Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6287

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
16/4955 T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Samenloop van oude en nieuwe WW-aanspraken als gevolg van de wijziging van de WW op 1 juli 2015.

Omzetting (‘convertering’) van oude naar nieuwe WW-rechten (andere berekening).

Beroep op de hardheidsclausule van artikel 3 van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4955 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Lange),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [de persoon] ).

Procesverloop

In het besluit van 17 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend met ingang van 1 maart 2016.

Daarnaast heeft verweerder de hoogte van een eerdere WW-uitkering van eiseres herberekend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

In het besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij bepaald dat de eerdere WW-uitkering van eiseres per 1 maart 2016 moet worden beëindigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Het recht op een WW-uitkering ontstaan op 1 januari 2014; herleefd op 6 juli 2015

(hierna genoemd: WW-recht 1 )

1.1

Eiseres was werkzaam bij [bedrijf 1] voor 32 uur per week. Op 1 januari 2014 is haar 32-urige dienstverband geëindigd en omgezet in een 27-urig dienstverband. Dit levert een verlies op van vijf arbeidsuren per week. Op 15 januari 2014 heeft verweerder per 1 januari 2014 aan eiseres een WW-uitkering toegekend voor vijf uur per week.

1.2

Op 4 februari 2015 heeft eiseres – naast haar werk bij [bedrijf 1] – werk gevonden voor bepaalde tijd bij [het bedrijf] voor 7,2 uur per week. Verweerder heeft daarop op 5 februari 2015 de WW-uitkering beëindigd omdat eiseres door haar nieuwe werk niet langer een verlies aan arbeidsuren heeft.

1.3

Op 14 juni 2015 heeft eiseres opnieuw een WW-uitkering aangevraagd omdat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst bij [het bedrijf] ten einde liep. Verweerder heeft daarop op 9 juli 2015 de WW-uitkering van eiseres voortgezet per 6 juli 2015.

Wijziging van de WW per 1 juli 2015

2. Op 1 juli 2015 is de WW gewijzigd op grond van de Wet werk en zekerheid. Het gevolg daarvan is dat nieuwe1 WW-rechten zijn gebaseerd op een inkomstenkorting en betaling op maandbasis. Bij oude2 WW-rechten wordt daarentegen uitgegaan van urenkorting en betaling op weekbasis. Na 1 juli 2015 wordt in gevallen waarin een oud en een nieuw WW-recht samenlopen, het oude recht geconverteerd (omgezet) naar een nieuw recht.

Een ander gevolg van de wijziging van de WW is dat de uitkering wordt beëindigd als de betrokkene een nieuw inkomen ontvangt dat meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.

Het recht op een WW-uitkering ontstaan op 1 maart 2016 (hierna genoemd: WW-recht 2 )

3.1

Op 25 februari 2016 heeft eiseres een nieuwe aanvraag om een WW-uitkering ingediend omdat haar resterende dienstverband bij [bedrijf 1] (voor 27 uur per week) per 1 maart 2016 werd beëindigd.

3.2

In het primaire besluit heeft verweerder per 1 maart 2016 WW-recht 2 aan eiseres toegekend. Bij de berekening van de hoogte van de uitkering is verweerder uitgegaan van een dagloon van € 105,66. Dit staat gelijk aan een maandloon van € 2.298,11. Eiseres ontvangt vanaf 1 maart 2016 tot en met 29 april 2016 een WW-uitkering van 75% van € 2.298,11. Vanaf 1 mei 2016 ontvangt eiseres 70% van € 2.298,11 als WW-uitkering.

Herberekening van WW-recht 1

3.3

Daarnaast heeft verweerder in het primaire besluit WW-recht 1 herberekend als gevolg van de wijziging van de WW op 1 juli 2015. Voor de herberekening van WW-recht 1 is verweerder uitgegaan van een dagloon van € 116,17. Dit staat gelijk aan een maandloon van € 2.526,70. Verweerder heeft het maandloon van WW-recht 2 afgetrokken van het maandloon van WW-recht 1. Het verschil bedraagt (€ 2.526,70 – € 2.298,11=) € 228,59. Verweerder heeft geconcludeerd dat WW-recht 1 per 1 maart 2016 voor eiseres een uitkering oplevert ter hoogte van 70% van € 228,59.

Bezwaar en beslissing op bezwaar

3.4

Eiseres is het met de voornoemde berekening niet eens en heeft bezwaar gemaakt.

