Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6211

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7999
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstand (Pw), vreemdeling, beroep ongegrond. Artikel 11 en 16 Pw en artikel 8 EVRM geven geen recht op bijstand. Verzoek vrijstelling griffierecht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/7999

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. S.S. Jangali),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Lo Fo Sang).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 16 juli 2016 beëindigd.

Bij besluit van 11 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Deze zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met drie andere zaken van eiser (AMS 16/8053, AMS 17/47 en AMS 17/132). In iedere zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

Verzoek om vrijstelling van het griffierecht

1. Bij het indienen van het beroepschrift heeft eiser verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Daartoe heeft de griffier van de rechtbank op 30 december 2016 aan eiser een formulier toegestuurd waarop kan worden ingevuld dat eiser geen inkomen dan wel geen vermogen heeft. De gemachtigde van eiser heeft dit formulier op 6 januari 2017 ondertekend retour gestuurd. Hieruit blijkt dat eiser geen inkomen dan wel geen vermogen heeft. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek om vrijstelling toe.

Waar gaat de zaak over?

2.1.

Eiser heeft de Oegandese nationaliteit. Hij ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

2.2.

Bij brief van 7 juli 2016 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 15 juli 2016 over de stand van zaken en hoe het met eiser gaat. Tevens is eiser gevraagd zijn verblijfsdocument mee te nemen. Uit het rapportageoverzicht RAAK blijkt dat aan eiser de aanleiding voor het gesprek is uitgelegd, namelijk een wijziging van de verblijfscode in de basisregistratie personen (brp) per 15 mei 2016 naar code 31. Eiser heeft geen verblijfsvergunning kunnen overleggen, maar wel een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 27 juni 2016 waaruit blijkt dat aan eiser een W2-document is toegekend, geldig van 16 mei 2016 tot 16 november 2016. Verder is gesproken over eisers medische gesteldheid. Gelet hierop zal eiser worden ontheven van zijn actieve sollicitatieplicht.

2.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser beëindigd per 16 juli 2016, omdat eiser geen geldige verblijfstitel heeft. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij stelt dat hij een W2-document heeft en dus geldig verblijf heeft. Verder stelt eiser dat hij voorafgaand aan de beëindiging van zijn bijstandsuitkering een gesprek hierover had moeten hebben met verweerder.

2.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen geldige verblijfstitel heeft. Eiser heeft in het verleden een verblijfsvergunning gehad op medische gronden. Eiser heeft tegen de weigering om de verblijfsvergunning te verlengen bezwaar en beroep ingesteld. Omdat eiser de procedures mocht afwachten in Nederland behield eiser recht op bijstand. Dit was niet alleen omdat eiser over een W2-document beschikte. Een W2-document is immers een legitimatiebewijs en geeft geen zelfstandig recht op bijstand. De procedure tegen de weigering de verblijfsvergunning te verlengen, is inmiddels doorlopen en heeft niet alsnog tot verlenging van de verblijfsvergunning geleid. Eiser heeft daarna een verblijfsvergunning (regulier) aangevraagd. Daardoor heeft eiser vanaf 15 mei 2016, verblijfscode 31. De IND heeft bevestigd dat die code juist is. Die verblijfscode geeft geen recht op bijstand. In tegenstelling tot hetgeen eiser stelt, is er wel met eiser gesproken over eisers verblijfsstatus en wel op 15 juli 2016. Eiser kon geen geldig verblijfsdocument tonen, wel zijn W2-document. Het recht op bijstand is daarom terecht ingetrokken. Inmiddels is eisers verblijfscode per 5 augustus 2016 gewijzigd in code 98, omdat eisers aanvraag om een verblijfsvergunning (regulier) is afgewezen. Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt en mag zijn procedure in Nederland afwachten. Eiser verblijft wel rechtmatig in Nederland, maar niet op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l of sub g of h van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Er bestaat daarom geen recht op bijstand. Eiser verwijst nog naar de zaak van [de vrouw] . Haar situatie is geheel anders dan die van eiser. De beëindiging van de bijstandsuitkering houdt daarom stand, aldus verweerder.

2.5.

In beroep heeft eiser het bestreden besluit gemotiveerd bestreden.

Juridisch kader

3.1.

