Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6255

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
13/730017-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 50-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar voor het in vereniging in bezit hebben van onder meer twee automatische geweren en een pistool.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730017-17 (Promis)

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [Naam PI] , locatie [locatie PI] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. Cnossen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.C. van Vuuren, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 17 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere voertuig(en) (te weten een Renault Clio, oorspronkelijk kenteken [kenteken] en/of een Volkswagen Caddy, oorspronkelijke kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 2

hij op of omstreeks 17 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(in de Volkswagen Caddy met oorspronkelijke kenteken [kenteken] )

- één of meer wapen(s) van categorie II, te weten één of meerdere volautomatische aanvalsgewe(e)r(en) (model Kalashnikov AK-47, kaliber 7.62 x 39 millimeter en/of model M70AB2, kaliber 7.62 x 39 millimeter) en/of een patroonmagazijn (model AK-47 Kalashnikov, kaliber 7.62mm x 39) en/of

- munitie van categorie II, te weten één of meerdere patro(o)n(en) (merk Prvi Partizan en/of Sellier & Bellot, kaliber 7.62 x 39 mm) en/of

- één of meer wapen(s) van categorie III, te weten één of meerdere pisto(o)l(en) (merk Walther, model P99 AS, kaliber 9 x 19 mm en/of merk Walther, model P38, kaliber 9 x 19 mm) en/of

- ( een patroonmagazijn met) munitie van categorie III, te weten één of meerdere patro(o)n(en) (kaliber 9 x 19 mm, merk Geco),

voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de auto’s wist of moest vermoeden dat deze van diefstal afkomstig waren. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat de Volkswagen Caddy zich in Amsterdam bevond, evenmin dat hij wist dat de aanwezige medeverdachte daar een sleutel van had en ook niet dat hij wist dat er wapens en munitie in de auto lagen.

Daarnaast heeft de raadsman zich aangesloten bij het verweer van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] , welk verweer kort gezegd inhoudt dat bij de start van het onderzoek door verbalisanten op onrechtmatige wijze is gehandeld. Dit is een vormverzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat vervolgens is verkregen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft bepleit dat de staandehouding van de Renault Clio waarin verdachte en de twee medeverdachten zich op 17 maart 2017 bevonden, onrechtmatig is geweest. Hiertoe is aangevoerd dat de observatie door verbalisanten in burger die daaraan voorafging geen wettelijke grondslag kende. Immers was er geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dat verbalisanten verdachte en de medeverdachten toch zijn gaan observeren, daarbij foto’s hebben gemaakt en de Renault vervolgens gericht is gecontroleerd, is een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Dit dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat als gevolg van deze onrechtmatige staandehouding is verkregen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich op 17 maart 2017 ophouden in de buurt van de ingang van het Amstelpark. Verbalisanten in burger vinden het gedrag en de kleding van het tweetal verdacht en houden zicht op beide verdachten. Even later voegt medeverdachte [medeverdachte 2] zich bij verdachte en [medeverdachte 1] . De verbalisanten vermoeden dat het drietal zich met criminele activiteiten bezig houdt en vragen om assistentie van geüniformeerde collega’s. Korte tijd later houden de verbalisanten in uniform de auto staande waarin de verdachten zijn weggereden, met als doel de Renault te controleren. [medeverdachte 2] bestuurt de auto, [medeverdachte 1] is de bijrijder en verdachte zit achter hem. [medeverdachte 2] overhandigt zijn rijbewijs (dat overigens was verlopen) aan een verbalisant en vervolgens vraagt een van de verbalisanten naar het kentekenbewijs van de auto. Verdachte [medeverdachte 2] zegt dan dat hij de auto heeft geleend van iemand wiens naam hij niet wil noemen, omdat hij wel vaker problemen heeft gekregen als hij over iemand ging praten. Het kenteken van de auto wordt vergeleken met het chassisnummer, waarna blijkt dat de auto als gestolen staat geregistreerd. Hierop worden alle drie de verdachten aangehouden op verdenking van heling. Bij de insluitingsfouillering van [medeverdachte 1] wordt een sleutel van de Volkswagen Caddy aangetroffen. Deze Volkswagen Caddy stond geparkeerd naast de Renault Clio op parkeerplaats De Borcht .

