Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6205

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
C/13/618893 / HA ZA 16-1174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over levering van rozen voor de kweek. De rozen zijn besmet met Ralstonia (een tot dan toe voor rozen onbekende ziekte). Beroep op exoneratiebeding faalt. Wel tekortkoming, maar geen toerekenbaarheid. Geen schadevergoeding, wel ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2017/96
NJF 2018/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/618893 / HA ZA 16-1174

Vonnis van 30 augustus 2017

in de zaak van

de maatschap

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats] (gemeente [plaats] ),

eiseres,

advocaat: mr. drs. M. Buitelaar te Naaldwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats] (gemeente [plaats] ),

gedaagde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 november 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 februari 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 27 februari 2017, met de daarin vermelde stukken;

  • -

    de brief van 15 maart 2017 van mr. Buitelaar, met opmerkingen betreffende de inhoud van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteerde een rozenkwekerij van 1,57 hectare. [gedaagde] is een veredelaar, vermeerderaar en producent van plantmateriaal voor de rozenteelt en gerberateelt. [gedaagde] verkoopt ook patenten op rassen en licenties om de door haar zelf ontwikkelde rassen te kweken.

2.2.

Eind 2014, begin 2015, hebben [eiseres] en [gedaagde] met elkaar gesproken over de koop en levering van rozenstekken. Deze gesprekken hebben geresulteerd in een order aan [gedaagde] . De door [gedaagde] aan [eiseres] gezonden orderbevestiging van 10 maart 2015 vermeldt, voor zover hier van belang, de levering van 3 rozenrassen (21.072 stuks van het ras Armondo!, 34.560 stuks van het ras Formula One! en totaal 23.040 stuks van het ras Shannon!) tegen een koopprijs van totaal € 52.710,24, exclusief zogenoemde NAK-kosten, transportkosten en btw. Voorafgaand aan de orderbevestiging van 10 maart 2015 had [gedaagde] aan [eiseres] op 3 en 4 februari 2015 en op 9 maart 2015 een orderbevestiging gezonden. Deze orderbevestigingen vermeldden andere aantallen en deels andere rozenrassen. Op verzoek van [eiseres] zijn de aantallen en rassen gewijzigd.
Op elk van de genoemde orderbevestigingen stond vermeld:

“Op deze order zijn onze algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden staan ook op onze website www. [gedaagde] .nl”

[eiseres] heeft van de gefactureerde koopprijs van (inclusief btw, NAK- en transportkosten) € 59.011,82 als aanbetaling een bedrag van € 28.353,39 betaald.

2.3.

De door [gedaagde] gehanteerde algemene voorwaarden betreffen de “Algemene Voorwaarden Sierteelt en Voedingstuinbouw opkweek van Plantum” (hierna: de AV).
De AV vermelden, voor zover hier van belang:

Artikel 8 Overmacht

1. Onder overmacht wordt verstaan: iedere omstandigheid vallende buiten de directe invloedssfeer van de verkoper, waardoor nakoming van de overeenkomst in redelijkheid niet meer kan worden verlangd. Hieronder vallen onder andere stakingen, brand, extreme weersomstandigheden of overheidsmaatregelen en ziekten en plagen enerzijds en gebreken in de aan verkoper toegeleverde materialen anderzijds.

2. Indien tengevolge van overmacht de overeenkomst door de verkoper niet kan worden nagekomen, dan moet de verkoper de koper zo spoedig mogelijk schriftelijk omtrent de omstandigheden informeren.

3. In geval van overmacht zullen partijen overleggen over een wijziging van de overeenkomst of over het geheel of gedeeltelijk ontbinden van de overeenkomst.

4. Indien partijen het niet binnen 10 dagen na de schriftelijke mededeling van de bedoelde omstandigheden eens kunnen worden over wijziging of ontbinding, dan kan ieder van de partijen zich tot de op grond van artikel 14 bevoegde rechter wenden.

(…)

Artikel 10 Garanties en klachten

1. De verkoper waarborgt dat de producten, die op grond van de overeenkomst geleverd moeten worden, voldoen aan de eisen, gesteld in de van toepassing zijnde reglementen van Nederlandse keuringsinstanties, die van kracht zijn op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst.

(…)

3. De verkoper staat niet in voor groei en bloei van de geleverde producten.

(…)

10. Wanneer geleverde producten krachtens het bepaalde in dit artikel door de koper worden afgekeurd en de koper en de verkoper het niet dadelijk eens worden over een minnelijke regeling, dan moet de koper een beroep doen op een onafhankelijk officieel erkende deskundige, die een expertiserapport opmaakt. De kosten van het deskundigenrapport zijn, indien de afkeuring gerechtvaardigd is, voor rekening van de verkoper en als zij ongerechtvaardigd is, voor rekening van de koper. De betreffende kosten moeten in elk geval door de koper worden voorgeschoten.

(…)

Artikel 11 Aansprakelijkheid

1. De verkoper aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid, tenzij in één van de in dit artikel genoemde gevallen. In een dergelijk geval zal de aansprakelijkheid van de verkoper beperkt zijn tot maximaal de factuurwaarde. In geen enkel geval is de verkoper aansprakelijk voor enige vorm van gevolgschade, gederfde omzet of gederfde winst.

2. De verkoper is niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door overmacht als bedoeld in artikel 8, lid 1.

(…)

4. Schadevergoeding bij een klacht kan alleen plaatsvinden, indien de klacht conform artikel 10 is ingediend, terecht blijkt te zijn en er sprake is van verwijtbaarheid of bewuste nalatigheid van de verkoper. Bovendien zal de schadevergoeding beperkt zijn tot het gedeelte van het geleverde waar de klacht betrekking op heeft.”

2.4.

[gedaagde] heeft in week 17 tot en met 28 van 2015 in totaal 78.672 rozenplantjes aan [eiseres] geleverd, waaronder 21.072 plantjes van het ras Armando! (hierna ook: het plantmateriaal).

2.5.

[eiseres] heeft kort na de levering van het eerste plantmateriaal groeiproblemen geconstateerd bij het ras Armando! [eiseres] heeft monsters van het plantmateriaal voor onderzoek aangeboden aan – onder meer – onderzoeksbureau Groen Agro Control. Groen Agro Control heeft [eiseres] op 18 augustus 2015 gerapporteerd dat in een door [eiseres] toegezonden monster Ralstonia Solanacearum (hierna: Ralstonia) was geconstateerd. Van de ontdekking van Ralstonia is melding gemaakt bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA). De NVWA heeft op 24 augustus 2015 monsters van het plantmateriaal bij [eiseres] afgenomen.

2.6.

[eiseres] heeft [gedaagde] in de 3e week van augustus 2015 op de hoogte gesteld van ernstige groeiproblemen met het ras Armando!.

2.7.

De NVWA heeft [eiseres] bij brief van 1 september 2015 medegedeeld dat bij [eiseres] Ralstonia is vastgesteld. De NVWA heeft [eiseres] diverse maatregelen aangezegd om verdere verspreiding van de Ralstonia te voorkomen.

2.8.

[eiseres] heeft met toestemming van de NVWA het in 2015 door [gedaagde] geleverde plantmateriaal op 9 september 2015 laten ruimen.

2.9.

In de kas waarin de Armando! stond, stond ook het ras “Formula One!”. Groen Agro Control heeft [eiseres] bij rapport van 23 september 2015 laten weten dat ook dit ras was besmet.

2.10.

[eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 25 september 2015 aansprakelijk gesteld voor door haar geleden en te lijden schade als gevolg van de levering door [gedaagde] van besmette Armando! en Formula One!. Zij heeft [gedaagde] uitgenodigd om bij [eiseres] de oorzaak en de omvang van de schade te onderzoeken. [eiseres] heeft [gedaagde] aangezegd dat zij op korte termijn tot ruiming de planten en ontsmetting van de kas zou overgaan. [eiseres] heeft [gedaagde] uitgenodigd binnen 7 dagen na dagtekening van de brief haar onderzoek uit te voeren.

2.11.

De NVWA heeft [eiseres] op 26 oktober 2015 medegedeeld dat de Formula One! van [eiseres] ernstig was aangetast. [eiseres] is in overleg met de NVWA op 26 november 2015 begonnen met het ruimen van de Formula One!.

2.12.

Naktuinbouw is een zelfstandig bestuursorgaan dat belast is met het uitoefenen van algemeen toezicht op de productie en verhandeling van teeltmateriaal, door controle op de herkomst van dat materiaal en door het uitvoeren van keuringen tijdens de productie en bij aflevering. Naktuinbouw heeft [gedaagde] bij brief van 29 februari 2016 – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“Op 30 oktober 2015 ontvingen wij van uw afnemer, [eiseres] , een klacht over een Ralstonia solanacearum aantasting in de rozenteelt.

(…)

Naar aanleiding van de klacht over het teeltmateriaal bezocht Naktuinbouw op 5 november 2015 het bedrijf van [eiseres] .

(…)

Op 17 november 2015 werd (…) een vervolgonderzoek op uw bedrijf ingesteld. Er werd gesproken met [gedaagde] . (…)

(…)

[gedaagde] acht het niet uitgesloten dat in de geleverde stekken of een deel ervan al Ralstonia solanacearum bacteriën aanwezig waren toen ze het bedrijf verlieten, al vertoonden de planten op dat moment geen enkel ziekteverschijnsel. Dit blijkt uit verschillende klachten van andere klanten en uit het feit dat er verschillende positieve uitslagen op Ralstonia solanacearum werden vastgesteld door de NVWA. In 1 drainwater monster en in 6 monsters van planten werd de bacterie aangetroffen.

(…)

Conclusie

Op basis van de bevindingen concludeert Naktuinbouw dat de problemen, zoals die bij uw afnemer werden waargenomen, zijn veroorzaakt door een besmetting die aanwezig was in het door u afgeleverde plantmateriaal.

Deze conclusie is gebaseerd op de hierna genoemde bevindingen;

● Uit de resultaten van de door de NVWA uitgevoerde onderzoeken aan relevant plantmateriaal en water op Ralstonia solanacearum blijkt dat het aannemelijk is dat er latente besmettingen aanwezig waren in het betreffende plantmateriaal.

(…)

Op grond van bovenstaande conclusie acht Naktuinbouw de klacht gegrond.

(…)”

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. voor recht verklaart dat [gedaagde] tegenover [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van leveringen van plantmateriaal dat besmet was met Ralstonia en dat [gedaagde] tegenover [eiseres] aansprakelijk is uit hoofde van deze toerekenbare tekortkoming;

2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 1.298.606,26, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag;

subsidiair

3. voor recht verklaart dat de overeenkomst door [eiseres] rechtsgeldig bij dagvaarding is ontbonden, althans dat de rechtbank de koopovereenkomst per datum vonnis ontbindt;

4. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen, bestaande uit terugbetaling van € 59.011,82 inclusief btw, althans € 28.353,39, te vermeerderen met wettelijke rente;

zowel primair als subsidiair

5. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 5.000,00 ter zake van vermogensschade zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;

6. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en in de nakosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering – onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – primair ten grondslag dat [gedaagde] tegenover [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst, althans dat zij tegenover [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, door met Ralstonia besmette planten te leveren. [gedaagde] is als gevolg daarvan aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade, die zij begroot op € 1.298.606,26. [gedaagde] is hierover wettelijke rente verschuldigd vanaf uiterlijk 1 november 2015, de datum waarop de schade is geleden.

Subsidiair stelt [eiseres] dat de koopovereenkomst dient te worden ontbonden. Als gevolg daarvan dient [gedaagde] de door [eiseres] aan haar betaalde factuurbedragen (€ 59.011,82 dan wel € 28.353,39) aan [eiseres] te restitueren. [eiseres] stelt tot slot dat zij kosten heeft moeten maken ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (6:96 lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) en om voldoening buiten rechte te verkrijgen (6:96 lid 2 sub c BW). [eiseres] begroot haar schade ter zake van deze kosten op € 5.000,00.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

In de kern gaat deze procedure over de vraag of [gedaagde] haar verplichtingen uit de gesloten overeenkomst niet is nagekomen en of zij als gevolg daarvan de door [eiseres] gestelde schade aan [eiseres] moet vergoeden.

exoneratiebeding

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] luidt dat het in de AV opgenomen exoneratiebeding aan aansprakelijkheid in de weg staat. [eiseres] heeft hiertegenover gesteld dat partijen de AV niet zijn overeengekomen. Voor zover de AV wel zijn overeengekomen, is het exoneratiebeding als onredelijk bezwarend beding vernietigbaar. [gedaagde] heeft de algemene voorwaarden namelijk niet ter hand gesteld, waardoor [eiseres] geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de AV kennis te nemen, aldus [eiseres] .

4.2.1.

