Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6235

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
C/13/626536 / HA ZA 17-341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident, forumkeuze. Gedaagde is in Zwitserland gevestigd. Vraag of op de voet van art. 6 Brussel I bis-Vo een bevoegde rechter kan worden aangewezen. Eerder gemaakte forumkeuze heeft ook betrekking op het thans voorgelegde geschil. Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/626536 / HA ZA 17-341

Vonnis in incident van 23 augustus 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING TOT EXPLOITATIE VAN KABELTELEVISIERECHTEN OP AUDIO-VISUEEL MATERIAAL,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident ex artikel 223 Rv,

verweerster in het bevoegdheidsincident,

advocaat: mr. R.S. Le Poole te Haarlem,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

ASSOCIATION DE GESTION INTERNATIONALE COLLECTIVE DES OEUVRES AUDIO-VISUELLES (AGICOA),

gevestigd te Genève (Zwitserland),

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident ex artikel 223 Rv,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

advocaat: mr. S.C. van Loon te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Sekam en Agicoa worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 maart 2017;

  • -

    de akte overleggen producties bij dagvaarding van 5 april 2017, met producties;

  • -

    de akte eisvermeerdering en vordering tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van 3 mei 2017, met producties;

  • -

    de akte van (gedeeltelijke) onbevoegdheid in de hoofdzaak en in het incident, tevens conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van Agicoa van 17 mei 2017, met producties;

  • -

    de akte houdende overlegging producties aan de zijde van Agicoa van 31 mei 2017, met één productie;

  • -

    de antwoordakte in het incident aan de zijde van Sekam van 31 mei 2017;

  • -

    de akte van gedeeltelijke onbevoegdheid aan de zijde van Agicoa van 14 juni 2017, met producties;

  • -

    de antwoordakte in het incident aan de zijde van Sekam van 28 juni 2017.

1.2.

Sekam heeft haar vordering tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening (artikel 223 Rv) ingetrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in het bevoegdheidsincident.

2 De feiten in het incident

2.1.

Sekam en Agicoa zijn collectieve beheersorganisaties. Sekam behartigt de belangen van Nederlandse producenten van filmwerken in de zin van artikel 45a Auteurswet. Zij doet dit met name door de inning en verdeling van de gelden die verschuldigd zijn voor de openbaarmaking van de betreffende filmwerken via de kabel.

2.2.

Ter zake van de incasso van door derden verschuldigde gelden bestonden tussen Sekam en Agicoa opeenvolgende samenwerkingsovereenkomsten. Onderdeel van de samenwerking was dat Agicoa ten behoeve van Sekam gelden inde en aan Sekam uitkeerde. Agicoa inde onder meer bij Videma (een collectieve beheersorganisatie die voor onder andere Sekam en Agicoa de vergoeding int voor het vertonen van televisiebeelden in een zakelijke omgeving).

2.3.

Lira, Vevam en Pictoright (collectieve beheersorganisaties, hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud: LVP) hebben zich bij brief van 24 september 2010 tegenover Videma op het standpunt gesteld dat zij aanspraak maakten op een deel van de door Videma geïnde royalty’s. Videma is hierover met LVP in onderhandeling getreden.

2.4.

Sekam heeft de meest recente samenwerkingsovereenkomst met Agicoa opgezegd per 1 april 2012. Sekam en Agicoa hebben de financiële afwikkeling van hun samenwerking vastgelegd in een vaststellingovereenkomst (hierna: de Vaststellingsovereenkomst) van 30 augustus 2012. De Vaststellingsovereenkomst vermeldt in artikel 2.5, voor zover hier van belang:

AGICOA acknowledges that SEKAM has terminated its agreement with Stichting Videma [rechtbank: Videma] as from 1 October 2012. AGICOA shall collect on behalf of SEKAM and settle its obligations vis á vis SEKAM with respect to Videma royalties regarding the period up to and including the broadcast date of 30 September 2012 on the usual basis according to the AGICOA distribution rules. AGICOA shall notify Videma hereof timely in writing.