3.5

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het volgende standpunt gesteld. Het maandloon van WW-recht 2 is € 2.298,11. Dat is meer dan 87,5% van het maandloon van WW-recht 1 (€ 2.526,70). Om die reden had WW-recht 1 op grond van artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW per 1 maart 2016 (de datum waarop WW-recht 2 is ontstaan) moeten worden beëindigd. Dit is niet gebeurd en vanaf 1 maart 2016 is feitelijk alleen WW-recht 2 aan eiseres uitbetaald. Eiseres is pas op 17 juni 2016 erover geïnformeerd dat WW-recht 1 had moeten worden beëindigd. Over de periode van 1 maart tot 17 juni 2016 is daarom sprake van een opgewekt vertrouwen bij eiseres dat WW-recht 1 zou worden uitbetaald. Hoewel WW-recht 1 per 1 maart 2016 had moeten worden beëindigd, heeft eiseres op grond van het vertrouwensbeginsel over de periode van 1 maart tot 17 juni 2016 recht op uitbetaling van de uitkering (ter hoogte van 70% van € 228,59).

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden

4. Tussen partijen is in geschil of verweerder WW-recht 1 terecht heeft beëindigd, omdat eiseres met WW-recht 2 meer dan 87,5% van het inkomen verdient dat zij op grond van WW-recht 1 ontving.

Toepasselijke wet- en regelgeving

5. De tekst van de in deze zaak genoemde relevante wet- en regelgeving is in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

Beoordeling van de beroepsgronden

Artikel 1 van het Eerste Protocol

6.1

Eiseres voert aan dat artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW geheel, dan wel gedeeltelijk, buiten toepassing moet worden gelaten. Volgens eiseres is toepassing van dit artikel in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Eerste Protocol). Artikel 1 van het Eerste Protocol garandeert het recht op bescherming van ongestoord genot van eigendom, maar de toepassing van artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW ontneemt eiseres feitelijk haar reeds verworven eigendomsrecht (WW-recht 1).

6.2

Volgens de Centrale Raad van Beroep3 valt een recht op WW-uitkering onder de term eigendom (‘possessions’) in artikel 1 van het Eerste Protocol. Door WW-recht 1 in te trekken per 1 maart 2016 wordt eiseres eigendom ontnomen. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan. De rechtbank moet daarbij beoordelen of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien, of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang, en of een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De rechtbank dient daarbij voor ogen te houden dat de Staat een ruime beoordelingsmarge heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt in elk geval niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredig zware last moet dragen.

6.3

De inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres is voorzien bij wet, namelijk artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW. Deze eigendomsontneming heeft een legitieme doelstelling in het algemeen belang, gelet op het volgende. Dit artikel is in de WW opgenomen op grond van de Wet werk en zekerheid (Wwz). Met de Wwz heeft de wetgever verschillende socialezekerheidswetten, waaronder de WW, aangepast. De wetgever heeft daarbij als doelstelling gehad dat vanuit de WW een meer activerende werking uitgaat, in die zin dat vanuit de WW “weer aan het werk gaan” moet lonen, ook als een baan wordt gevonden die lager ligt dan de WW-uitkering. Het specifieke percentage aan inkomen van 87,5% waarbij een WW-uitkering wordt beëindigd, is nader toegelicht in de Memorie van Toelichting4 bij de Wwz:

‘De (oude) systematiek van urenverrekening leidt tot een lager totaal inkomen in de situatie dat een werknemer het werk hervat tegen een loon dat lager is dan de hoogte van de uitkering. Om een dergelijk financieel nadeel tegen te gaan en werkhervatting tegen een lager loon niet te ontmoedigen, wordt met (de Wwz) de systematiek van urenverrekening vervangen door een systematiek van inkomensverrekening.

(…)

De voorgestelde wijze van inkomensverrekening in de WW sluit verder zoveel mogelijk aan op de bestaande WW-systematiek. Dat betekent onder meer dat voor het bestaan van werkloosheid sprake dient te zijn van een relevant arbeidsurenverlies, zoals nu ook het geval is.

(…)

Het recht op WW-uitkering eindigt als een WW-gerechtigde geen relevant loonverlies meer heeft. Dat wordt als volgt vormgegevens: wanneer het inkomen van de WW-gerechtigde in een kalendermaand meer bedraagt dan 87,5% van het maandloon, dan eindigt het recht op WW-uitkering op de eerste dag van de desbetreffende kalendermaand. Het genoemde percentage komt overeen met de bestaande grens van arbeidsurenverlies van 5 uur bij een 40-urige werkweek. (…)’

6.4

Daarnaast is niet gebleken dat eiseres door de inbreuk op haar eigendomsrecht een onevenredig zware last moet dragen. Weliswaar gaat eiseres in inkomen erop achteruit nu zij in het kader van WW-recht 1 niet langer 70 % van € 228,59 aan uitkering ontvangt, maar € 0,-. Eiseres heeft echter onvoldoende concreet onderbouwd dat dit een last is die onevenredig zwaar is voor haar. Overigens overweegt de rechtbank dat eiseres bij de inbreuk op haar eigendomsrecht tegemoet is gekomen nu verweerder heeft bepaald dat WW-recht 1 feitelijk tot 17 juni 2016 moet worden uitbetaald. Dit omdat verweerder eiseres pas toen heeft geïnformeerd dat WW-recht 1 al per 1 maart 2016 had moeten worden beëindigd.

6.5

Gelet op de voorgaande overweging concludeert de rechtbank dat artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol. Er bestaat dan ook geen aanleiding om artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW buiten toepassing te laten. Om die reden slaagt deze beroepsgrond niet.

Reformatio in peius

7.1

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zogenaamde verbod op ‘reformatio in peius’. Zij is immers door het instellen van bezwaar in een slechtere positie geraakt dan wanneer zij geen bezwaar had ingesteld. In het primaire besluit werd WW-recht 1 slechts gekort, terwijl in het bestreden besluit WW-recht 1 geheel wordt ingetrokken.

7.2

Het verbod van ‘reformatio in peius’ houdt in dat een bezwaarschrift in beginsel er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken. Volgens de Centrale Raad van Beroep5 is een dergelijke verslechtering van de positie van de indiener alleen toelaatbaar, indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond evenmin, doordat in dit geval sprake is van een situatie zoals omschreven door de Centrale Raad van Beroep. Het recht op een WW-uitkering brengt mee dat de ontvanger van die uitkering elke maand inkomensopgaven moet verstrekken. Niet valt uit te sluiten dat na elke inkomensopgave een herbeoordeling mag plaatsvinden. De bevoegdheid van verweerder daartoe bestaat in beginsel elke maand. In dit geval heeft verweerder WW-recht 1 herbeoordeeld vanwege het inkomen van WW-recht 2. Verweerder was daartoe ook bevoegd zonder dat eiseres bezwaar had ingediend. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met het verbod van ‘reformatio in peius’.

De hardheidsclausule

8.1

Verder doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule voor geconverteerde WW-rechten die is opgenomen in artikel 3 van het Besluit Conversie WW. Op grond van de hardheidsclausule kan verweerder conversie van een oud WW-recht achterwege laten als de conversie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Volgens eiseres doet een dergelijke onbillijkheid zich in haar geval voor en heeft verweerder de hardheidsclausule dus ten onrechte in haar geval niet toegepast.

8.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende onderbouwd waaruit de onbillijkheid van overwegende aard in haar geval uit bestaat.

8.3

Verweerder heeft ter zitting nog de volgende toelichting gegeven op de hardheidsclausule van artikel 3 van het Besluit Conversie WW: WW-recht 1 is geconverteerd (omgezet) naar een nieuw WW-recht gebaseerd op een maandloonbedrag. Op 1 maart 2016 is WW-recht 2 ontstaan. Het maandloonbedrag van WW-recht 2 bedraagt meer dan 87,5% van het maandloon van WW-recht 1. Om die reden is WW-recht 1 per 1 maart 2016 beëindigd. Op grond van zijn interne beleid6 past verweerder de hardheidsclausule alleen toe wanneer meerdere oude WW-rechten worden omgezet. Omdat bij eiseres slechts één oud WW-recht is omgezet, namelijk WW-recht 1, is de hardheidsclausule niet toegepast. Verweerder heeft een kopie van het interne beleid ter zitting overgelegd.

8.4

Eiseres voert aan dat het interne beleid van verweerder onredelijk is, omdat sprake is van een opeenvolgend verlies aan arbeidsuren. Voorheen zouden de verschillende WW-rechten naast elkaar blijven bestaan, terwijl ze elkaar nu – na de wijziging van de WW – opheffen.

8.5

De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule in artikel 3 van het Besluit Conversie WW slechts in algemene bewoordingen is geformuleerd (kort gezegd: ‘van conversie kan worden afgezien/afgeweken als conversie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard’). Op grond van intern – niet gepubliceerd – beleid heeft verweerder de reikwijdte van de hardheidsclausule beperkt tot de gevallen waarin er een dubbele berekening moet worden gemaakt, dat wil zeggen bij een omzetting van meerdere oude WW-rechten. De rechtbank overweegt dat deze inperking niet zonder meer is af te leiden uit artikel 3 van het Besluit Conversie WW. In het intern beleid is dus wel uiteengezet wanneer de hardheidsclausule wordt toegepast (bij de omzetting van meerdere oude WW-rechten), maar de reden waarom, blijkt daaruit niet. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd, zoals wordt voorgeschreven door artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zoverre slaagt deze beroepsgrond.

Conclusie

9.1

Zoals hiervoor is overwogen onder 8.5 is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

9.2

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.

9.3

Om het gebrek te herstellen, moet verweerder nader motiveren waarom de hardheidsclausule van artikel 3 van het Besluit Conversie WW alleen wordt toegepast bij de omzetting van meerdere oude WW-rechten. Ook moet verweerder daarbij motiveren hoe het interne beleid ten aanzien van de hardheidsclausule zich verhoudt tot de situatie van eiseres, gelet op het volgende. WW-recht 1 is ontstaan en is later herleefd als gevolg van verschillende dienstbetrekkingen (verschillende oorzaken van arbeidsurenverlies: [bedrijf 1] en [het bedrijf] ). Is in dat geval nog steeds sprake van één oud WW-recht en zo ja op grond waarvan?

9.4

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

9.5

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

9.6

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.7

9.7

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage bij de tussenuitspraak in de zaak met nummer AMS 16/4955

inzake [de vrouw] .

Toepasselijke wet- en regelgeving

Eerste Protocol bij het EVRM

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM bepaalt het volgende:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Werkloosheidswet

Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW eindigt het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen geniet dat (…) meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.

Artikel 130z van de WW bepaalt dat hoofdstuk II van de WW en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 30 juni 2015, van toepassing blijven op een recht op uitkering waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 juli 2015.

Op grond van artikel 130aa van de WW wordt een recht op uitkering, gebaseerd op de WW (oud), omgezet in een recht op uitkering op grond van de WW, zoals die luidt na 1 juli 2015, dat wil zeggen dat de nieuwe systematiek van inkomensverrekening vanaf dat moment wordt toegepast op het oude WW-recht.

Besluit Conversie WW

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit Conversie WW bepaalt dat indien een recht op uitkering op grond van artikel 130aa, eerste lid, van de WW wordt omgezet, het dagloon van dat recht opnieuw wordt berekend. Het tweede en derde lid schrijven voor hoe het dagloon wordt berekend.

Artikel 3 van het Besluit conversie WW bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen artikel 2 buiten toepassing kan laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eerbiedigen van de hoogte van de uitkering na de omzetting, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten

Op grond van artikel 3:3 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten wordt, in geval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast een reguliere WW-uitkering nog een recht ontstaat op een reguliere WW-uitkering, het maandloon van de laatst ontstane uitkering aangemerkt als inkomen voor het eerst ontstane recht.

Verweerders beleid

Handboek UWV, hoofdstuk 327A.04: ‘Conversie oude rechten bij ontstaan samenloop met recht met EWD vanaf 1 juli 2015’

1.3

Alsnog eindiging geconverteerd recht

(…) In art. 20 lid 1 onder c WW is opgenomen dat een recht op uitkering eindigt indien het inkomen meer bedraagt dan 87,5% van het maandloon. Vanwege de kortingsvolgorde van een recht op een voorgaand recht, kan het zo zijn dat het maandloon van het nieuwe recht meer bedraagt dan 87,5% van het maandloon van het voorgaande (geconverteerde) recht. Dit betekent dat het geconverteerde recht alsnog eindigt met ingang van de conversiedatum.

2.3

Hardheidsclausule

(…) Tevens gaat de formule uit het Besluit Conversie ervan uit dat er slechts één oud recht moet worden omgezet, terwijl het zo kan zijn dat er meer dan één recht moet worden omgezet. (…) In die gevallen zal een dubbele berekening moeten worden gemaakt.

Hiervoor is een hardheidsclausule opgenomen in art. 3 van het Besluit Conversie: (…).

De hardheidsclausule passen we toe als er meerdere rechten geconverteerd moeten worden (…)

Het gaat hierbij om meerdere rechten die bestonden op het moment dat het nieuwe recht ontstaat of die op dat moment herleven, of een combinatie daarvan.

1 Dat wil zeggen: Aanspraken op een WW-uitkering waarbij de eerste werkloosheidsdag dateert van ná 1 juli 2015.

2 Dat wil zeggen: WW-rechten waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór 1 juli 2015.

3 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 september 2015, met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2015:3321.

4 Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 58 en 59.

5 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juli 2012, met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2012:BX1589.

6 Handboek UWV, hoofdstuk 327A.04: ‘Conversie oude rechten bij ontstaan samenloop met recht met EWD vanaf 1 juli 2015’.

7 Zie op dit punt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).