In de orderbevestiging van 10 maart 2015 werd vermeld dat op de order de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van [gedaagde] van toepassing waren. [eiseres] heeft de orderbevestiging ondertekend. Zij heeft bij de ondertekening geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van de toepasselijkheid van de AV. Dat lag wel op haar weg, indien zij daaraan niet gebonden wilde zijn. Op grond van artikel 6:232 BW is de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden namelijk ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden, wanneer de gebruiker begreep of moest begrijpen dat de wederpartij de inhoud daarvan niet kende. [eiseres] is derhalve gebonden aan de AV.

4.3.

Tegenover deze snelle binding aan de AV staat de wettelijke mogelijkheid tot vernietiging van (een beding in) de AV. (Bedingen in) de AV zijn onder meer vernietigbaar, indien [gedaagde] aan [eiseres] niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de AV kennis te nemen (artikel 6:233 sub b BW). [eiseres] heeft op de vernietigbaarheid van de AV een beroep gedaan, met als reden dat zij haar niet ter hand zijn gesteld.

Tussen partijen staat vast dat de AV niet voorafgaand aan of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan [eiseres] ter hand zijn gesteld (zie ook CvA randnummer 3.1.29). Daarmee zijn de AV in beginsel vernietigbaar als hiervoor bedoeld. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het beroep op vernietiging van de AV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat [gedaagde] en [eiseres] al langer zaken met elkaar doen. Volgens [gedaagde] zijn in die tijd haar leveringsvoorwaarden overeengekomen en ter hand gesteld. [gedaagde] gaat er daarmee echter ten onrechte aan voorbij dat zij, zoals blijkt uit CvA randnummer 3.1.29, na het sluiten van de laatste overeenkomst met [eiseres] haar AV heeft aangepast aan de VGB-voorwaarden en dat die vervolgens zijn opgegaan in de Plantumvoorwaarden. Dat was dus voorafgaand aan de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst. Het lag alleen al om die reden op haar weg [eiseres] (opnieuw) een redelijke mogelijkheid te bieden om van haar gewijzigde AV kennis te nemen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit klemt te meer nu [eiseres] onbetwist heeft gesteld dat de Plantumvoorwaarden niet bestonden toen zij voor het laatst zaken met [gedaagde] deed (9 jaar voorafgaand aan de onderhavige overeenkomst). Ook als ervan wordt uitgegaan – zoals [gedaagde] aanvoert – dat [eiseres] zaken heeft gedaan met ondernemers die de Plantumvoorwaarden hanteren, betekent dit nog niet dat zij – gelet op de in het verleden door [gedaagde] gehanteerde AV – erop bedacht moest zijn dat ook [gedaagde] deze voorwaarden hanteerde. [gedaagde] ’ beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt dan ook. Het beroep op de vernietiging van de AV slaagt.

tekortkoming

4.4.

Daarmee wordt toegekomen aan de vraag of [gedaagde] tegenover [eiseres] is tekortgeschoten. Bij de beantwoording van die vraag wordt het volgende vooropgesteld. Tussen partijen staat vast dat Ralstonia een quarantaine organisme is. De bacterie veroorzaakt bruinrot en is als schadelijk organisme vermeld in de Richtlijn 2000/29/EG. Als door [gedaagde] gesteld en onvoldoende gemotiveerd door [eiseres] betwist, staat verder tussen partijen vast dat tot aan de ontdekking in 2015 een besmetting van rozen met Ralstonia onbekend was. Als gastheerplanten stonden vooral aardappelen en tomaten bekend. In het kader van de inspecties vanuit de NVWA en de keuringsinstanties werd, vanwege de onbekendheid van de bacterie als ziekteveroorzaker bij rozen, niet op Ralstonia in rozen gecontroleerd.

4.4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst tot levering van plantmateriaal door [gedaagde] aan [eiseres] is aan te merken als een koopovereenkomst. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Op grond van artikel 7:17 lid 1 BW dient de afgeleverde zaak aan de overeenkomst te beantwoorden. De zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. De koper mag onder meer verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Tussen partijen staat vast dat het plantmateriaal was bedoeld om de Armando! te telen. Daarvoor is noodzakelijk dat het plantmateriaal niet ziek is. Dat was in het onderhavige geval wel het geval. Levering van ziek plantmateriaal moet worden aangemerkt als een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst.

4.4.2.

[gedaagde] heeft betwist dat het door haar geleverde plantmateriaal ten tijde van de levering aan [eiseres] met Ralstonia besmet was. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Daartoe wordt het volgende van belang geacht. Levering van het plantmateriaal heeft plaatsgevonden in de weken 17 (voorlaatste week april) tot en met 28 (2e week juli) van 2015. [eiseres] heeft gesteld dat kort na de eerste levering groeiproblemen in het door [gedaagde] geleverde plantmateriaal ontstonden. [gedaagde] heeft dit weliswaar betwist, maar heeft deze betwisting niet concreet onderbouwd. Gelet op de omstandigheid dat, zoals [eiseres] onbetwist heeft gesteld, de incubatietijd van Ralstonia ongeveer 5 weken bedraagt, volgens [eiseres] de eerste problemen eind april 2015 ontstonden en [gedaagde] geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de Ralstonia besmetting zich na de levering heeft voorgedaan, is voldoende aannemelijk dat het plantmateriaal bij levering (latent) besmet was met Ralstonia. In dit verband wordt tevens van belang geacht dat volgens het rapport van Naktuinbouw uit de onderzoeken van de NVWA blijkt dat aannemelijk is dat er latente besmettingen aanwezig waren in het plantmateriaal.

toerekenbaarheid

4.5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.4.2 is overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen als verkoper aan de zijde van [gedaagde] . Anders dan [eiseres] heeft betoogd is de tekortkoming echter niet aan [gedaagde] toerekenbaar. Het volgende is voor dat oordeel van belang.

4.5.1.

Een tekortkoming is aan de schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) niet toerekenbaar wanneer zij niet is te wijten aan zijn schuld noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat wat sierplanten betreft alleen van de gerbera bekend was dat zij gevoelig is voor Ralstonia. Bij rozen was het niet bekend en rozen werden nergens genoemd als gastheerplant van Ralstonia. Ralstonia was nergens ter wereld in rozen geconstateerd, zodat ook de NVWA en Naktuinbouw niet op Ralstonia bij rozen controleerden. Volgens [gedaagde] was er geen enkele (visuele) aanwijzing dat het plantmateriaal besmet was en voldeed het plantmateriaal aan de toepasselijke fytosanitaire eisen.

Anders dan [eiseres] , onder verwijzing naar Hoge Raad 27 april 2001 (NJ 2002/213), heeft betoogd kan niet in algemene zin worden gezegd dat in alle gevallen waarin sprake is van een gebrek in een verkochte zaak dit gebrek op de voet van artikel 6:75 BW op grond van de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de verkoper komt. [eiseres] gaat met haar stelling ten onrechte eraan voorbij dat de Hoge Raad in voormeld arrest oordeelde over een gebrek bij de verkoop van een industrieel product. Die producten komen tot stand tijdens een beheersbaar en controleerbaar proces dat in hoge mate door de mens wordt geïnitieerd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit anders in het geval van plantenteelt. Daarbij spelen tot op zekere hoogte ook onzekere factoren als ziekteveroorzakende bacteriën een rol. Tussen partijen staat vast dat de Ralstoniabesmetting voor een ieder een verrassing was en dat deze door niemand werd voorzien. Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden wordt dan ook geoordeeld dat de tekortkoming niet naar in het verkeer geldende opvattingen aan [gedaagde] moet worden toegerekend. [eiseres] heeft nog gewezen op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:5934). De situatie in die zaak verschilt echter van de situatie in de onderhavige zaak. In de Rotterdamse zaak ging het namelijk om een ziekte, waarvan bekend was dat die zich bij de desbetreffende plantensoort kon voordoen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

4.5.2.

Gelet op de onder 4.5.1 genoemde omstandigheden kan evenmin worden geoordeeld dat de tekortkoming aan [gedaagde] ’ schuld te wijten is. [gedaagde] behoefde zich onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet te onthouden van het verkopen en leveren van het plantmateriaal aan [eiseres] . De stelling dat [gedaagde] al in 2014 op de hoogte was van met Ralstonia besmette leveringen aan een buitenlandse partij heeft [eiseres] , na gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , niet verder onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbijgegaan. De overige door [eiseres] naar voren gebrachte omstandigheden zien allen op de periode ná levering van het plantmateriaal. Voor de beantwoording van de vraag of de tekortkoming te wijten is aan de schuld van [gedaagde] zijn die omstandigheden echter niet van belang.

4.5.3.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de tekortkoming krachtens de wet aan [gedaagde] moet worden toegerekend.

4.5.4.

Tot slot wordt geoordeeld dat de tekortkoming niet krachtens rechtshandeling aan [gedaagde] moet worden toegerekend. Hiervoor (zie 4.3) is geoordeeld dat het beroep van [eiseres] op vernietiging van de AV slaagt. [eiseres] heeft er voor gekozen de AV in hun geheel te vernietigen en die vernietiging niet te beperken tot artikel 11. Als gevolg hiervan kan [eiseres] geen beroep meer doen op artikel 10 AV, dat door [eiseres] als een garantiebepaling is aangemerkt. Zij heeft haar beroep op artikel 10 van de AV ook met zoveel woorden beperkt tot het geval de AV niet vernietigbaar zijn vanwege een schending van de informatieplicht van [gedaagde] (dagvaarding randnummer 29). Evenmin is sprake van een door [gedaagde] gegeven impliciete garantie dat zich geen quarantaineorganisme in het plantmateriaal bevindt. [eiseres] heeft in dit verband onvoldoende gesteld waarop zij die impliciete garantie baseert. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] meermaals heeft vermeld dat een plantenpaspoort is afgegeven is daarvoor onvoldoende. Daartoe wordt van belang geacht dat [gedaagde] ter comparitie heeft toegelicht dat de aanwezigheid van een plantenpaspoort enkel betekent dat het plantmateriaal ten tijde van de levering voldeed aan alle eisen van de keuringsinstanties. [eiseres] heeft hier niets meer tegenover gesteld.

4.6.

De conclusie is dat de tekortkoming niet aan [gedaagde] toerekenbaar is. Dit brengt met zich dat de primaire vorderingen zullen worden afgewezen. Voor zowel de gevorderde verklaring voor recht als de vordering tot schadevergoeding is noodzakelijk dat de tekortkoming aan [gedaagde] toerekenbaar is. De overige tegen de primaire grondslag aangevoerde verweren, zoals het beroep op eigen schuld, behoeven derhalve geen bespreking

4.7.

De subsidiair gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst is in zoverre toewijsbaar, dat de rechtbank de koopovereenkomst zal ontbinden. Ook bij niet toerekenbaarheid van de tekortkoming kan een overeenkomst worden ontbonden. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de dagvaarding zelf geen ontbindingsverklaring. De ontbinding zal worden uitgesproken per de datum van dit vonnis.

4.8.

De ontbinding bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. In dit geval betekent dit dat [eiseres] in beginsel het door haar ontvangen plantmateriaal moet terugleveren. Dat is niet meer mogelijk doordat het plantmateriaal is geruimd. Door [eiseres] is niet gesteld dat het niet kunnen terugleveren van het plantmateriaal haar niet kan worden toegerekend, zodat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van haar ongedaanmakingsverbintenis. Het niet kunnen nakomen van haar ongedaanmakingsverbintenis leidt ertoe dat [eiseres] schadeplichtig is jegens [gedaagde] . De schade zal in dit geval worden begroot op nihil, nu het plantmateriaal – ook als het zou worden teruggeleverd – vernietigd diende te worden om verdere besmetting te voorkomen.

4.9.

[eiseres] heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [eiseres] van € 59.011,82 uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis van [gedaagde] . Terecht voert [gedaagde] aan dat haar terugbetalingsverplichting uit niet meer kan bestaan dan de door [eiseres] aanbetaalde koopsom van het plantmateriaal van (naar [gedaagde] onbetwist heeft gesteld) € 28.353,39. Immers, alleen dit bedrag is door [eiseres] voldaan. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van laatstgenoemd bedrag. De gevorderde wettelijke rente zal, als onbetwist, worden toegewezen. Met dien verstande dat de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis.

4.10.

[eiseres] heeft verder nog vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd. Voor het toewijzen van deze vordering is noodzakelijk dat er een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [gedaagde] niet schadeplichtig is. Om die reden kan ook deze vordering niet worden toegewezen.

4.11.

[gedaagde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op

explootkosten

€ 96,57

griffierecht

€ 3.903,00

salaris advocaat

€ 1.158,00

(2 punten × tarief € 579,00)

totaal

€ 5.157,57

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal, als onbetwist, worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

ontbindt de koopovereenkomst gesloten tussen [eiseres] en [gedaagde] ;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 28.353,39, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien [gedaagde] niet voordien aan deze veroordeling heeft voldaan;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 5.157,57, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien [gedaagde] niet voordien aan deze veroordeling heeft voldaan;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.1

1 type: ERM coll: