Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:638

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
5013822 CV \ EXPL 16-12863
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stewardessenopleiding - geslaagd beroep op dwaling - schending mededelingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers: 5013822 \ CV EXPL 16-12863 en 5014977 \ CV EXPL 16-12971

vonnis van: 3 februari 2017

vonnis van de kantonrechter

in de zaak met zaaknummer: 5013822 \ CV EXPL 16-12863 van

[eiseres 1] ,

eiseres,

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden,

t e g e n

de besloten vennootschap

WTS B.V. h.o.d.n. World Travel Academy,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W. de Vries.

en

in de zaak met zaaknummer: 5014977 \ CV EXPL 16-12971 van

[eiseres 2] ,

eiseres,

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden,

t e g e n

de besloten vennootschap

WTS B.V. h.o.d.n. World Travel Academy,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde.

Eiseres in de eerste zaak zal hierna worden aangeduid als ‘ [eiseres 1] ’ en eiseres in de tweede zaak als ‘ [eiseres 2] ’. Gezamenlijk zullen zij worden aangeduid als ‘ [eiseressen gezamenlijk] ’ (vrouwelijk meervoud). Gedaagde zal hierna worden aangeduid als ‘WTS’.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 5 april 2016 met producties;

- de conclusies van antwoord met producties;

- de tussenvonnissen van 7 juli 2016, waarbij in beide zaken een (gelijktijdige) comparitie van partijen is bepaald;

- de processen-verbaal van comparitie van 7 november 2016 en de daarin genoemde stukken;

- de fax van 16 november 2016 van de zijde van [eiseressen gezamenlijk] in reactie op de

processen-verbaal.

1.2.

De kantonrechter heeft - overeenkomstig de wens van partijen - de beide zaken op de comparitie van 7 november 2016 gevoegd.

1.3.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WTS, die ook handelt onder de naam ‘World Travel Academy’, is een instelling die praktijkgerichte opleidingen verzorgt. Onder World Travel Academy valt onder meer het Flight Attendant College, alwaar de opleiding tot International Flight Attendant (hierna: de stewardessenopleiding) kan worden gevolgd.

2.2.

[eiseres 1] is de moeder van [eiseres 2] . In het eerste kwartaal van 2015 zijn [eiseressen gezamenlijk] naar een voorlichtingsavond van het Flight Attendant College gegaan. Voorafgaand daaraan hebben zij kennisgenomen van de inhoud van de website van het Flight Attendant College. Daarop stond destijds, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

De opleiding stewardess

Onder Flight Attendant College vallen twee opleidingen: De Opleiding Grondsteward(ess) en de opleiding Steward(ess). Beide opleidingen sluit je af met een op Europees niveau 4 erkend diploma.

Ons opleidingsprogramma is in samenwerking met verschillende luchtvaartmaatschappijen ontwikkeld en sluit dan ook perfect aan op hun selectiecriteria. De opleiding sluit je af met het op Europees erkend niveau ingeschaalde diploma International Flight Attendant.

(..) Flight Attendant College kan worden gevolgd door kandidaten die bereid zijn gedurende een korte periode zich volledig in te zetten. Daarnaast moet je aan alle toelatingseisen voldoen (zie toelatingsadvies). Leeftijd speelt geen rol, de leeftijd van onze kandidaten varieert van 18 tot 50 jaar.

Toelatingsadvies
Helaas is het niet voor iedereen mogelijk om steward of stewardess te worden. Je moet namelijk aan bepaalde eisen voldoen om bij een luchtvaartmaatschappij te mogen vliegen. Flight Attendant College heeft daarom het volgende toelatingsadvies voor de opleiding stewardess samengesteld:

  • -

    Minimaal Havo of Mbo 3 niveau / GCSE standaard/NLQF/EQF-3

  • -

    (..)

Indien je niet voldoet aan bovenstaande criteria of je twijfelt over een aantal zaken, dan kun je een selectiegesprek aanvragen. (..)

NLQF

De programmaraad van het NLQF, het Nederlandse Kwalificatiekader, heeft de organisatie World Travel Academy als aanbieder van kwalificaties gevalideerd. Dit betekent dat World Travel Academy met goed gevolg is beoordeeld op onderdelen zoals kwaliteitsborging en examinering.

Wat is het NLQF? Het Nederlandse kwalificatiekader NLQF is een systematische ordening van alle bestaande kwalificatieniveaus in Nederland. Kwalificaties worden ingeschaald in de niveaus van het NLQF en krijgen daarmee een niveau aanduiding. Het NLQF is een nieuwe beschrijving van de Nederlandse kwalificatieniveaus; het is geen herziening van het Nederlands onderwijsstelsel. Zo staat een HAVO- of MBO-4 diploma bijvoorbeeld op niveau 4 en een HBO-diploma op niveau 6.

Het kader is ontwikkeld in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Doordat World Travel Academy nu ook haar kwalificaties laat inschalen wordt het voor iedereen zichtbaar hoe deze kwalificaties zich verhouden tot diploma’s uit het reguliere onderwijs. Verder heeft een diploma met NLQF-waardering in heel Europa een erkend niveau. Dit is voor World Travel Academy ook belangrijk omdat een steeds groter deel van onze studenten na de opleiding kiest voor een carrière in het buitenland. (..).

ERKEND LEERBEDRIJF

Conform de Wet Educatie Beroepsonderwijs werd World Travel Academy erkend als leerbedrijf. Door deze erkenning is onze organisatie bevoegd om beroepspraktijkvorming voor het middelbaar onderwijs te verzorgen. (..)”

2.3.

Op de website van het Flight Attendant College is het (en was het ook destijds) mogelijk om door te klikken naar een webpagina ‘FAQ’. Op die pagina staan de zogenoemde ‘veel gestelde vragen’ en de bijbehorende antwoorden vermeld. Bij de aan te klikken vraag “Is de opleiding op mbo- of hbo-niveau?” stond destijds als antwoord:

“Bij het Flight Attendant College ga je op voor het op Europees niveau 4 erkende diploma International Flight Attendant of het op Europees niveau 4 erkende diploma Airport Service Agent. Het diploma staat gelijk aan een MBO-4 diploma. Voor meer informatie over de niveauindeling en vergelijking met het reguliere onderwijs kan je terecht op www.nlqf.nl.”

2.4.

Vervolgens zijn er tussen WTS en [eiseressen gezamenlijk] onderwijsovereenkomsten tot stand gekomen. [eiseres 1] heeft zich op 23 april 2015 bij WTS ingeschreven voor de dagopleiding voor stewardess. Op het moment dat zij zich inschreef, was zij 51 jaar oud. [eiseres 1] heeft op het inschrijfformulier vermeld dat haar hoogst behaalde diploma een MAVO 4-diploma is. [eiseres 2] heeft zich op 24 april 2015 bij WTS eveneens ingeschreven voor de dagopleiding voor stewardess. Zij heeft op het inschrijfformulier vermeld dat haar hoogst behaalde diploma een VMBO (theoretisch) diploma is en dat zij op 3 juli 2015 naar verwachting een MBO-3 opleiding zal afronden.

2.5.

Op 29 mei 2015 hebben [eiseressen gezamenlijk] beiden de aan de opleiding verbonden kosten ad € 4.878,- aan WTS voldaan.

2.6.

Eind februari 2016/begin maart 2016 heeft [eiseres 1] bij Adecco Recruitmentcenter (hierna: Adecco) gesolliciteerd naar de functie van Grondstewardess bij KLM. [eiseres 1] had de stewardessenopleiding op dat moment nog niet afgerond.

2.7.

Adecco heeft [eiseressen gezamenlijk] naar aanleiding van die sollicitatie per e-mail van 8 maart 2016, voor zover hier van belang, het volgende bericht.

“(..). Dank voor uw interesse en sollicitatie voor de functie van Grondsteward(ess) bij KLM. Naar aanleiding van uw sollicitatie (..), moet ik u helaas mededelen dat na zorgvuldige afweging is besloten niet verder te gaan met uw sollicitatie.

Uw opleiding sluit helaas onvoldoende aan bij het door ons gezochte profiel.

Om in aanmerking te komen voor deze functie, dient u in het bezit te zijn van minimaal een MBO-4, MEAO (3 of 4 jarig) of een HAVO diploma. (..)”.

2.8.

De gemachtigde van [eiseressen gezamenlijk] heeft in een brief aan WTS van 18 maart 2016 de tussen [eiseressen gezamenlijk] en WTS gesloten overeenkomsten wegens dwaling vernietigd en verzocht om terugbetaling van het door [eiseressen gezamenlijk] betaalde inschrijfgeld.

2.9.

[eiseressen gezamenlijk] hebben uit hoofde van daartoe op 23 maart 2016 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verleende verloven, met begroting van de vordering van zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] op WTS op € 6.340,- , op 7 april 2016 ten laste van WTS conservatoir (derden)beslag doen leggen op de bankrekeningen van WTS bij de ING Bank N.V. en de ABN AMRO Bank N.V.

2.10.

Bij brief van 20 oktober 2016 heeft [naam 1] van Skyjob uitzendbureau B.V., het volgende aan WTS bericht:

“(..) Zoals u weet, werft en plaatst onze organisatie Skyjob medewerkers voor o.a. luchtvaart afhandelaars Menzies en Aviapartner. (..) Wij zijn (..) uitermate verheugd dat World Travel Academy haar opleidingen (..) International Flight Attendant heeft laten inschalen op het niveau NLQF 4 niveau. Wij hechten hier veel waarde aan omdat het nu voor ons heel duidelijk wordt op welk niveau een medewerker/ster gestudeerd heeft. De wirwar aan opleidingen maakte het ons voorheen knap lastig. Wij hanteren nu dan ook als selectienorm het NLQF 4 niveau. (..)

3 Het geschil

3.1.

[eiseressen gezamenlijk] vorderen ieder afzonderlijk, na wijziging van eis, primair dat WTS bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld:

  • -

    tot (terug)betaling van een bedrag van € 4.878,-, zijnde de inschrijfkosten van de stewardessenopleiding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van inschrijving tot aan de dag van voldoening;

  • -

    tot betaling van een bedrag van € 612,80 aan buitengerechtelijke incassokosten.

Zij vorderen subsidiair:

  • -

    verklaringen voor recht dat [eiseressen gezamenlijk] de overeenkomsten met WTS per 18 maart 2016 rechtsgeldig buitengerechtelijk hebben vernietigd c.q. ontbonden, althans dat de rechtbank de overeenkomsten vernietigt c.q. ontbindt;

  • -

    verklaringen voor recht dat WTS te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de met [eiseressen gezamenlijk] gesloten overeenkomsten;

  • -

    verklaringen voor recht dat WTS aansprakelijk is voor de door [eiseressen gezamenlijk] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Zowel primair als subsidiair vorderen [eiseressen gezamenlijk] dat WTS wordt veroordeeld in de kosten van deze procedures, waaronder de beslag- en nakosten.

3.2.

[eiseressen gezamenlijk] leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. [eiseressen gezamenlijk] stellen primair dat zij de onderwijsovereenkomsten met WTS buitengerechtelijk hebben vernietigd, omdat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen op grond van dwaling ex artikel 6:228 lid 1 onder a en b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij het aangaan van de overeenkomsten verkeerden zij door onjuiste inlichtingen van en het weglaten van voor hen essentiële informatie door WTS, in de onjuiste veronderstelling dat WTS een deugdelijke opleiding verzorgde, afgestemd op de selectie en kwaliteitseisen van de luchtvaartmaatschappijen, dat het een MBO-4 opleiding betrof en dat [eiseressen gezamenlijk] , ondanks hun opleidingsniveau (en [eiseres 1] ondanks haar leeftijd), met deze opleiding een gerede kans maakten om als stewardess te worden aangenomen bij een luchtvaartmaatschappij. Deze veronderstelling bleek echter niet juist te zijn. Als [eiseressen gezamenlijk] dat destijds hadden geweten, hadden zij de overeenkomst niet gesloten.

Subsidiair is WTS tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten door niet op adequate wijze vorm en inhoud gegeven aan de geboden opleiding en [eiseressen gezamenlijk] tot de opleiding toe te laten, terwijl zij wist of behoorde te weten dat [eiseressen gezamenlijk] bij voorbaat niet aan de kwalificatie-eisen van verschillende luchtvaartmaatschappijen zouden voldoen. [eiseressen gezamenlijk] hebben hierdoor schade geleden, aldus [eiseressen gezamenlijk]

3.3.

WTS betwist - kort samengevat - dat [eiseressen gezamenlijk] een onjuiste voorstelling van zaken hebben gehad, dat zij [eiseressen gezamenlijk] onjuiste inlichtingen heeft verschaft en dat zij in gebreke is gebleven [eiseressen gezamenlijk] op adequate wijze te informeren. Indien en voor zover al sprake zou zijn van dwaling, dan dient die dwaling, in verband met de aard van de overeenkomsten, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval, voor rekening van [eiseressen gezamenlijk] te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW). WTS betwist voorts dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de onderwijsovereenkomsten. De opleiding voldoet en het was wel degelijk mogelijk, ook voor [eiseressen gezamenlijk] , om na afronding van de opleiding bij een luchtvaartmaatschappij als stewardessen aan de slag te gaan, aldus WTS.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 6:228 BW bepaalt, voor zover hier relevant, dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is, indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij of indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

4.2.

De stelplicht en bewijslast ten aanzien van feiten die een beroep op dwaling kunnen opleveren, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op degenen die zich op de rechtsgevolgen van die dwaling beroepen en daarmee op [eiseressen gezamenlijk]

4.3.

[eiseressen gezamenlijk] hebben aan hun beroep op dwaling onder meer ten grondslag gelegd dat zij hebben gedwaald doordat WTS hen ten onrechte niet heeft geïnformeerd over de onmogelijkheden waar zij, gezien hun vooropleiding, na het afronden van de stewardessenopleiding tegen aan zouden lopen (artikel 6:228 lid 1 onder b BW). Zij stellen dat WTS hen, gezien al hetgeen WTS heeft bericht over de status en het niveau van de opleiding, in de veronderstelling heeft gebracht dat zij door het volgen van deze opleiding bij alle luchtvaartmaatschappijen aan de toelatingseisen, in elk geval waar het het opleidingsniveau betreft, zouden voldoen. WTS heeft hierbij volgens [eiseressen gezamenlijk] evenwel ten onrechte nagelaten te vermelden dat de opleiding weliswaar in het Europese kwalificatiekader EQF en het Nederlandse kwalificatiekader NLQF is ingeschaald op het niveau van een MBO-4 opleiding, maar dat dit nog niet betekent dat de luchtvaartmaatschappijen, die alle de eis van een MBO-4 opleiding stellen, ook genoegen nemen met deze stewardessenopleiding. Volgens [eiseressen gezamenlijk] houden de luchtvaartmaatschappijen, ondanks de genoemde inschaling van de stewardessenopleiding, gewoon vast aan de eis dat sollicitanten minimaal een (reguliere) MBO-4 opleiding moeten hebben, zodat [eiseressen gezamenlijk] - ook als zij de stewardessenopleiding zouden hebben afgerond - bij de luchtvaartmaatschappijen bij de voordeur geweigerd zullen worden. Dit betekent dat zij de opleiding net zo goed niet hadden kunnen volgen, aldus [eiseressen gezamenlijk]

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat [eiseressen gezamenlijk] hun stelling dat alle luchtvaartmaatschappijen de eis stellen dat een sollicitant minimaal een MBO-4 diploma moet hebben, onvoldoende hebben onderbouwd. Uit de door [eiseressen gezamenlijk] overgelegde afwijzende reacties van Adecco op sollicitaties van verschillende personen voor de functie van stewardess bij KLM, waaronder die van [eiseres 1] , blijkt weliswaar dat KLM de eis stelt dat een sollicitant minimaal in het bezit moet zijn van een MBO-4, MEAO (3- of 4-jarig) of een HAVO diploma, maar dat betekent nog niet dat alle luchtvaartmaatschappijen een dergelijke eis stellen. WTS heeft naar voren gebracht dat verschillende luchtvaartmaatschappijen slechts een HAVO of MBO-3 diploma eisen, hetgeen overeenkomt met de inhoud van de door [eiseressen gezamenlijk] (als productie XI) overgelegde pagina waarop de verschillende functie-eisen van stewardessen staan vermeld. Daaruit blijkt dat KLM Cityhopper, Transavia en Arkefly bijvoorbeeld genoegen nemen met een HAVO of MBO-3 diploma. WTS heeft voorts naar voren gebracht dat Easyjet en Ryanair helemaal geen opleidingseisen stellen. [eiseressen gezamenlijk] hebben dit weliswaar, waar het Ryanair betreft, betwist, maar hebben onweersproken gelaten dat Easyjet geen eisen stelt. Gelet op het voorgaande kan niet als vaststaand worden aangenomen dat alle luchtvaartmaatschappijen minimaal een afgeronde MBO-4 opleiding als eis voor de functie van stewardess stellen.

4.5.

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat - naar niet in geschil is - de meerderheid van de luchtvaartmaatschappijen wél een MBO-4 opleiding als toelatingseis stelt en dat [eiseres 1] feitelijk ook niet aan het door de overige luchtvaartmaatschappijen vereiste niveau van een HAVO of MBO-3 opleiding voldoet. Duidelijk is dat maar een zeer gering aantal luchtvaartmaatschappijen helemaal geen opleidingseisen stelt. Gezien de stellingen van [eiseressen gezamenlijk] ligt ter beoordeling voor of WTS hen hierover had behoren te informeren. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit slechts het geval indien [eiseressen gezamenlijk] in hun stelling kan worden gevolgd dat de stewardessenopleiding, ondanks de inschaling ervan in het NLQF en het EQF op het niveau van een MBO-4 opleiding, door luchtvaartmaatschappijen niet met een MBO-4 opleiding gelijk wordt gesteld. Indien de luchtvaartmaatschappijen dit namelijk wel doen, betekent dit dat [eiseressen gezamenlijk] - na afronding van de opleiding - aan de toelatingseisen van alle luchtvaartmaatschappijen die een MBO-4 opleiding (of minder) tot eis stellen, voldoen, zodat WTS hierover geen mededelingen behoeft te doen.

4.6.

WTS heeft ter onderbouwing van haar betwisting dat luchtvaartmaatschappijen de stewardessenopleiding niet met een MBO-4 opleiding gelijk zouden (willen) stellen, naar voren gebracht dat het goed mogelijk is dat sommige luchtvaartmaatschappijen op dit moment nog onvoldoende bekend zijn met de inschaling van de opleiding en hierdoor het niveau en de waarde van de opleiding miskennen. Dit zou de door [eiseressen gezamenlijk] overgelegde afwijzende reacties van uitzendbureaus en luchtvaartmaatschappijen, onder verwijzing naar de gestelde toelatingseis, volgens WTS verklaren. WTS stelt evenwel dat daarin verandering lijkt te komen. Zij heeft ter onderbouwing van deze stelling verwezen naar de brief van de directeur van Skyjob uitzendbureau B.V. van 20 oktober 2016 (zie r.o. 2.10.).

4.7.

Vast staat dat de stewardessenopleiding geen MBO-(4)opleiding is. Uit het betoog van WTS kan worden afgeleid dat - ook in het geval WTS in haar stelling kan worden gevolgd dat luchtvaartmaatschappijen de stewardessenopleiding als een opleiding van MBO-4 niveau (dienen te) beschouwen - WTS, op het moment dat [eiseressen gezamenlijk] zich inschreven, in elk geval wist dat het NLQF en het EQF (en daarmee de status van de stewardessenopleiding) bij de verschillende luchtvaartmaatschappijen veelal nog onvoldoende bekendheid genoten en mogelijk nog genieten. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft dit zonder meer informatie die WTS met [eiseressen gezamenlijk] had behoren te delen. WTS had [eiseressen gezamenlijk] behoren mee te delen dat zij weliswaar een opleiding zouden gaan volgen die binnen het NLQF en EQF is ingeschaald op het niveau van een MBO-4 opleiding, maar dat de kans bestaat dat luchtvaartmaatschappijen dit (nog) niet of onvoldoende onderkennen. Uit de door [eiseressen gezamenlijk] overgelegde correspondentie met luchtvaartmaatschappijen en/of uitzendbureaus kan worden afgeleid dat de luchtvaartmaatschappijen, ook in het geval zij de stewardessenopleiding als een opleiding van MBO-4 niveau zouden moeten beschouwen, dit ten tijde hier van belang in elk geval nog niet deden. Als de genoemde informatie met [eiseressen gezamenlijk] zou zijn gedeeld, hadden zij geweten dat zij - als gevolg van dit niet of niet voldoende onderkennen - ook na afronding van de opleiding in de visie van de luchtvaartmaatschappijen mogelijk niet aan de toelatingseisen zouden voldoen en dat zij in dat geval dus alleen terecht zouden kunnen bij - in het geval van [eiseres 2] - een beperkt aantal maatschappijen dat genoegen neemt met een HAVO of MBO-3 diploma, en - in het geval van [eiseres 1] - een zeer gering aantal dat helemaal geen opleidingseisen stelt. Gesteld noch gebleken is dat WTS deze informatie aan [eiseressen gezamenlijk] heeft verschaft, terwijl WTS wist of had moeten weten dat deze informatie van essentieel belang was voor hen. Dat WTS stelt dat zij haar studenten altijd meedeelt dat zij bij een lagere vooropleiding minder kansen hebben op de arbeidsmarkt, betekent niet dat WTS ook op dit specifieke punt de vereiste informatie heeft verschaft. WTS heeft immers niet gesteld dat zij concreet aan de orde heeft gesteld dat verschillende luchtvaartmaatschappijen een MBO-4 opleiding (of in elk geval een HAVO of MBO-3 opleiding, welke opleidingen [eiseres 1] evenmin heeft) als minimaal opleidingsniveau stellen en dat, voor zover de stewardessenopleiding ook door de luchtvaartmaatschappijen daarmee gelijk zou moeten worden gesteld, onbekendheid hiermee meebrengt dat dit in gevallen mogelijk niet gebeurt.

4.8.

Reeds gelet op het voorgaande slaagt het beroep van [eiseressen gezamenlijk] op dwaling. De vraag of [eiseressen gezamenlijk] (ook) hebben gedwaald door onjuiste inlichtingen van WTS (hetgeen [eiseressen gezamenlijk] stellen, maar WTS gemotiveerd betwist) behoeft dan ook geen nadere bespreking.

4.9.

Het verweer van WTS dat de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval, voor rekening van [eiseressen gezamenlijk] dient te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW), wordt verworpen, omdat WTS dit verweer niet van enige (op de zaak toegespitste) onderbouwing heeft voorzien.

4.10.

Aangezien het beroep van [eiseressen gezamenlijk] op dwaling slaagt, betekent dit dat zij de onderwijsovereenkomsten beiden bij brief van 18 maart 2016 rechtsgeldig hebben vernietigd. Deze vernietigingen hebben terugwerkende kracht. Dit betekent dat zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] het in het kader van die overeenkomsten aan WTS betaalde bedrag van € 4.878,- onverschuldigd hebben betaald. De door [eiseressen gezamenlijk] gevorderde terugbetaling van die bedragen ligt dan ook voor toewijzing gereed. Omdat [eiseressen gezamenlijk] bij genoemde brieven van 18 maart 2016 aanspraak hebben gemaakt op terugbetaling binnen een termijn van vijf dagen, zal de wettelijke rente over genoemde bedragen worden toegewezen vanaf 24 maart 2016.

4.11.

[eiseressen gezamenlijk] maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat (na de brieven van 18 maart 2016) een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

4.12.

WTS zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten aan de zijde van [eiseressen gezamenlijk] worden veroordeeld. Nu in beide zaken dezelfde gemachtigde is opgetreden voor [eiseressen gezamenlijk] en hij in beide zaken (in grote lijnen) dezelfde stellingen heeft ingenomen en stukken heeft geproduceerd, zal slechts één proceskostenveroordeling volgen.

4.13.

[eiseressen gezamenlijk] vorderen WTS te veroordelen in de beslagkosten. De kosten van het conservatoir beslag zijn met stukken onderbouwd, niet betwist en toewijsbaar op grond van artikel 706 Rv. Zodoende zal aan [eiseressen gezamenlijk] worden toegewezen een bedrag van:

€ 576,00 (2x 288,00 aan griffierecht)

€ 250,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 250)

€ 1.266,66 aan explootkosten (2 x 3 x € 79,65 + 2 x 2 x € 197,19)

€ 2.092,66 in totaal.

4.14.

De proceskosten worden aan de zijde van [eiseressen gezamenlijk] , inclusief de beslagkosten, tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 192,44 (2x € 96,22)

- beslagkosten € 2.092,66

- salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten × tarief € 250)

Totaal € 2.785,10

4.15.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

in de zaak 5013822 CV \ EXPL 16-12863

5.1.

veroordeelt WTS om aan [eiseres 1] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.878,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 maart 2016 tot aan de dag van voldoening;

in de zaak 5014977 CV \ EXPL 16-12971

5.3.

veroordeelt WTS om aan [eiseres 2] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.878,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 maart 2016 tot aan de dag van voldoening;

in beide zaken

5.4.

veroordeelt WTS tot betaling van de proceskosten aan de zijde van

[eiseressen gezamenlijk] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.785,10;

5.5.

veroordeelt WTS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met € 68,- onder de voorwaarde dat WTS niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2017.

De griffier De kantonrechter