Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6272

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
13/730016-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar voor het in vereniging in bezit hebben van onder meer twee automatische geweren en een pistool

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730016-17 (Promis)

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , [plaats PI] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. Cnossen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J. de Pree, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 17 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere voertuig(en) (te weten een Renault Clio, oorspronkelijk kenteken [kenteken] en/of een Volkswagen Caddy, oorspronkelijke kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 2

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2017 tot en met 18 maart 2017 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(in de Volkswagen Caddy met oorspronkelijke kenteken [kenteken] )

- één of meer wapen(s) van categorie II, te weten één of meerdere volautomatische aanvalsgewe(e)r(en) (model Kalashnikov AK-47, kaliber 7.62 x 39 millimeter en/of model M70AB2, kaliber 7.62 x 39 millimeter) en/of een patroonmagazijn (model AK-47 Kalashnikov, kaliber 7.62mm x 39) en/of

- munitie van categorie II, te weten één of meerdere patro(o)n(en) (merk Prvi Partizan en/of Sellier & Bellot, kaliber 7.62 x 39 mm) en/of

- één of meer wapen(s) van categorie III, te weten één of meerdere pisto(o)l(en) (merk Walther, model P99 AS, kaliber 9 x 19 mm en/of merk Walther, model P38, kaliber 9 x 19 mm) en/of

- ( een patroonmagazijn met) munitie van categorie III, te weten één of meerdere patro(o)n(en) (kaliber 9 x 19 mm, merk Geco) en/of

(in de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] )

- munitie van categorie III, te weten een patroon (kaliber 12, merk Gamebore),

voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit, met uitzondering van het bezit van de munitie die in de woning van verdachte lag. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de auto’s wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het enkel in de Volkswagen Caddy zitten en de sleutel doorgeven aan een persoon wiens naam verdachte niet wil noemen, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de Volkswagen Caddy. Het voorhanden hebben van het patroon dat in zijn woning is aangetroffen kan wel worden bewezen, aldus de raadsman.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat dat bij de start van het onderzoek door verbalisanten op onrechtmatige wijze is gehandeld.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman heeft bepleit dat de staandehouding van de Renault Clio waarin verdachte en de twee medeverdachten zich op 17 maart 2017 bevonden, onrechtmatig is geweest. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de observatie door verbalisanten in burger die daaraan voorafging geen wettelijke grondslag kende. Immers was er geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dat verbalisanten verdachte en de medeverdachten toch zijn gaan observeren, daarbij foto’s hebben gemaakt en de Renault vervolgens gericht is gecontroleerd, is een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Dit dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat als gevolg van deze onrechtmatige staandehouding is verkregen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich op 17 maart 2017 ophouden in de buurt van de ingang van het Amstelpark. Verbalisanten in burger vinden het gedrag en de kleding van het tweetal verdacht en houden zicht op beide verdachten. Even later voegt medeverdachte [medeverdachte 2] zich bij verdachte en [medeverdachte 1] . De verbalisanten vermoeden dat het drietal zich met criminele activiteiten bezig houdt en vragen om assistentie van geüniformeerde collega’s. Van stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv is geen sprake. Korte tijd later houden de verbalisanten in uniform de auto staande waarin de verdachten zijn weggereden, met als doel de Renault te controleren. [medeverdachte 2] bestuurt de auto, verdachte is de bijrijder en [medeverdachte 1] zit achter hem. [medeverdachte 2] overhandigt zijn rijbewijs (dat overigens was verlopen) aan een verbalisant en vervolgens vraagt een van de verbalisanten naar het kentekenbewijs van de auto. Verdachte [medeverdachte 2] zegt dan dat hij de auto heeft geleend van iemand wiens naam hij niet wil noemen, omdat hij wel vaker problemen heeft gekregen als hij over iemand ging praten. Het kenteken van de auto wordt vergeleken met het chassisnummer, waarna blijkt dat de auto als gestolen staat geregistreerd. Hierop worden alle drie de verdachten aangehouden op verdenking van heling. Bij de insluitingsfouillering van verdachte wordt een sleutel van de Volkswagen Caddy aangetroffen. Deze Volkswagen Caddy stond geparkeerd naast de Renault Clio op parkeerplaats De Borcht .

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de staande houding door de verbalisanten in uniform rechtmatig was. Deze vindt haar grondslag in artikel 160 van de Wegenverkeerswet (WVW). De verbalisanten hebben de auto staande gehouden voor een verkeerscontrole en zij hebben naar het rij- en kentekenbewijs gevraagd. Toen bleek dat de auto als gestolen stond gesignaleerd, ontstond er jegens de verdachten een verdenking van heling en mochten zij worden aangehouden. Dat de waarnemingen van de verbalisanten in burger de aanleiding vormden voor de verkeerscontrole, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2454, dynamische verkeerscontrole), waarin – kort samengevat – is geoordeeld dat wanneer daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren, mag worden aangenomen dat dit is gedaan ter controle van de naleving van de WVW en dat dit rechtmatig is, ook als het daarmee mogelijk wordt om opsporingshandelingen te verrichten waarop artikel 160 WVW niet ziet. De controlebevoegdheid is dan namelijk niet uitsluitend voor een ander doel (te weten: opsporing) gebruikt dan waarvoor die controlebevoegdheid is verleend.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de staandehouding rechtmatig was. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is.

4.3.2.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Ten aanzien van de Renault Clio

De rechtbank is van oordeel dat de heling van de Renault Clio niet kan worden bewezen en overweegt hiertoe het volgende.

De Renault Clio wordt op 20 of 21 september 2016 in Rotterdam weggenomen. Op 17 maart 2017 wordt verdachte in Amsterdam staande gehouden terwijl hij, met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in deze auto rijdt. [medeverdachte 2] is de bestuurder en deze geeft aan dat hij de auto heeft geleend. Hij wil niet zeggen van wie en kan geen kentekenbewijs van de auto overhandigen. Aan de portiersloten en het contactslot wordt geen (braak)schade waargenomen. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm is niet te zien of te vermoeden dat de Renault Clio gestolen is. De Renault Clio bleek voorzien van valse kentekenplaten.

De rechtbank stelt vast dat niet blijkt wanneer en onder welke omstandigheden verdachte de Renault Clio voorhanden heeft gekregen. Voor de vraag of er sprake is van heling is nu juist het moment van het voorhanden krijgen bepalend. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden niet blijkt dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Renault Clio wist of had moeten vermoeden dat deze van diefstal (of ander misdrijf) afkomstig was.

Ten aanzien van de Volkswagen Caddy

Dat verdachte de Volkswagen Caddy heeft geheeld kan evenmin worden bewezen. De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van heling is vereist dat is bewezen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was. In dit geval is niet gebleken wanneer en onder welke omstandigheden verdachte de Volkswagen Caddy voorhanden heeft gekregen. De feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat het niet anders kan dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Volkswagen Caddy wist of moest vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was.

Gelet op het voorgaande zal verdachte van feit 1 worden vrijgesproken.

4.3.3.

Oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte kort gezegd het volgende verklaard:

Ik wist niet dat de Volkswagen Caddy was gestolen. Ik heb er nooit in gereden en ik heb ook nooit achterin gekeken. Op 17 maart 2017 was ik met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] haalde ons in de Renault Clio op om naar Amsterdam te gaan. De Caddy stond al op de parkeerplaats. In Amsterdam kreeg ik van iemand de sleutel van de Caddy met het verzoek deze aan iemand anders te geven. Ik wil niet zeggen wie dat zijn, in verband met mijn veiligheid. De reden was dat ik dezelfde taal sprak. Toen wij naar Amsterdam gingen had ik geen afspraak met iemand. We waren naar Amsterdam gegaan voor een meisje. Ik heb een kwartiertje in de Caddy gezeten, even gepraat en waarschijnlijk een sigaret gerookt. Ergens in de week voorafgaand aan de aanhouding kwam er een vriend bij mij thuis met een pistool. Hij kreeg het magazijn er niet uit. Mij lukte het ook niet. Toen heb ik even gegoogeld en uiteindelijk kregen wij het magazijn eruit. Waarschijnlijk is dat pistool in de Caddy aangetroffen. Ik weet niet hoe dat daar komt. In verband met mijn veiligheid wil ik niet zeggen wie die vriend is. Ik weet niets van een bivakmuts.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wist van de wapens in de Volkswagen Caddy op 17 maart 2017. In de Caddy is een pistool en bivakmuts aangetroffen met verdachtes DNA. Dit pistool bevond zich in een Ikea-tas met twee automatische geweren en munitie. Er worden ook diverse sporen van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen, onder meer op tassen, een geweer en een magazijn uit de Ikea-tas. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Dat verdachte in Amsterdam, zonder daartoe een afspraak te hebben gemaakt, toevalligerwijs een sleutel van de Caddy ontving, vindt de rechtbank niet logisch. Bovendien verklaart dit niet hoe het wapen van de vriend van verdachte in de Caddy is beland. Het kan niet anders dan dat verdachte wist van de aanwezigheid van de wapens in de Volkswagen Caddy. Gelet op de wijze van verpakken houdt de rechtbank verdachte, samen met [medeverdachte 1] , verantwoordelijk voor de inhoud van de Ikea-tas.

Van het voorhanden hebben van de Walther P38 wordt verdachte vrijgesproken, nu zijn sporen hierop niet zijn aangetroffen en dit wapen op een andere plek in de Volkswagen Caddy lag en niet direct zichtbaar was. Het valt niet uit te sluiten dat verdachte van dit wapen niet afwist.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de als bijlage I aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 17 maart 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

in de Volkswagen Caddy met oorspronkelijk kenteken [kenteken]

- wapens van categorie II, te weten volautomatische aanvalsgeweren (model Kalashnikov AK-47, kaliber 7.62 x 39 millimeter en model M70AB2, kaliber 7.62 x 39 millimeter) en een patroonmagazijn (model AK-47 Kalashnikov, kaliber 7.62mm x 39) en

- munitie van categorie II, te weten patronen (merk Prvi Partizan en Sellier & Bellot, kaliber 7.62 x 39 mm) en

- één wapen van categorie III, te weten één pistool (merk Walther, model P99 AS, kaliber 9 x 19 mm) en

- een patroonmagazijn met munitie van categorie III, te weten patronen (kaliber 9 x 19 mm, merk Geco) en

op 18 maart 2017 te Den Haag in de woning gelegen aan de [adres] te [plaats]

- munitie van categorie III, te weten een patroon (kaliber 12, merk Gamebore),

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de hoofdstraf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met een medeverdachte twee automatische geweren, een pistool en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Hoewel de wapens niet door verdachten werden gedragen, waren deze wel binnen handbereik. De wapens bevonden zich immers in de kofferbak/laadruimte van een auto, terwijl verdachte daarvan de sleutel in bezit had. In Amsterdam zijn automatische wapens met enige regelmaat gebruikt bij liquidaties. Het behoeft dan ook geen betoog dat het voorhanden hebben van deze wapens en munitie een ernstig strafbaar feit betreft. Dergelijke wapens dienen geen ander doel dan anderen in onze samenleving te bedreigen, te verwonden of te doden. Het is niet voor niets dat hiervoor doorgaans lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat in dit geval niet te doen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Deze geven geen aanleiding om af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten die rechtbanken hanteren.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van twee jaren zal opleggen, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Gelet op de overige inhoud van dit vonnis ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van de raadsman om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, toe te wijzen.

9 Ten aanzien van het beslag

Onder verdachte zijn de in bijlage II genoemde voorwerpen in beslag genomen.

Verbeurdverklaring

Nu met behulp van de voorwerpen genummerd 5, 6, 9, 11 en 12 het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Onttrekking aan het verkeer

De voorwerpen genummerd 1 – 4, 10, 13 – 15, 17 – 22, 25 en 29 worden onttrokken aan het verkeer omdat zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Teruggave

De overige in beslag genomen voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd’

en

‘handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van TWEE (2) JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd: de voorwerpen genummerd 5, 6, 9, 11 en 12.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen genummerd 1 - 4, 10, 13 - 15, 17 - 22, 25 en 29.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: de voorwerpen genummerd 8, 23, 24, 26 - 28.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2017.

De jongste rechter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.