Artikel 11, eerste lid, van de Pw bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 11, tweede lid, van de Pw bepaalt – voor zover hier van belang – dat met de in het eerste lid bedoelde Nederlander wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000.

Artikel 11, derde lid, van de Pw bepaalt – voor zover hier van belang – dat bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000, rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g en h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

3.2.

De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ (het Besluit gelijkstelling). Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling wordt voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw 2000, voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating.

3.3.

In artikel 1a van het Besluit gelijkstelling staat dat het besluit mede berust op artikel 11, derde lid, van de Pw.

3.4.

Artikel 16, eerste lid, van de Pw bepaalt dat het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

3.5.

Het tweede lid van artikel 16 bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.

Beoordeling door de rechtbank

4.1.

Niet in geschil is dat eiser niet de Nederlandse nationaliteit heeft en niet beschikt over een verblijfsvergunning of rechtmatig in Nederland verblijft op grond van het Gemeenschapsrecht of het Associatierecht tussen Nederland en Turkije, zodat hij niet ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, van de Pw in aanmerking kan komen voor bijstandverlening. Dit betekent dat eiser slechts aanspraak zou kunnen maken op bijstand, indien hij op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

4.2.

Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling wordt voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die, nadat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vw 2000 (eerste voorwaarde), voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van die toelating (tweede voorwaarde) en die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vw 2000 (derde voorwaarde).

4.3.

Niet in geschil is dat de procedure over de verlenging van eisers verblijfsvergunning op medische gronden is geëindigd en dat deze procedure niet tot een verlenging van de vergunning heeft geleid. Verder stelt eiser dat hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning regulier heeft gedaan en dat deze aanvraag is afgewezen. Voorts voert eiser aan dat hij rechtmatig in Nederland zijn procedure om een verblijfsvergunning regulier mag afwachten, blijkens de toewijzing van de voorlopige voorziening op 23 november 2016. Zodoende bestaat er wel recht op bijstand. Eisers zaak is atypisch te noemen, omdat eiser aan zijn eerdere recht op bijstand het vertrouwen kon ontlenen dat hij op grond van de huidige procedure over een verblijfstitel ook recht op bijstand zou hebben. Verweerder motiveert in het geheel niet waarom eiser eerst wel, maar per 5 augustus 2016 (de datum van afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier) niet meer op grond van code 98 recht heeft op een uitkering. Ook heeft eiser de beschikking over een W2-document.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde die ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling is gesteld, namelijk dat een aanvraag is ingediend om voortgezette toelating of tijdig bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen intrekking van die toelating. Immers, de procedure over de verlengingsaanvraag is inmiddels afgerond en eiser heeft een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning regulier ingediend. Eiser kan daarom niet op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw worden gelijkgesteld met een Nederlander en komt dan ook op grond van dit artikel niet in aanmerking voor bijstand. Omdat eiser geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw is de rechtbank van oordeel dat hij op grond van artikel 16, tweede lid, van de Pw evenmin in aanmerking komt voor bijstandsverlening wegens zeer dringende redenen.

4.5.

Dat deze zaak atypisch zou zijn, omdat eiser eerder op grond van code 98 bijstand ontving, faalt dan ook naar het oordeel van de rechtbank. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht is de zaak van eiser juist niet atypisch te noemen nu een situatie als deze veel voorkomt. Er zijn veel meer vreemdelingen die in eerste instantie verblijf op medische gronden krijgen waarna dit vervolgens niet wordt verlengd. Echter, als een nieuwe aanvraag wordt ingediend, bestaat er geen recht op bijstand meer, aldus de gemachtigde van verweerder. De rechtbank kan dit standpunt volgen, immers valt een aanvraagprocedure niet onder de voorwaarden zoals genoemd in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling. Dat betekent dan ook, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, dat wanneer een vreemdeling verblijfscode 98 heeft, door verweerder moet worden gekeken wat de specifieke situatie is en of aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan. In dit geval voldoet eiser niet aan alle voorwaarden. Ten tijde van de verlengingsprocedure voldeed eiser wel aan de voorwaarden, zodat hij toen wel recht op bijstand had. Aan de omstandigheid dat eiser na afloop van de verlengingsprocedure wel nog bijstand werd verstrekt, terwijl niet aan de voorwaarden van artikel 11 van de Pw werd voldaan, kan eiser gelet op het voorgaande geen recht ontlenen. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel kan eiser dan ook niet baten. Ook is verweerder niet gehouden om fouten te herhalen.

4.6.

Tot slot overweegt de rechtbank dat een W2-document een identiteitsdocument betreft en niets zegt over de verblijfsstatus van eiser, zodat ook dit geen recht op bijstand geeft.

5. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij moet worden gezien als een kwetsbaar persoon in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), overweegt de rechtbank als volgt. In het licht van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 november 20111 en 22 november 20112 kan de vraag of eiser is aan te merken als kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB (thans: Pw) in het midden worden gelaten. De CRvB heeft in die uitspraken geoordeeld dat met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, thans tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen ook indien sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. De rechtbank begrijpt deze uitspraken aldus dat eiser als een niet met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling geen aanspraak kan ontlenen aan artikel 8 van het EVRM.

6.1.

Eiser voert in beroep verder aan dat hij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan de beëindiging van zijn bijstandsuitkering. Eiser verwijst naar de zaak van [de persoon] , waarin de datum van de hoorzitting is aangemerkt als datum waarop de vreemdeling verweer kon voeren. Tot die datum is de uitkering van de vreemdeling uitbetaald. Dat betekent in de zaak van eiser dat de bijstand pas kon worden beëindigd per 19 september 2016, zijnde de datum waarop de hoorzitting heeft plaatsgevonden, nu eiser eerst toen verweer kon voeren. Eiser heeft het besluit inzake [de persoon] overgelegd. Voor zover er wel een gesprek heeft plaatsgevonden, voert eiser aan dat de brief waarin eiser wordt opgeroepen voor het gesprek naar de curator van eiser had moeten worden gestuurd in plaats van naar eiser zelf. De curator had het gesprek namens eiser moeten voeren. De curator vertegenwoordigt eiser in al zijn belangen, niet slechts zijn financiële belangen.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder eiser op 7 juli 2016 heeft uitgenodigd voor een gesprek en dat eiser zijn verblijfsdocument diende mee te nemen. Op 15 juli 2016 heeft het gesprek ten kantore van verweerder plaatsgevonden. In de zaak van [de persoon] heeft helemaal geen gesprek plaatsgevonden, zodat eiser zich hierop niet kan beroepen. Uit het gespreksverslag blijkt dat de aanleiding van het gesprek de wijziging van eisers verblijfscode in de brp is. Tevens is gesproken over eisers medische gesteldheid. De rechtbank overweegt dat het gesprek is bedoeld om de verkregen informatie uit de brp te bespreken en om te kijken of deze juist is. Vandaar dat eiser ook zijn verblijfsdocument diende mee te nemen. Eiser bleek geen verblijfsdocument te kunnen overleggen, slechts een W2-document. De gewijzigde verblijfscode bleek dan ook te kloppen.

6.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de uitnodigingsbrief niet (ook) aan de curator van eiser had hoeven sturen. Weliswaar behartigt eisers curator zijn belangen, echter eiser is de ontvanger van de bijstandsuitkering en hij is degene die een document over zijn verblijfsstatus kan overleggen. Blijkens de gang van zaken heeft eiser de brief ontvangen en is hij ook verschenen. De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom de brief niet alleen aan eiser gestuurd mocht worden en dat eiser het gesprek niet had kunnen voeren.

7. Verder doet eiser een beroep op de zaak van [de vrouw] , waarin het recht op bijstand wordt voortgezet na opschorting. Eiser heeft het besluit in deze zaak overgelegd. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, nu het niet gaat om een gelijke situatie. In de zaak [de vrouw] had de betreffende vreemdeling uitstel van vertrek gekregen op grond van de politieke situatie in het land van herkomst, zodat het recht op bijstand toch kon worden voortgezet. Eiser heeft gesteld, noch onderbouwd dat ook hij uitstel van vertrek heeft gekregen.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande kon eiser vanaf 16 juli 2016 niet langer worden gelijkgesteld met een Nederlander en had hij vanaf die datum geen recht op een bijstandsuitkering. Verweerder heeft daarom op goede gronden de bijstandsuitkering beëindigd.

9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:CRVB:2011:BU4382

2 ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844