Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6289

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
13.751.032-17
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2017:3355. Toepassing van art. 12 OLW (verstekvonnissen) op een cumulative sentence in het licht van C-271/17 PPU (ECLI:EU:C:2017:629).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.032-17

RK nummer: 17/410

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 januari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2014 door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1980,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [straatnaam] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 maart 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft op de zitting van 7 maart 2017 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, onder meer teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.

De rechtbank heeft op de zitting van 7 maart 2017 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd.

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 4 april 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam, kantoorgenoot van mr. S. Pijl, en door een tolk in de Poolse taal.

Bij (tussen)uitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank de overlevering gedeeltelijk geweigerd en heeft zij voor het overige het onderzoek heropend en geschorst, onder meer teneinde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), een en ander met opschorting van de in artikel 22, derde lid, OLW bedoelde termijn met ingang van 11 april 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:2580).

Bij e-mailbericht van 3 mei 2017 zijn de concept prejudiciële vragen aan de raadsman en de officier van justitie gestuurd.

Op de openbare zitting van 11 mei 2017 is de behandeling voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon. De raadsman en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de concept prejudiciële vragen.

Bij tussenuitspraak van 18 mei 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst, teneinde de prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie (ECLI:NL:RBAMS:2017:3355).

Bij arrest van 10 augustus 2017 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord (C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629) (hierna: het arrest).

Op de openbare zitting van 16 augustus 2017 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie en de raadsman. De opgeëiste persoon heeft op 10 augustus 2017 schriftelijk afstand gedaan van het recht om te worden gehoord.

Bij beslissing van 16 augustus 2017 heeft de rechtbank de overleveringsdetentie opgeheven met ingang van 17 augustus 2017.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en heeft daarbij vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Onderdeel b) van het EAB vermeldt het bestaan van een cumulative sentence van 25 maart 2014 van het Regional Court of Wejherowo (II K 1677/13).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van:

- I. één jaar en zes maanden en

- II. drie jaren en zes maanden,

door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze vrijheidsstraffen resteren volgens het EAB nog:

- I. vier maanden en twaalf dagen en

- II. drie jaren en twee maanden.

In de beslissing van 25 maart 2014 heeft het Regional Court of Wejherowo ambtshalve:

- I. de vrijheidsstraf waartoe de opgeëiste persoon voor feit 1 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 21 april 2005 (VI K 240/05) van het Regional Court in Wejherowo en de vrijheidsstraf waartoe de opgeëiste persoon voor feit 2 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 16 januari 2006 (VIII K 873/05) van het Regional Court in Gdynia samengevoegd tot een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, en

- II. de samengestelde vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren waartoe de opgeëiste persoon voor de feiten 3-5 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 10 april 2012 (II K 13/06) van het Regional Court in Wejherowo gewijzigd in een samengestelde vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, omdat een voor de opgeëiste persoon gunstige wetswijziging daartoe noopte.

Deze beslissing betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

In de tussenuitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank de overlevering geweigerd voor feit 1, omdat dit feit zoals omschreven in het EAB naar Nederlands recht niet strafbaar is.

De rechtbank moet zich dus nog buigen over de vraag of de overlevering kan worden toegestaan voor de feiten 2-5.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Relevante feiten en omstandigheden

De cumulative sentence van 25 maart 2014

Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid.

Uitsluitend punt 1c van onderdeel d) is van toepassing verklaard. Punt 1c luidt als volgt:

being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial.

In punt 2 van onderdeel d) van het EAB wordt punt 1c als volgt toegelicht:

[opgeëiste persoon] was properly, in compliance with the provisions of the code of criminal procedure (Act of 06.06.1997 Code of criminal procedure, Journal of Laws Issue 89, it. 555, as amended), notified of the trial. The notice was sent to the address shown by the convicted person during the preparatory procedure proceedings. He was advised on consequences of not meeting the obligation to inform judicial bodies on the change of address of residence or stay.

During the court proceedings [opgeëiste persoon] used legal aid of a defence counsel, who was present both at the trial as well as the giving of the verdict.

Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens blijkt dat punt 1c en de toelichting onder punt 2 betrekking hebben op de procedure die heeft geleid tot de cumulative sentence van 25 maart 2014, niet op de onderliggende drie veroordelingen.

