Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
6198445 KK EXPL 17-797
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verhuurder moet een huurder in Amsterdam-Centrum zijn spullen – onder meer een piano en studiemateriaal – teruggeven. De verhuurder had die laten weghalen nadat hij de verhuur via Airbnb ontdekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6198445 KK EXPL 17-797

vonnis van: 24 augustus 2017

vonnis van de kantonrechterkort geding

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. H. Plantenga,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 31 juli 2017 met producties heeft [eiser] een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 18 augustus 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door mr. R.E. Jonen namens de gemachtigde. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen, vergezeld door woningbeheerder [naam woningbeheerder] en de gemachtigde.

Ter terechtzitting heeft de kantonrechter mondeling beslist de reconventionele vordering van [gedaagde] niet toe te laten, nu deze te laat - minder dan 24 uur van tevoren - aan de wederpartij kenbaar is gemaakt. Dit is in strijd met artikel 7.1 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton. [gedaagde] heeft bovendien nagelaten de gronden van de reconventionele vordering te vermelden. De reconventionele vordering blijft daarom buiten beschouwing.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

Op 23 oktober 2015 is een huurovereenkomst gesloten tussen [eiser] als huurder en [gedaagde] als verhuurder met betrekking tot de woonruimte gelegen aan het adres [adres] , hierna: het gehuurde.

1.2.

Op of omstreeks 18 april 2017 schrijft [gedaagde] per e-mail het volgende aan [eiser] :
“Hello [eiser] ,
Last Wednesday [naam] visited the apartment [adres] , the appartement that you rent.
There he met 4 nice people (again) who booked the appartement bij AIRBNB…
He made a copy of their AIRBNB agreement.
You have again rented out MY appartement [adres] starting Tuesday the 11th, until Tuesday coming up.
In your signed rental agreement we explicitly wrote:
13.13 Onderhuur/verhuren via AIRBNB of iets dergelijks is ten strengste verboden. Dit zal zorgen voor acute ontbinding van de huurovereenkomst. Met als gevolg uitzetting van het gehuurde.
October the 28th we caught you doing the same.
(…)
By today we immediately terminate your rental contract.
The locks of the front door, as well as the lock on the apartementdoor have been changed.
We have taken out all your personal belongings which we will return to you, only in case you agree to the following:
- you to transfer the booking amount (from the people presently staying in your appartement) of € 2.063,30 in to the bank account (…)
- you hereby agree that the bond you paid at the moment of starting your rental contract will not be refunded
- you will hand over the keys of the appartement and at the same time we will hand you over your belongings. (…)”

1.3.

Bij e-mail van 18 april 2017, 16:48 uur, heeft [eiser] [gedaagde] en beheerder [naam woningbeheerder] (hierna: [naam woningbeheerder] bericht dat hij de volgende dag een vlucht naar Amsterdam heeft gepland en graag de mogelijkheid zou willen krijgen om het gehuurde tot zondag 23 april 2017 te behouden, zodat hij al zijn spullen kan verwijderen en het gehuurde aan het eind van die dag leeg zou zijn.

1.4.

Bij e-mail van 18 april 2017, 17:53 uur, heeft [naam woningbeheerder] onder meer het volgende bericht aan [eiser] :
“(…) As I had a meeting with the owner, we don’t give you any access to the apartement anymore. At the moment we will let the apartement get cleaned by a professional company. (…)”

1.5.

Bij brief van 25 april 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] te kennen gegeven de vordering te betwisten en gevorderd om tot onmiddellijke afgifte van de goederen over te gaan.

1.6.

[gedaagde] heeft de goederen van [eiser] niet aan hem geretourneerd.

Vordering

2. [eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om op grond van artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek (BW) de onder punt 13 van de dagvaarding genoemde goederen van [eiser] vrij te geven aan [eiser] , binnen 24 uur na datum vonnis, dan wel een termijn die de voorzieningenrechter redelijk acht, zulks met de bepaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, daaronder een dagdeel inbegrepen, dat aan het vonnis geen gevolg wordt gegeven, met een maximum van € 40.000,00 van in totaal te verbeuren dwangsommen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3. [eiser] stelt hiertoe, kort en zakelijk weergegeven, dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de woning omstreeks 18 april 2017 zonder toestemming of instemming van [eiser] te ontruimen, bovendien ook zonder de verwijderde boedel te registreren. [gedaagde] weigert ten onrechte de op onrechtmatige wijze weggenomen goederen van [eiser] aan hem vrij te geven.

Verweer

4. [gedaagde] voert aan, kort en zakelijk weergegeven, dat de vordering tot revindicatie zich niet leent voor behandeling in onderhavig kort geding. [gedaagde] beroept zich op een hem toekomend opschortingsrecht. [gedaagde] heeft er belang bij om de goederen van [eiser] in zijn bezit te houden, omdat de volledige vordering die [gedaagde] op [eiser] heeft niet volledig wordt gedekt door het op 9 mei 2017 verleende verlof van de voorzieningenrechter tot het leggen van beslag onder de ABN AMRO Bank. [eiser] heeft geen spoedeisend belang. [eiser] heeft geen of onvoldoende bewijs geleverd om vast te kunnen stellen dat de lijst van opgeëiste spullen in de dagvaarding juist is.

Beoordeling

5. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

6. [eiser] heeft het spoedeisend belang in voldoende mate aannemelijk gemaakt. [gedaagde] heeft zich immers alle privégoederen en inboedel van [eiser] toegeëigend.

7. [gedaagde] erkent dat hij c.q. [naam woningbeheerder] op of omstreeks 18 april 2017 zonder toestemming van [eiser] en ook zonder rechterlijke toestemming zichzelf c.q. [naam woningbeheerder] toegang tot het gehuurde heeft verschaft, aldaar de sloten heeft vervangen, de persoonlijke eigendommen van [eiser] heeft weggehaald en deze vervolgens elders heeft opgeslagen. Door deze handelswijze heeft [gedaagde] c.q. [naam woningbeheerder] op onrechtmatige wijze toegang verschaft tot het gehuurde en daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de rechten van [eiser] als huurder. [gedaagde] heeft in strijd met de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen (artikel 7:272 e.v. jo. 7:282 BW) gehandeld. [gedaagde] had [eiser] de toegang tot het gehuurde niet mogen ontzeggen, laat staan eigenhandig zijn persoonlijke eigendommen mogen verwijderen en weigeren deze aan [eiser] af te geven.

8. Aan het voorgaande doet niet af dat [eiser] in strijd met de huurovereenkomst het gehuurde (voor de tweede keer) via Airbnb heeft onderverhuurd. Niet eerder dan met rechterlijke toestemming had [gedaagde] - voor zover [eiser] niet vrijwillig aan een veroordeling tot ontruiming zou voldoen - met behulp van een deurwaarder de woning mogen ontruimen. Door inschakeling van een deurwaarder was ook voorkomen dat onduidelijkheid zou kunnen ontstaat over de vraag welke goederen zich nog in de woning bevonden en werden opgeslagen.

9. Het verweer van [gedaagde] dat hij zich kan beroepen op een opschortingsrecht wordt verworpen. Een opschorting is gelet op het onrechtmatig handelen van [gedaagde] niet aan de orde. De handelswijze van [gedaagde] is onder geen enkel beding toegestaan en dit geldt des te meer nu [eiser] geen verweer voerde tegen eventuele ontbinding. [eiser] vroeg enkel om een paar dagen de tijd opdat hij het gehuurde kon ontruimen. Hij verklaarde zich zelfs grotendeels akkoord met de door [gedaagde] gestelde financiële voorwaarden.

10. Gelet op het voorgaande is de vordering van [eiser] toewijsbaar, met dien verstande dat de vordering alleen wordt toegewezen ten aanzien van de goederen waarvan [gedaagde] , dan wel beheerder [naam woningbeheerder] uitdrukkelijk hebben erkend deze te hebben aangetroffen c.q. hebben verhuisd, nu een kort geding procedure zich niet leent voor uitgebreide bewijsvoering. In de bodemprocedure zal dienen te worden beslist over de overige goederen.

11. De goederen die [gedaagde] derhalve in ieder geval aan [eiser] dient terug te geven zijn blijkens de ter zitting besproken lijst, voorzien van roze markeringen van [naam woningbeheerder] :
- de Upright Piano, merk Yamaha, YM10 serienummer 5929159;
- de breedbeeld tv 42”, Technica;
- de thermostaat, Nest Home;
- de 9 plastic boxen met diverse goederen, waaronder studiemateriaal, eten, elektronica en een pak (kleding), waarvan 1 extra grote box, 2 grote boxen, 5 boxen van medium grootte en 1 box van kleine grootte;
- de zwarte elektrische vouwfiets;
- de afstandsbediening van de tv;
- de bruine stand up desk;
- de broodmachine, Morphy Richards;
- de pianostoel, zwart;
- diverse elektra, waaronder diverse kabels, snoeren en laptop oplader;
- alle aangetroffen wijn-/ drankflessen;
- studiemateriaal, ongeveer 7 mappen met documenten.

12. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen als na te melden.

12. [gedaagde] dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis om de in overweging 11. van dit vonnis genoemde goederen van [eiser] vrij te geven aan [eiser] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, daaronder een dagdeel begrepen, dat aan deze veroordeling geen gevolg wordt gegeven, met een maximum van € 40.000,00 aan in totaal te verbeuren dwangsommen;

II. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

explootkosten € 97,31
salaris gemachtigde € 600,00
griffierecht € 78,00
-----------------
totaal € 775,31
voor zover van toepassing, inclusief btw;

III. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.