Artikel 3 Vaststellingsovereenkomst vermeldt, voor zover hier van belang:

Apart from their rights and obligations under this Agreement, the Parties grant each other an irrevocable and unconditional final discharge of all claims that they have against each other in relation to royalty payments regarding the retransmission of communication of audiovisual works of Dutch rights holders in the Netherlands in the period up to and including 30 September 2012 (…) and 31 December 2012 (…) as well as regarding the dispute between the Parties in relation to the issues as referred to in the Recitals of this Agreement under B (…).

Artikel 7 Vaststellingsovereenkomst vermeldt, voor zover hier van belang:

7.1.

This agreement shall be governed by and construed in accordance with the laws of the Netherlands.

7.2.

Any dispute arising out or in connection with this Agreement shall be submitted to the competent court in Amsterdam, the Netherlands, which shall have exclusive jurisdiction.

2.5.

Sekam en Agicoa hebben het bepaalde uit artikel 2.5 Vaststellingsovereenkomst uitgewerkt in een nadere vaststellingsovereenkomst (hierna: de Videma VSO) van april 2015. Sekam en Agicoa zijn overeengekomen – voor zover hier van belang – dat de door Agicoa van Videma tot 1 oktober 2012 ontvangen royalty’s in de verhouding 30% (Sekam) – 70% (Agicoa) moesten worden verdeeld. Zij zijn verder overeengekomen dat Agicoa met inachtneming van voormelde verdeelsleutel een bedrag van € 266.768,00 aan Sekam diende te voldoen. Sekam en Agicoa zijn tot slot overeengekomen dat, met de ondertekening van de Videma VSO en na ontvangst door Sekam van de betaling, Agicoa aan al haar verplichtingen uit artikel 2.5 Vaststellingsovereenkomst zou hebben voldaan.

2.6.

Tussen Videma en LVP is in 2015 een schikking bereikt met betrekking tot LVP’s claim. Omdat de schikking een lager bedrag betrof dan het bedrag dat daarvoor (door onder meer Agicoa) was gereserveerd (hierna: LVP-reservering) is een bedrag vrijgevallen.
Voor Agicoa betekende dit een vrijval van een bedrag van € 428.941,86 (hierna: de Videma-gelden). Videma heeft het bedrag aan Agicoa betaald.

2.7.

Agicoa heeft het in de Videma VSO overeengekomen bedrag op 21 april 2017 aan Sekam betaald. De betaling is omstreeks 27 april 2017 door Sekam ontvangen.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Sekam vordert ten aanzien van de Videma-gelden – voor zover voor het incident van belang – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. primair voor recht verklaart dat Agicoa wanprestatie pleegt door in strijd met de Vaststellingsovereenkomst niet de vrijgevallen LVP-reservering voor 30% aan Sekam uit te keren;

b. subsidiair voor recht verklaart dat partijen met betrekking tot de Videma VSO wederzijds hebben gedwaald, op grond waarvan de Videma VSO voor wat betreft de finale kwijting dient te worden vernietigd;

c. Agicoa veroordeelt tot betaling van € 71.804,06, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 augustus 2016, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling.

in het bevoegdheidsincident

3.2.

Agicoa vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart met betrekking de Videma vorderingen [rechtbank: de hiervoor onder 3.1 weergegeven vorderingen] en Sekam veroordeelt in de kosten van dit incident.

3.3.

Agicoa legt – onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – aan haar vordering ten grondslag dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, omdat Agicoa in Zwitserland is gevestigd. Op grond van artikel 2 lid 1 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verdrag van 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147, hierna: EVEX II), is de Zwitserse rechter bevoegd. Weliswaar zijn partijen in de Vaststellingsovereenkomst een forumkeuze overeengekomen, die tevens van toepassing is op de Videma VSO, maar die forumkeuze mist in dit geval om meerdere redenen toepassing. Aldus Agicoa.

3.4.

Sekam voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

in het incident ex artikel 223 Rv

3.5.

Sekam heeft bij wege van incident een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv gevraagd. Agicoa heeft in het incident geantwoord en heeft daarbij ook de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dat incident betwist. Sekam heeft het incident ingetrokken. Agicoa heeft geen medewerking verleend aan het intrekken van het incident door Sekam en heeft verzocht om te beslissen over de proceskosten in het incident.

4 De beoordeling

in het bevoegdheidsincident

4.1.

Sekam is gevestigd in Nederland, Agicoa is gevestigd in Zwitserland. De hoofdzaak heeft daarmee een internationaal karakter. In beginsel wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in burgerlijke zaken bepaald aan de hand van Verordening Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo.). Zwitserland is geen lidstaat van de Europese Unie. Artikel 6 lid 1 Brussel I bis-Vo bepaalt echter, voor zover van belang:

Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd artikel 18, lid 1, artikel 21, lid 2, en de artikelen 24 en 25.

Artikel 25 lid 1 Brussel I bis-Vo bepaalt, voor zover van belang:

Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

4.2.

Gelet op artikel 6 Brussel I bis-Vo moet dus eerst worden onderzocht of op de voet van de daar in fine genoemde artikelen een bevoegde rechter kan worden aangewezen. Eerst indien op de voet van die bepalingen geen bevoegde rechter wordt aangewezen komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de rechtsmacht op de voet van het interne Nederlandse recht en de daarvan deel uitmakende internationale verdragen. In dat geval zal de rechtbank toepassing dienen te geven aan EVEX II, nu zowel Nederland als Zwitserland partij is bij dat verdrag.

4.3.

Nu Sekam zich beroept op een forumkeuze zal de rechtbank op de voet van artikel 25 Brussel I bis-Vo dienen te onderzoeken of die forumkeuze voor het onderhavige geschil rechtsgeldig een bevoegde rechter aanwijst. Voor het maken van een rechtsgeldige forumkeuze is vereist, maar ook voldoende, dat sprake is van een daadwerkelijke instemming van partijen met de forumkeuze. Hiervoor dient onderzocht te worden of de forumkeuze het voorwerp heeft uitgemaakt van wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt, waarbij de vormvoorschriften in artikel 25 lid 1 sub a-c Brussel I bis-Vo tot doel hebben te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen inderdaad vaststaat (HvJ EU, 7 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:525, r.o. 37, Höszig / Alstom, gewezen in relatie tot artikel 23 EEX-Vo, maar naar het oordeel van de rechtbank ook van belang voor artikel 25 Brussel I bis-Vo).

4.4.

Vastgesteld wordt dat de forumkeuze waarop Sekam zich beroept is opgenomen in de Vaststellingsovereenkomst. De forumkeuze is daarmee voorwerp geweest van de wilsovereenstemming van partijen. De forumkeuze heeft betrekking op de rechtsbetrekking die tussen partijen bestond uit hoofde van de Vaststellingsovereenkomst (arising out or in connection with this Agreement). Partijen zijn het erover eens dat met Agreement niet alleen de Vaststellingsovereenkomst maar ook de Videma VSO wordt bedoeld.

4.5.

De vraag dient beantwoord te worden of de voor de Vaststellingsovereenkomst en - naar tussen partijen niet in geschil is - de Videma VSO overeengekomen forumkeuze ook betrekking heeft op het onderhavige geschil. Dat betreft dus een vraag van uitleg van het forumkeuzebeding. In dat kader rijst de vraag welke maatstaf moet worden gehanteerd bij de uitleg van (de reikwijdte van) het forumkeuzebeding. Hier zijn twee benaderingen mogelijk.

Volgens de eerste benadering moet deze maatstaf worden gevonden in het op het beding toepasselijke nationale recht. Dat is in het onderhavige geval Nederlands recht, hetzij op grond van de rechtskeuze in artikel 7.1 van de Vaststellingsovereenkomst (zie onder 2.4; artikel 10:154 Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 3 Rome I-Verordening), hetzij omdat partijen het daar ten processe over eens zijn (artikel 3 Rome I-Verordening).

Volgens de andere benadering moet in de eerste plaats worden getracht zoveel mogelijk een verordeningsautonome interpretatiemethode toe te passen, waarbij de tekst van het forumkeuzebeding, de bedoeling van partijen en het uitgangspunt van exclusiviteit van het gekozen gerecht voorop staan; voor zover het forumkeuzebeding daarmee niet kan worden uitgelegd, zal in geval van twijfel de uitleg moeten plaatsvinden aan de hand van het op het beding toepasselijke nationale recht (in het onderhavige geval het Nederlandse recht, zoals hiervoor overwogen) (gerechtshof Den Haag, 30 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1492, gewezen in relatie tot artikel 23 EEX-Vo, maar naar het oordeel van de rechtbank ook van belang voor artikel 25 Brussel I bis-Vo).

4.6.

In deze zaak kan in het midden blijven welke benadering moet worden gevolgd. Partijen zijn het erover eens dat aan de Nederlandse rechter moeten worden voorgelegd geschillen die voortvloeien uit dan wel verband houden met de Vaststellingsovereenkomst en de Videma VSO. Anders dan Agicoa is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen betreffende de Videma-gelden voldoende verband houden met de Videma VSO. Sekams stellingen komen er namelijk op neer dat zij meent dat verdeling van de Videma-gelden moet plaatsvinden overeenkomstig de verdeelsleutel uit de Videma VSO. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een geschil dat verband houdt met (in connection with) de Vaststellingsovereenkomst / Videma VSO. Dat de Videma-gelden pas na afwikkeling van Vaststellingsovereenkomst / Videma VSO zijn vrijgevallen kan van belang zijn voor de materiële beantwoording van de vraag of de vorderingen toewijsbaar zijn, maar staat niet in de weg aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De vraag of Sekams vordering onder de Vaststellingsovereenkomst / Videma VSO valt, wat partijen daaromtrent over en weer hebben verklaard en of de in de Vaststellingsovereenkomst / Videma VSO gegeven finale kwijting aan de vordering in de weg staat, zijn onderwerpen die (mogelijk) in de hoofdzaak aan de orde moeten komen. Zij staan echter evenmin eraan in de weg dat de Nederlandse rechter in de hoofdzaak rechtsmacht toekomt.

Er is dan ook sprake van een geldig forumkeuzebeding met betrekking tot het onderhavige geschil.

4.7.

De conclusie is dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot de vorderingen betreffende de Videma-gelden. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank is tussen partijen niet in discussie, zodat de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. Hetgeen partijen met betrekking tot de rechtsmachtsvraag op basis van EVEX II naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, geen beoordeling meer.

4.8.

Agicoa zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het incident die aan de zijde van Sekam worden begroot op € 452,00 (1 punt × tarief € 452,00) aan salaris advocaat. Agicoa zal tevens worden veroordeeld in de nakosten als hierna onder de beslissing vermeld.

in het incident ex artikel 223 Rv

4.9.

Nu Sekam haar vordering heeft ingetrokken behoeft de rechtbank daarop niet meer inhoudelijk te beslissen.

4.10.

Sekam heeft haar vordering ingetrokken nadat Agicoa voor antwoord in het incident heeft geconcludeerd. Agicoa heeft verzocht Sekam in de kosten van het incident te veroordelen. Nu Agicoa kosten heeft gemaakt in het door Sekam ingetrokken incident, dient Sekam deze kosten aan Agicoa te vergoeden. De kosten zullen worden begroot op € 452,00 (1 punt × tarief € 452,00) aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen. Sekam zal tevens worden veroordeeld in de nakosten als hierna onder de beslissing vermeld.

in de hoofdzaak

4.11.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord.

4.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Agicoa in de kosten van het incident, aan de zijde van Sekam begroot op € 452,00;

5.3.

veroordeelt Agicoa in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Agicoa niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

in het incident ex artikel 223 Rv

5.4.

veroordeelt Sekam in de kosten van het incident, aan de zijde van Agicoa begroot op € 452,00, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

5.5.

veroordeelt Sekam in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Sekam niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

in het bevoegdheidsincident en in het incident ex artikel 223 Rv

5.6.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.7.

verwijst de zaak naar de rol van 4 oktober 2017 voor conclusie van antwoord;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.1

1 type: ERM coll: