Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6433

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 754
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering intrekking of aanpassing nadere eisen. Gedragsregels beperking geluid. Overgangsrecht. Nadere eisen gelden als maatwerkvoorschriften. Geen actualiseringsplicht o.g.v. 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo. Bouw glaswand geen technische ontwikkeling waardoor milieu beter wordt beschermd. Ook anderszins geen aanpassing o.g.v. 8.42, vierde lid, Wm, want niet nodig voor bescherming van milieu. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/754

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [naam bedrijf] , te Utrecht, eiseres,

(gemachtigden: mr. R.G. Meester en mr. D.J. Perquin),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. R. Kramer).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, geweigerd om de voor de inrichting [de straat] geldende nadere eisen in te trekken dan wel aan te passen.

Bij besluit van 23 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [de persoon 1] , [de persoon 2] en haar gemachtigden. Namens eiseres is ook ing. R.H. de Jonge van DGMR Bouw B.V. (DGMR) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is ook [de persoon 3] , senior medewerker gebruikstoezicht bij verweerder, verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres exploiteert de horecagelegenheid [naam bedrijf] aan het [de straat] te Amsterdam. Voor deze inrichting gelden nadere eisen in de vorm van gedragsregels (middelvoorschriften), waaronder het gesloten houden van ramen en deuren wanneer binnen muziek ten gehore wordt gebracht, alsmede voorgeschreven technische voorzieningen.

2. Eiseres heeft in een brief van 31 mei 2016 aan de burgemeester gevraagd om de nadere eisen voor [naam bedrijf] uit 1993 aan te passen dan wel in te trekken. De aanleiding voor dit verzoek is dat eiseres een glaswand, een interne scheiding, heeft laten aanbrengen tussen de serre en de zaal van [naam bedrijf] .

3. Bij brief van 17 juni 2016 heeft eiseres een geluidsrapport overgelegd van 16 juni 2016 van DGMR. Volgens dit rapport is het maximale toelaatbare geluidsniveau binnen in de zaal als gevolg van de afsluiting van de serre met de glaswand 101 dB(A).

4. In het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder geweigerd om de nadere eisen in te trekken dan wel aan te passen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de nadere eisen uit 1993 nog steeds gelden. Volgens verweerder doen er zich geen ontwikkelingen op het gebied van technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu voor. Daarom is er geen plicht tot actualisering volgens verweerder. Conform de nadere eisen moet de muziekinstallatie afgeregeld en verzegeld worden conform het meest actuele rapport, in dit geval het rapport van 16 juni 2016.

Gelden de nadere eisen als maatwerkvoorschriften?

5.1.

Eiseres betoogt allereerst dat de nadere eisen niet meer gelden, omdat in artikel 6.43 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) het Besluit horecabedrijven milieubeheer niet is genoemd. De nadere eisen zijn in 1993 op grond van het Besluit horecabedrijven milieubeheer gesteld, aldus eiseres.

5.2.

In artikel 6.1, tweede lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat de nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43 in werking en onherroepelijk waren, worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

5.3.

In artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit is bepaald dat de volgende besluiten worden ingetrokken:

(…)

Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer

(…).

5.4.

In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer is, voor zover van belang, bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, waterbesparing, lucht en verlichting.

5.5.

In artikel 7, tweede lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer is bepaald dat de nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens het Besluit horecabedrijven milieubeheer gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid.

5.6.

Gelet op de hiervoor genoemde artikelen, met elkaar in samenhang gelezen, gelden de nadere eisen nu als maatwerkvoorschriften voor de inrichting van eiseres. Artikel 7 van het Besluit horeca-, sport-, en recreatie-inrichtingen milieubeheer bevat immers overgangsrecht waardoor de nadere eisen die voorafgaand aan dat besluit golden ook gelden als nadere eisen op grond van dat besluit. Het betoog van eiseres faalt daarom. Hierna zal de rechtbank de nadere eisen daarom ook aanduiden als maatwerkvoorschriften.

Had verweerder de maatwerkvoorschriften moeten actualiseren?

6.1.

Eiseres betoogt verder dat verweerder verplicht is om de maatwerkvoorschriften te actualiseren vanwege de hiervoor vermelde bouwkundige aanpassing (interne glaswand) en het vervallen van een meetpunt.

6.2.

De actualiseringsplicht waar eiseres op doelt is neergelegd in artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 2.30, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor maatwerkvoorschriften is deze plicht van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 8.42, tweede lid, gelezen in samenhang met 8.40, derde lid, van de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wijzigt het bevoegd gezag de voorschriften indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt (wijzigingsplicht). In artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo is geregeld dat het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu (onderzoeksplicht).

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat de actualiseringsplicht van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, zich hier niet voordoet. De veranderingen in de feitelijke situatie, de bouwkundige aanpassing (interne glaswand) en het vervallen van een meetpunt, zijn namelijk geen ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu waardoor de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt verder kunnen of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moeten worden beperkt. Uit hetgeen eiseres heeft betoogd blijkt ook niet dat zij de intentie heeft om de nadelige gevolgen voor het milieu, in dit geval het geluid vanwege de inrichting, verder te beperken. Desgevraagd heeft eiseres te kennen gegeven dat het haar doel is om het milieu op hetzelfde niveau te beschermen, maar met minder vergaande maatwerkvoorschriften voor [naam bedrijf] . Zij heeft niet (toe)gezegd het milieu ook verder te willen beschermen. Dit betekent dat er ook geen plicht is voor verweerder om de voorschriften te wijzigen op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo. Het betoog van eiseres faalt.

Had verweerder de maatwerkvoorschriften moeten wijzigen dan wel intrekken?

7.1.

Eiseres betoogt verder dat, indien de rechtbank oordeelt dat de actualiseringsplicht niet van toepassing is, verweerder de maatwerkvoorschriften had moeten wijzigen dan wel (gedeeltelijk) intrekken, omdat de voorschriften onnodig belastend voor haar zijn. Het gaat eiseres dan met name om voorschrift 1. Dit voorschrift bepaalt dat de ramen en deuren van de inrichting gesloten moeten zijn wanneer binnen de inrichting muziek ten gehore wordt gebracht, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen. Eiseres vreest voor handhavend optreden als zij een paar ramen (op een kier) heeft openstaan, terwijl zij bijvoorbeeld tijdens het avondeten slechts achtergrondmuziek draait.

7.2.

Op grond van artikel 8.42, vierde lid, van de Wm, kan verweerder de voorschriften aanvullen, wijzigen of intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij de maatwerkvoorschriften alleen kan wijzigen dan wel (gedeeltelijk) intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu. In dit geval is gesteld noch gebleken dat de gevraagde wijziging dan wel (gedeeltelijke) intrekking nodig is voor het beschermen van het milieu. De rechtbank verwijst naar hetgeen in overweging 4.3 is overwogen. Er is dus niet aan de voorwaarde van artikel 8.42, vierde lid, van de Wm voldaan. Voor zover eiseres ter onderbouwing van haar betoog rechtspraak heeft aangehaald, zoals de uitspraak die zij ter zitting aanhaalde,1 overweegt de rechtbank dat die uitspraken betrekking hebben op de situatie dat maatwerkvoorschriften (voor het eerst) worden gesteld (opgelegd) en niet gaan over de vraag of al in rechte vaststaande maatwerkvoorschriften moeten worden gewijzigd of (gedeeltelijk) ingetrokken, zoals in dit geval aan de orde is. Ook dit betoog faalt.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, en mr. B. de Vos en mr. C.A.E. Wijnker, leden, in aanwezigheid van mr. C. Pasteuning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.

griffier

rechter

de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1122).