Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6208

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijving exploitatievergunning voor passagiersvervoer van “naam van de boot” naar “naam van de boot (2)” voor bepaalde tijd. Uit de omstandigheid dat de vergunning in 2013 op basis van de overgangsbepaling in het derde lid ( van artikel 6.1 van de Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013) is afgegeven en niet op basis van het toen nog geldende vijfde lid kan worden afgeleid dat “naam van de boot” dus geen historisch (salon)vaartuig is. Dit wordt ook niet betwist door eiseres. Op grond van het vijfde lid echter, worden alleen vergunningen voor onbepaalde duur en voor een “historische (salon)vaartuig” ingetrokken en gelijktijdig opnieuw verleend voor onbepaalde tijd. Nu de “naam van de boot” geen historisch (salon)vaartuig betreft, is de rechtbank om deze reden al van oordeel dat niet aan de voorwaarden van artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud wordt voldaan. Immers, vereist is volgens het vijfde lid dat “naam van de boot” ook een historisch (salon)vaartuig is. Op grond van dit lid kan eiseres dus geen aanspraak maken op een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd voor het historische (salon)vaartuig “naam van de boot (2)”. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het oude beleid dat gold ten tijde van de aanvraag, van toepassing moet worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6321

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2017 in de zaak tussen

[bedrijf 1] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.P. Wellenberg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.G. Blees).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om overschrijving van de exploitatievergunning voor passagiersvervoer te water van het vaartuig “ [naam boot 1] ” naar het vaartuig “ [naam boot 2] ” toegewezen en de exploitatievergunning verleend tot 1 januari 2020.

Bij besluit van 30 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres – in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie – ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Namens eiseres is tevens verschenen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

Overwegingen

Voorgeschiedenis van deze zaak

1.1.

Op 20 april 2006 is aan eiseres een vergunning verleend voor passagiersvervoer te water in Amsterdam met het vaartuig “ [naam boot 1] ”. Deze vergunning is afgegeven voor onbepaalde tijd.

1.2.

Verweerder heeft bij besluit van 30 december 2013 het vaartuig “ [naam boot 1] ” ingedeeld in het segment “Bemand groot”. Verder heeft verweerder de op 20 april 2006 verleende vergunning ambtshalve ingetrokken en vervangen door een vergunning voor het vaartuig “ [naam boot 1] ” met een looptijd tot 1 januari 2020.

Waar gaat deze zaak over?

2.1.

Bij brief van 25 september 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het overschrijven van de exploitatievergunning die verleend is ten behoeve van de exploitatie van het vaartuig “ [naam boot 1] ” op het vaartuig “ [naam boot 2] ”.

2.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag toegewezen op grond van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013 (RPA). De exploitatievergunning is afgegeven tot 1 januari 2020.

2.3.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de omstandigheid dat de exploitatievergunning is afgegeven voor bepaalde tijd. Volgens eiseres dient een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd te worden afgegeven op grond van de overgangsbepaling in artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA, omdat “ [naam boot 2] ” een historische salonboot is.

2.4.

Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich – in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 augustus 2016 – op het standpunt dat in bezwaar een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Daarbij geldt dat wordt uitgegaan van de regelgeving zoals die luidt ten tijde van de heroverweging. In de RPA zoals die in werking is getreden sinds 23 mei 2016 is het vijfde lid van artikel 6.1, waar eiseres naar verwijst, vervallen. Toepassen van deze overgangsbepaling is derhalve niet langer mogelijk.

Overigens merkt verweerder op dat zou de overgangsbepaling nog gelden, “ [naam boot 2] ” slechts dan in aanmerking komt voor een vergunning voor onbepaalde tijd, als dit vaartuig voor de inwerkingtreding van de RPA reeds was vergund. De RPA is in werking getreden vanaf 3 september 2013. Er zijn geen feiten en omstandigheden op grond waarvan onomstotelijk vaststaat dat “ [naam boot 2] ” al voor 3 september 2013 als historisch vaartuig in de zin van de RPA was vergund. “ [naam boot 2] ” is daarom terecht niet in aanmerking gekomen voor een vergunning voor onbepaalde tijd op grond van de overgangsregeling in artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA zoals deze gold tot de wijziging van 23 mei 2016 (hierna: RPA oud), aldus verweerder.

2.5.

Eiseres heeft in beroep het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Op de gronden van eiseres zal hierna worden ingegaan.

Juridisch kader

3.1.

Artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de RPA luidt:

“Burgemeester en wethouders werken in beginsel alleen mee aan een aanvraag tot wijziging van de vergunning in de volgende gevallen:

b. permanente vervanging van het vaartuig: indien het vervangende vaartuig tot hetzelfde segment behoort en even groot is als het oorspronkelijk vergunde vaartuig of kleiner dan dat vaartuig, en dat aan alle overige (milieu)eisen voldoet die op grond van deze regeling en de specifieke vergunningvoorschriften voor het oorspronkelijk vergunde vaartuig van toepassing zijn.”

3.2.

Artikel 6.1, derde lid, van de RPA luidt:

“Alle ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling voor onbepaalde tijd verleende vergunningen voor vaartuigen die worden ingedeeld in het segment Bemand groot worden bij beschikking met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken en gelijktijdig opnieuw verleend voor bepaalde tijd tot 1 januari 2020. Deze vergunningen gelden in vergunninggebied 1.”

3.3.

Artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud luidt:

“Alle voor inwerkingtreding van deze regeling verstrekte vergunningen voor onbepaalde duur voor een “historische (salon)vaartuig” dat op grond van zijn afmetingen in het segment Bemand groot valt, zullen bij beschikking met ingang van 1 januari 2014 worden ingetrokken en gelijktijdig opnieuw verleend voor onbepaalde tijd.”

3.4.

In de toelichting van de RPA is vermeld ten aanzien van artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud:

“Ad het vervallen verklaren van de leden 5 en 6: De situaties genoemd in de leden 5 en 6 van de overgangsbepaling van artikel 6.1. kunnen zich niet meer voordoen. Hiermee zijn deze leden overbodig geworden en kunnen ze vervallen. Dit laat onverlet dat de op basis van de vervallen bepalingen verstrekte vergunningen vallen onder het uitsterfbeleid zoals dat is verwoord in artikel 6.1 lid 8.”

Wat wil eiseres?

4. Eiseres wil dat verweerder een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd afgeeft voor het vaartuig “ [naam boot 2] ” op grond van de overgangsbepaling in artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud, omdat het vaartuig “ [naam boot 2] ” een historische salonboot is en voldoet aan de vereisten van deze overgangsbepaling.

Beoordeling van de rechtbank

5.1.

De rechtbank constateert dat de wijziging van de RPA in werking is getreden op 23 mei 2016 met terugwerkende kracht tot 3 september 2013. De aanvraag van eiseres dateert van vóór de inwerkingtreding van de wijziging van de RPA. Het bestreden besluit dateert van na de inwerkingtreding van de wijzing van de RPA.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld met toepassing van welk recht de aanvraag van eiseres moet worden beoordeeld.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Wel kan in bijzondere gevallen van dit uitgangspunt worden afgeweken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 november 20121.

5.3.

Eiseres voert in beroep aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder het oude recht had moeten toepassen op haar aanvraag. Op grond van artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud heeft zij namelijk recht op een vergunning voor onbepaalde tijd voor het vaartuig “ [naam boot 2] ”. Het vaartuig “ [naam boot 2] ” voldoet aan de vereisten van deze overgangsbepaling. Het is een historisch salonvaartuig dat valt in het segment “Bemand groot”. Daarnaast bestond de vergunning waarmee [naam boot 2] geëxploiteerd wordt al voor september 2013. Er was immers al in 2006 een vergunning voor onbepaalde tijd verleend voor het vaartuig “ [naam boot 1] ”. Hierbij verwijst eiseres ook naar een uitspraak van deze rechtbank van 7 augustus 2015 inzake [bedrijf 2] . en haarzelf waarin is geoordeeld dat sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het oude beleid diende te worden toegepast. Ook doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel, door te verwijzen naar de zaken met betrekking tot de vergunningverlening van de vaartuigen [naam boot 3] en [naam boot 4] .

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het betoog van eiseres in deze niet slagen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.5.

In artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud is bepaald dat, in uitzondering op de hoofdregel dat alle exploitatievergunningen voor vaartuigen voor onbepaalde tijd per 1 januari 2014 worden omgezet in exploitatievergunningen voor bepaalde tijd, de historische (salon)vaartuigen wederom een vergunning voor onbepaalde tijd toegekend kregen.

5.6.

Bij besluit van 30 december 2013, door eiseres in beroep ingebracht, heeft verweerder op grond van artikel 6.1, derde lid, van de RPA oud de exploitatievergunning van de “ [naam boot 1] ” voor onbepaalde tijd ingetrokken en een exploitatievergunning voor de “ [naam boot 1] ” voor bepaalde tijd afgegeven. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat tegen dit besluit toentertijd geen bezwaar is gemaakt zodat dit besluit in rechte vaststaat. Uit de omstandigheid dat de vergunning in 2013 op basis van de overgangsbepaling in het derde lid is afgegeven en niet op basis van het toen nog geldende vijfde lid kan worden afgeleid dat “ [naam boot 1] ” dus geen historisch (salon)vaartuig is. Dit wordt ook niet betwist door eiseres. Op grond van het vijfde lid echter, worden alleen vergunningen voor onbepaalde duur en voor een “historische (salon)vaartuig” ingetrokken en gelijktijdig opnieuw verleend voor onbepaalde tijd. Nu de “ [naam boot 1] ” geen historisch (salon)vaartuig betreft, is de rechtbank om deze reden al van oordeel dat niet aan de voorwaarden van artikel 6.1, vijfde lid, van de RPA oud wordt voldaan. Immers, vereist is volgens het vijfde lid dat “ [naam boot 1] ” ook een historisch (salon)vaartuig is. Op grond van dit lid kan eiseres dus geen aanspraak maken op een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd voor het historische (salon)vaartuig “ [naam boot 2] ”. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het oude beleid dat gold ten tijde van de aanvraag, van toepassing moet worden geacht. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van 7 augustus 2015 inzake [bedrijf 2] . en haarzelf, gaat dan ook niet op, omdat in die zaak namelijk vrijwel zeker met succes aanspraak zou kunnen worden gemaakt op de vervangingsvergunning als aan het oude beleid werd getoetst. Dat is in deze zaak juist niet het geval. Voor zover eiseres betoogt dat [naam boot 1] ook vergund had moeten worden op grond van het vijfde lid, is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 30 december 2013 in rechte vaststaat en nu niet meer materieel kan worden getoetst. Hiertegen had eiseres destijds rechtsmiddelen moeten aanwenden.

5.7.

Dit betekent dat de RPA, zoals deze luidt ten tijde van het bestreden besluit, van toepassing is. Volgens artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de RPA, voor zover van belang, werkt verweerder in beginsel alleen mee aan een aanvraag tot wijziging van de vergunning indien er sprake is van een permanente vervanging van het vaartuig. Het vervangende vaartuig dient tot onder meer tot hetzelfde segment te behoren. Niet in geschil is dat de vergunning voor het vaartuig “ [naam boot 1] ” was verleend tot 1 januari 2020. Tevens is niet in geschil dat de vaartuigen “ [naam boot 1] ” en “ [naam boot 2] ” beiden behoren tot het segment “Bemand groot”. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden de bestaande vergunning voor het vaartuig “ [naam boot 1] ” vervangen door een vergunning voor het vaartuig “ [naam boot 2] ” met een looptijd tot 1 januari 2020.

5.8.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van [naam boot 3] en [naam boot 4] , kan evenmin slagen, nu het niet gaat om gelijke gevallen. Ten aanzien van [naam boot 3] was niet in geschil dat niet aan de criteria van de overgangsbepaling in het vijfde lid werd voldaan en ten aanzien van [naam boot 4] ging het om één vaartuig en niet om een vervangingsvergunning waarbij twee vaartuigen zijn betrokken, zodat sprake is van een ander juridisch kader.

6.1.

Voorts voert eiseres aan dat het haar niet bekend was dat de RPA zou wijzigen en dat de betreffende overgangsbepaling zou worden geschrapt. Eiseres heeft er groot financieel belang bij dat zij een vergunning voor onbepaalde tijd krijgt. “ [naam boot 2] ” is in 2015 aangeschaft, de aanzienlijke investering kan niet binnen vier jaar worden terugverdiend, aldus eiseres.

6.2.

Ten aanzien van deze financiële grond, oordeelt de rechtbank dat dit voor risico van eiseres komt zodat ook deze grond niet kan slagen. De rechtbank acht voorstelbaar dat het moeilijk is om de investering terug te verdienen in vier jaar tijd, echter zoals hiervoor is overwogen voldoet eiseres niet aan de vereisten van de overgangsbepaling zodat zij er niet vanuit had mogen gaan dat zij een vergunning voor onbepaalde tijd toegekend zou krijgen voor “ [naam boot 2] ”.

Conclusie

7. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, voorzitter, en mr. M. de Ridder en mr. L.Z. Achouak el Idrissi, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2012:BY4455