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding door de verbalisanten in uniform rechtmatig was. Deze vindt haar grondslag in artikel 160 van de Wegenverkeerswet (WVW). De verbalisanten hebben de auto staande gehouden voor een verkeerscontrole en zij hebben naar het rij- en kentekenbewijs gevraagd. Toen bleek dat de auto als gestolen stond gesignaleerd, ontstond er jegens de verdachten een verdenking van heling en mochten zij worden aangehouden. Dat de waarnemingen van de verbalisanten in burger de aanleiding vormden voor de verkeerscontrole, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2454, dynamische verkeerscontrole), waarin – kort samengevat – is geoordeeld dat wanneer daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren, mag worden aangenomen dat dit is gedaan ter controle van de naleving van de WVW en dat dit rechtmatig is, ook als het daarmee mogelijk wordt om opsporingshandelingen te verrichten waarop artikel 160 WVW niet ziet. De controlebevoegdheid is dan namelijk niet uitsluitend voor een ander doel (te weten: opsporing) gebruikt dan waarvoor die controlebevoegdheid is verleend.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de staandehouding rechtmatig was. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is.

4.3.2.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Ten aanzien van de Renault Clio

De rechtbank is van oordeel dat de heling van de Renault Clio niet kan worden bewezen en overweegt hiertoe het volgende.

De Renault Clio wordt op 20 of 21 september 2016 in Rotterdam weggenomen. Op 17 maart 2017 wordt verdachte in Amsterdam staande gehouden terwijl hij, met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in deze auto rijdt. [medeverdachte 2] is de bestuurder en deze geeft aan dat hij de auto heeft geleend. Hij wil niet zeggen van wie en kan geen kentekenbewijs van de auto overhandigen. Aan de portiersloten en het contactslot wordt geen (braak)schade waargenomen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was niet te zien of te vermoeden dat de Renault Clio gestolen was. De Renault Clio bleek voorzien van valse kentekenplaten.

De rechtbank stelt vast dat niet blijkt wanneer en onder welke omstandigheden verdachte de Renault Clio voorhanden heeft gekregen. Voor de vraag of er sprake is van heling is juist het moment van het voorhanden krijgen bepalend. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden niet blijkt dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Renault Clio wist of had moeten vermoeden dat deze van diefstal (of ander misdrijf) afkomstig was.

Ten aanzien van de Volkswagen Caddy

Dat verdachte de Volkswagen Caddy heeft geheeld kan evenmin worden bewezen. De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van heling is vereist dat is bewezen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was. In dit geval is niet gebleken wanneer en onder welke omstandigheden verdachte de Volkswagen Caddy voorhanden heeft gekregen. De feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat het niet anders kan dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Volkswagen Caddy wist of moest vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was.

Gelet op het voorgaande zal verdachte van feit 1 worden vrijgesproken.

4.3.3.

Oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft ten aanzien van feit 2 kort gezegd het volgende verklaard:

Ik wist niet dat de Volkswagen Caddy gestolen was. Ik heb er in de week voorafgaand aan 17 maart 2017 wel eens in gereden. Ook heb ik achterin de auto gekeken. Van de wapens weet ik niets af. Ik ben wapenfreak en houdt wel eens wapens vast. Ik kan niet verklaren hoe mijn sporen op de wapens in de Volkswagen Caddy terecht zijn gekomen. Op de motor draag ik wel eens een bivakmuts. Ik had een jerrycan met benzine gevuld voor een andere auto die zonder benzine stond. Daarna heb ik de jerrycan niet weer gevuld. Op de dag van de aanhouding heeft [medeverdachte 2] mij en [medeverdachte 1] opgehaald met de Renault Clio. Wij zouden naar een meisje in Amsterdam gaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wist van de wapens in de Volkswagen Caddy op 17 maart 2017 en dat hij wist dat [medeverdachte 1] hier de sleutel van had. Dat verdachte wel eens wapens vast houdt, wel eens in de Caddy heeft gereden en wel eens een bivakmuts draagt is naar het oordeel van de rechtbank geen ontlastende verklaring voor de aanwezigheid van zijn sporen. Er zijn sporen van verdachte gevonden op de bivakmuts, jerrycan, AK-47, patroonmagazijn, op beide tassen waar de wapens in zaten en op de tas waar het pistool Walther P38 in zat. Verdachte is op 17 maart 2017 in de buurt van de plek waar de Caddy geparkeerd staat, samen met de persoon die de sleutel in zijn bezit heeft en wiens sporen eveneens op een pistool en de bivakmuts worden aangetroffen. Dat verdachte van niets wist acht de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig. Gelet op de wijze van verpakken van de wapens houdt de rechtbank verdachte met [medeverdachte 1] samen verantwoordelijk voor de inhoud van de Ikea-tas.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de als bijlage I aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 17 maart 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander in de Volkswagen Caddy met oorspronkelijk kenteken [kenteken]

- wapens van categorie II, te weten volautomatische aanvalsgeweren (model Kalashnikov AK-47, kaliber 7.62 x 39 millimeter en model M70AB2, kaliber 7.62 x 39 millimeter) en een patroonmagazijn (model AK-47 Kalashnikov, kaliber 7.62mm x 39) en

- munitie van categorie II, te weten patronen (merk Prvi Partizan en Sellier & Bellot, kaliber 7.62 x 39 mm) en

- wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Walther, model P99 AS, kaliber 9 x 19 mm) en

- een patroonmagazijn met munitie van categorie III, te weten patronen (kaliber 9 x 19 mm, merk Geco),

en dat hij op 17 maart 2017 t Amsterdam in de Volkswagen Caddy met oorspronkelijk kenteken [kenteken]

- een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Walther, model P38, kaliber 9 x 19 mm

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, in het geval van een veroordeling, een lagere straf opgelegd dient te worden dan de officier van justitie heeft geëist. De raadsman heeft in dit verband gewezen op de oriëntatiepunten van het LOVS en op de omstandigheid dat de wapens (op één na) ongeladen waren, niet onder handbereik waren en niet in het openbaar werden gedragen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met een medeverdachte twee automatische geweren, een pistool en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Daarnaast had verdachte nog een pistool voorhanden. Hoewel de wapens niet door verdachten werden gedragen, waren deze wel binnen handbereik. De wapens bevonden zich immers in de kofferbak/laadruimte van een auto, terwijl de medeverdachte daarvan de sleutel in bezit had. In Amsterdam vinden met enige regelmaat liquidaties plaats waarbij automatische wapens gebruikt worden. Het behoeft dan ook geen betoog dat het voorhanden hebben van deze wapens en munitie een ernstig strafbaar feit betreft. Dergelijke wapens dienen geen ander doel dan anderen in onze samenleving te bedreigen, te verwonden of te doden. Het is niet voor niets dat hiervoor doorgaans lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat in dit geval niet te doen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is in het verleden meermalen tot lange gevangenisstraffen veroordeeld, onder meer in verband overtreding van de Wet Wapens en Munitie, zo blijkt uit het op zijn naam staand uittreksel justitiële documentatie van 19 juli 2017.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van twee jaren zal opleggen, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, wegens het ontbreken van ernstige bezwaren. Gelet op de overige inhoud van dit vonnis is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek dient te worden afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd’

en

‘handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van TWEE (2) JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van: Zaktelefoon Samsung (5355818).

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2017.

De jongste rechter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.