Uit de schriftelijke opmerkingen die Polen bij de behandeling van de prejudiciële vragen heeft ingediend, blijkt dat bij het wijzigen van een onherroepelijk opgelegde straf in verband met een voor de betrokkene gunstige wetswijziging (zoals is gebeurd ten aanzien van de feiten 3-5) en bij het samenvoegen van afzonderlijke, onherroepelijk opgelegde straffen (zoals is gebeurd ten aanzien van feit 2) de Poolse rechter een beoordelingsmarge in de zin van punt 88 van het arrest heeft (zie in die zin ook punt 90 van het arrest).

De onderliggende veroordelingen

Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens blijkt (kort samengevat) dat:

- de opgeëiste persoon voor feit 2 in één instantie is berecht. Volgens een brief van 9 mei 2011 zou de opgeëiste persoon niet in persoon zijn verschenen bij de behandeling ter terechtzitting, terwijl hij volgens de brieven van 18 januari 2017 en 11 augustus 2017 wel in persoon zou zijn verschenen en

- de opgeëiste persoon voor de feiten 3-5 in twee instanties is berecht, dat hij noch in eerste aanleg noch in hoger beroep in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting, dat hij in hoger beroep is verdedigd door een door hem gemachtigd raadsman en dat het hoger beroep kennelijk niet heeft geleid tot een wijziging van de in eerste aanleg opgelegde straf.

4.2

Standpunten van partijen

4.2.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering ook voor de feiten 2-5 moet worden geweigerd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De beslissing van 25 maart 2014 is de grondslag van het EAB. Deze beslissing voldoet aan de eisen die in punt 90 van het arrest worden gesteld om te gelden als ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’: bij deze beslissing is immers de hoogte van de straf onherroepelijk gewijzigd en bij het nemen van deze beslissing beschikte de bevoegde autoriteit over een zekere mate van beoordelingsruimte.

De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen op het proces dat tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid. Uit de aanvullende informatie kan niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon de ambtshalve toegevoegde advocaat heeft gemachtigd. Nu geen verzetgarantie is gegeven, moet de overlevering worden geweigerd.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde alsnog een verzetgarantie op te vragen bij de Poolse autoriteiten.

4.2.2

Standpunt van de officier van justitie

Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor de feiten 2-5 moet worden toegestaan. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Uit het arrest volgt dat er twee toets-momenten zijn: de laatste schuldigverklaring en de laatste vaststelling van de straf.

Wat betreft de laatste schuldigverklaring volgt uit de aanvullende gegevens dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot de veroordeling voor feit 2 heeft geleid en dat hij in hoger beroep voor de feiten 3-5 is verdedigd door een advocaat die hij heeft gemachtigd.

De officier van justitie is het op zichzelf met de raadsman eens dat de laatste vaststelling van de straffen – de beslissing van 25 maart 2014 – de toetsing aan artikel 12 OLW niet kan doorstaan.

Kaderbesluit 2002/584/JBZ bevat een facultatieve weigeringsgrond bij de toepassing waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit volgens het Hof van Justitie rekening kan houden met de omstandigheden van het geval. De Overleveringswet biedt die ruimte niet en schrijft maar één beslissing voor, namelijk weigering van de overlevering, en die beslissing is in dit geval niet redelijk. Bij de beslissing van 25 maart 2014 heeft de opgeëiste persoon strafvermindering gekregen, terwijl met betrekking tot de schuldigverklaringen zijn verdedigingsrechten meer dan voldoende zijn geëerbiedigd. De rechtbank zou in dit geval dan ook moeten afzien van weigering van de overlevering en gebruik moeten maken van de discretionaire ruimte die de uitvoerende justitiële autoriteit volgens het Hof van Justitie heeft, ook al bevat artikel 12 OLW een dwingende weigeringsgrond.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ook voor de feiten 2-5 moet worden geweigerd. Hij heeft het aan het oordeel van de rechtbank overgelaten of aanvullende vragen moeten worden gesteld met betrekking tot de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Relevantie beslissing 25 maart 2014 voor toetsing aan artikel 12 OLW

Met de raadsman en de officier van justitie is van oordeel dat de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid waarbij de duur van eerder opgelegde vrijheidsstraffen opnieuw is vastgesteld, relevant is voor de toetsing aan de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit 202/584/JBZ. Die procedure kent de bevoegde autoriteit immers een beoordelingsmarge toe zoals bedoeld in punt 88 van het arrest en leidt tot een beslissing waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over de straf (zie punt 90 van het arrest).

Strekking van het arrest

Uit het arrest volgt dat in een geval als het onderhavige zowel de onherroepelijke laatste beslissing over de schuldigverklaring – voor feit 2: het vonnis van 16 januari 2006 (VIII K 873/05) van het Regional Court in Gdynia en voor de feiten 3-5: ofwel het vonnis van 10 april 2012 (II K 13/06) van het Regional Court in Wejherowo ofwel het vonnis in hoger beroep van 11 december 2012 (V Ka 1143/12) van het District Court in Gdańsk voor zover in hoger beroep na een nieuwe behandeling ten gronde definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene – als de uiteindelijke vaststelling van de straffen – de beslissing van 25 maart 2014 (II K 1677/13) van het Regional Court of Wejherowo – aan de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ moet worden getoetst. Er moet immers op worden toegezien dat de rechten van de verdediging zowel met betrekking tot de schuldigverklaring als met betrekking tot de uiteindelijke vaststelling van de straf worden geëerbiedigd. Als deze beslissingen van elkaar zijn gescheiden – zoals in het onderhavige geval –, dan moeten beide op gelijke wijze worden gecontroleerd op de wijze zoals voorzien in de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ (punten 93-94 van het arrest).

Daaruit volgt dat in een geval als het onderhavige de beslissing over de schuldigverklaring en de beslissing over de uiteindelijke vaststelling van de straf cumulatief de toets aan de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit moeten kunnen doorstaan. Anders gezegd: voor weigering volstaat reeds dat hetzij de beslissing over de schuldigverklaring hetzij de uiteindelijke vaststelling van de straf die toets niet kan doorstaan.

Toetsing aan artikel 12 OLW

De rechtbank zal eerst de beslissing van 25 maart 2014 aan artikel 12 OLW toetsen.

Vaststaat dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot deze beslissing heeft geleid. Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit – herhaaldelijk –verstrekte aanvullende gegevens niet blijkt van één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a tot en met d, OLW.

Verzoek om aanvullende gegevens

Ook op basis van de aanvullende gegevens heeft de rechtbank dus niet de ‘vereiste zekerheid (…) verworven over de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens de relevante procedure’. Zij heeft dan ook de bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit het arrest volgt dat dat zij niet gehouden is de uitvaardigende autoriteit nogmaals – overeenkomstig artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – om aanvullende gegevens te verzoeken (punten 103-105 van het arrest).

In aanmerking genomen dat:

- de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het onderhavige EAB al viermaal aanvullende gegevens heeft verstrekt, waarvan tweemaal over de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid (namelijk bij brieven van 1 december 2016 en 27 maart 2017), en

- de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de vorige tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigde EAB’s al vele malen in de gelegenheid is gesteld om aanvullende gegevens te verstrekken (zie overweging 2.2.5 van de (tussen)uitspraak van 18 mei 2017),

ziet de rechtbank geen aanleiding haar daartoe nogmaals in de gelegenheid stellen.

Tot welke beslissing leidt de toetsing aan artikel 12 OLW?

Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat niet is gebleken dat zich ten aanzien van de beslissing van 25 maart 2014 één van de in de onderdelen a tot en met d van artikel 12 OLW bedoelde omstandigheden voordoet, zodat zij – ook na herhaalde verzoeken om aanvullende gegevens – niet de ‘vereiste zekerheid heeft verworven over de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens de relevante procedure’.

Artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, welke bepaling een facultatieve weigeringsgrond bevat, geeft in een dergelijk geval aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, zij het dat zij kan afzien van toepassing van die bevoegdheid, omdat zij immers rekening kan houden met omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten betekent (punten 106-108 van het arrest).

De Nederlandse wetgever heeft deze bepaling omgezet als een dwingende weigeringsgrond. Als de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de betrokken beslissing heeft geleid en als zich ten aanzien van de betrokken beslissing geen van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 12 OLW voordoet, dan moet de rechtbank de overlevering weigeren. Zoals de rechtbank al eerder heeft geoordeeld, geeft artikel 12 OLW de rechtbank in een dergelijk geval geen ruimte om rekening te houden met omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten betekent (zie bijv. Rb. Amsterdam 16 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3643).

Een en ander brengt mee dat de rechtbank niet meer toekomt aan toetsing van de onherroepelijke schuldigverklaringen die aan de beslissing van 25 maart 2014 ten grondslag liggen.

Conclusie

De conclusie luidt dat de rechtbank de overlevering ook voor de feiten 2-5 van het EAB zal weigeren.

De overige verweren en/of verzoeken van de raadsman behoeven dan ook geen bespreking meer.

5 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Gdańsku (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij beslissing van 25 maart 2014 voor de feiten 2-5 vastgestelde vrijheidsstraffen.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. C. Klomp en H.P. Kijlstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 augustus 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.