 augustus 2017 zijn ruim 13 maanden verstreken. Gelet op de beschikbare informatie is er geen zicht op verbetering van de detentieomstandigheden in Roemenië eerder dan in 2021. De duur van de openstaande straffen van de opgeëiste persoon dient geen rol te spelen bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn dient de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Sinds de laatste zitting in deze zaak, heeft het Openbaar Ministerie niet stilgezeten en vraagt regelmatig aandacht van de Roemeense autoriteiten voor de lopende zaken, waaronder die van de opgeëiste persoon. Mede gelet op de openstaande straffen van de opgeëiste persoon van tezamen acht jaar verzoekt de officier van justitie om het Openbaar Ministerie niet niet-ontvankelijk te verklaren en de overleveringsdetentie ook thans nog niet te beëindigen.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op 21 juli 2016 de beslissing over de overlevering uitgesteld. Ten tijde van de uitspraak in de onderhavige zaak, op 29 augustus 2017, zijn meer dan dertien maanden verstreken.

Onder verwijzing naar het uitgangspunt dienaangaande van de rechtbank, zoals uiteengezet in haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) onder 5.3.3 en 5.4.3, is de rechtbank van oordeel dat dit betekent dat de redelijke termijn in het onderhavige geval thans is overschreden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Dat betekent dat de (mogelijke) weigeringsgronden geen afzonderlijke bespreking meer behoeven.

5 Beslissingen

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

HEFT OP het bevel tot gevangenhouding.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C. Klomp en M. van Mourik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 29 augustus 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.