Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6199

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5330 T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke lus.

Doorzenden Wob-verzoek. Gedeeltelijk weigeren van de gevraagde informatie. Artikel 11 en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De vraag die de rechtbank bij het toetsen van de geweigerde passages moet beantwoorden is allereerst of de passages persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Vervolgens moet de rechtbank toetsen of die passages geweigerd mochten worden. Bij de beperkingsgrond om informatie openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob gaat het om de afweging van verweerder of het belang van een onevenredig nadeel zich verzet tegen het belang van openbaarmaking. De rechtbank toetst deze weging niet terughoudend, maar intensief. De rechtbank oordeelt eerst dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een nadeel bestaat, dat ook onevenredig is. Bestuursleden moeten namelijk in vertrouwen standpunten kunnen innemen en vrij met elkaar van gedachten kunnen wisselen in hun vergaderingen over zowel kwesties als verstrekte informatie, omdat anders de meningsvorming en het besluitproces onnodig kan worden gefrustreerd. De rechtbank zal daarom verder bij het toetsen van B-passages beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit belang van onevenredig nadeel zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Deze toets heeft de rechtbank op elke geweigerde passage toegepast. Verweerder krijgt de gelegenheid om de vastgestelde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5330 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Financieele Dagblad B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. T. Ponte),

en

het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG), verweerder

(gemachtigde: mr. C.N. van der Sluis).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres’ verzoeken om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels afgewezen en deels doorgezonden naar de ledenraad van de KBvG.

Bij besluit van 7 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen voor zover daarbij de verzoeken tot openbaarmaking zijn afgewezen. Verweerder heeft de gevraagde notulen van de bestuursvergadering gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Ook is aan de kant van eiseres [de man] , redacteur, verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. W.R.N. van de Donk, bestuursvoorzitter van de KBvG, en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaak tussen eiseres en de ledenraad van de KBvG, geregistreerd onder het zaaknummer AMS 16/4756. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken ter zitting gesloten.

Na de zitting heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst. Deze tussenuitspraak heeft dus alleen betrekking op deze zaak.

Overwegingen

De feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres heeft verweerder op 31 augustus 2015 verzocht om de notulen van de ledenvergaderingen van de KBvG van 2007 tot en met dat moment openbaar te maken (het Wob-verzoek I).

1.2. Op 12 oktober 2015 heeft eiseres het verzoek aangevuld en verweerder verzocht ook de notulen van de bestuursvergaderingen van de KBvG over de jaren 2011, 2012 en 2013 openbaar te maken (het Wob-verzoek II).

1.3. De beide verzoeken van eiseres beperken zich tot de onderwerpen die handelen over:

  • -

    de stichting netwerk gerechtsdeurwaarders (SNG);

  • -

    de berichtprijzen;

  • -

    de teruggave berichtprijzen;

  • -

    het staken van teruggave berichtprijzen;

  • -

    de verhouding tussen de SNG en de KBvG;

  • -

    de GBA-kwestie.

1.4. In het primaire besluit heeft verweerder het Wob-verzoek I doorgestuurd aan de ledenraad van de KBvG. Voorts heeft verweerder geweigerd om de gevraagde stukken van het Wob-verzoek II – de notulen van de bestuursvergaderingen – openbaar te maken.

De inhoud van het bestreden besluit

2.

2.1. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat hij het Wob-verzoek I terecht heeft doorgestuurd. Verweerder geeft daarbij aan dat hij niet beschikt over de notulen van de ledenvergadering en dat de ledenraad van de KBvG bovendien het bevoegde orgaan is om over het verzoek tot openbaarmaking van die notulen te oordelen.

2.2. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit de gevraagde stukken van het Wob-verzoek II – de notulen van de bestuursvergaderingen – deels openbaar gemaakt. Dit betreft de notulen van achttien bestuursvergaderingen, die voor een groot deel zwart zijn gemaakt. In de kantlijn is bij de zwartgemaakte passages een A of een B geplaatst. Verweerder heeft de A gebruikt voor de passages die niet handelen over onderwerpen waar eiseres om heeft verzocht (de A‑passages). De B heeft verweerder gebruikt bij passages die handelen over de verzochte onderwerpen, maar die hij weigert openbaar te maken (de B-passages).

2.3. Ten aanzien van de B-passages in de notulen stelt verweerder zich op het standpunt dat het gaat om documenten voor intern beraad die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De B‑passages weigert verweerder openbaar te maken omdat de informatie in die passages niet verstrekt kan worden in een vorm die niet tot personen herleidbaar is (artikel 11, tweede lid, van de Wob). De feiten zijn volgens verweerder zodanig verweven met de persoonlijke beleidsopvattingen, dat het niet mogelijk is de feiten en de persoonlijke beleidsopvattingen los van elkaar te zien. Daarnaast weigert verweerder de B‑passages openbaar te maken om te voorkomen dat hij of anderen onevenredig benadeeld worden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob). Verweerder heeft hierbij – samengevat – overwogen dat bestuursleden tijdens hun vergaderingen standpunten moeten kunnen innemen en vrij daarover van gedachten moeten kunnen wisselen. Verder wordt tijdens de vergaderingen informatie uitgewisseld en mogen bestuursleden erop vertrouwen dat dit alles niet openbaar wordt. Anders kan dat voor toekomstige vergaderingen belemmerend werken en het besluitproces frustreren, aldus verweerder.

3

Het doorzenden van het Wobverzoek I

3.1.

Eiseres voert aan dat verweerder het Wob-verzoek I ten onrechte aan de ledenraad van de KBvG heeft doorgezonden. Eiseres erkent dat de ledenraad een bestuursorgaan is, maar stelt dat dit orgaan niet bevoegd is om over het Wob-verzoek I te beslissen. Volgens de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) is verweerder het enige bestuursorgaan van de KBvG dat de KBvG naar buiten toe mag vertegenwoordigen. Daarbij behoort verweerder over gevraagde stukken van het Wobverzoek I – de notulen van de ledenvergadering – te beschikken, aldus eiseres.

3.2.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit artikel 58 van de Gdw volgt dat de ledenraad van de KBvG een bestuursorgaan is. De Gdw geeft dit bestuursorgaan bevoegdheden die op rechtsgevolg zijn gericht. Dit zijn onder meer het zorgdragen voor het algemene beleid van de KBvG (artikel 64 van de Gdw) en het vaststellen van verordeningen van de KBvG (artikel 65 van de Gdw). Ook heeft de ledenraad de bevoegdheid om het verslag van de besloten vergadering dat in beginsel niet openbaar is, alsnog openbaar te maken (artikel 72 van de Gdw). Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de ledenraad van de KBvG het bevoegde bestuursorgaan is om te beslissen over het al dan niet openbaar maken van de verslagen van de besloten vergadering.

3.3.

Het is weliswaar juist dat alleen verweerder de KBvG in het maatschappelijk- en rechtsverkeer mag vertegenwoordigen, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor het beantwoorden van de vraag wie de stukken mag of moet openbaren. De bevoegdheid om de KBvG te vertegenwoordigen is immers een andere dan de bevoegdheid om bepaalde verslagen openbaar te maken. En deze bevoegdheid ligt blijkens artikel 72 van de Gdw uitdrukkelijk bij de ledenraad. Verder ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan verweerders mededeling dat hij de stukken niet openbaar kan maken, omdat hij niet over de in het Wob-verzoek I gevraagde stukken beschikt.

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder het Wob-verzoek I terecht aan de ledenraad van de KBvG heeft doorgezonden. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Het gedeeltelijk weigeren van de gevraagde informatie van het Wob-verzoek II

4. Eiseres voert aan dat verweerder te rigoureus en ten onrechte de notulen van de bestuursvergadering heeft zwartgemaakt. Om deze beroepsgrond te beoordelen, heeft de rechtbank na afloop van de zitting kennis genomen van de achttien notulen van de bestuursvergadering.

De A-passages

5

5.1.

Eiseres bestrijdt – kort gezegd – het standpunt van verweerder dat het grootste deel van de notulen niet op de gevraagde onderwerpen betrekking heeft.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat het overgrote deel van de notulen inderdaad zijn zwartgemaakt. Het merendeel van die zwartgemaakte passages zijn door verweerder als A-passages aangemerkt, wat betekent dat die passages volgens verweerder niet op het Wob-verzoek II van eiseres zouden zien. Na kennisneming van de geheime stukken constateert de rechtbank dat daar waar in de openbaar gemaakte versie van de notulen een A bij de zwartgemaakte passages in de kantlijn staat – dus alle A-passages – die passages inderdaad geen betrekking hebben op de gevraagde onderwerpen. Dat betekent dat verweerder mocht weigeren om de A-passages openbaar te maken, omdat die buiten de omvang van het Wob-verzoek II vallen.

De B-passages

6

6.1.

Eiseres voert aan dat verweerder de ingeroepen uitzonderings- en beperkingsgronden onjuist heeft toegepast. Eiseres stelt dat verweerder bij de toepassing van artikel 11, tweede lid, van de Wob onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de informatie niet openbaar kan worden gemaakt, als die niet tot personen herleidbaar zijn. Hierbij merkt eiseres op dat verweerder ook niet aan de bestuursleden heeft gevraagd of ze hier bezwaar tegen hebben. Verder stelt eiseres dat verweerder niet artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob mag inroepen, omdat de belangen al worden beschermd door het inroepen van artikel 11 van de Wob.

6.2.

Deze laatste beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres stelt, geeft de Wob of de rechtspraak geen regel dat de weigering om eenzelfde deel van een stuk openbaar te maken niet op meer beperkings- of uitzonderingsgronden van de Wob gebaseerd mag worden. Dat betekent dat verweerder zowel artikel 11 als artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ten grondslag mag leggen aan de weigering om de B-passages openbaar te maken.

6.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bestuursvergaderingsnotulen documenten zijn van intern beraad als bedoeld in het eerste lid van artikel 11 van de Wob. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de notulen ook persoonlijke beleidsopvattingen bevatten van bestuursleden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat onder persoonlijke beleidsopvattingen ook opvattingen van derden vallen, die tijdens de bestuursvergadering ingebracht worden. Verder zijn persoonlijke beleidsopvattingen niet beperkt tot beleidsopvattingen van één persoon, maar kunnen ook beleidsopvattingen van een orgaan betreffen, in dit geval het bestuur. Dat betekent dat onder persoonlijke beleidsopvattingen in deze zaak zowel de beleidsopvattingen vallen van de bestuursleden of derden afzonderlijk, als de beleidsopvattingen van het bestuur als geheel. De vraag die de rechtbank bij het toetsen van de B-passages moet beantwoorden is allereerst of de passages persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Vervolgens moet de rechtbank toetsen of die passages geweigerd mochten worden, omdat:

  • -

    i) de andere informatie die de passages bevat dusdanig verweven is met persoonlijke beleidsopvattingen, of

  • -

    ii) de passages niet in een zodanige vorm konden worden verstrekt dat die niet herleidbaar was tot personen of het bestuur in zijn geheel.

6.4.

Bij de beperkingsgrond om informatie openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob gaat het om de afweging van verweerder of het belang van een onevenredig nadeel zich verzet tegen het belang van openbaarmaking. De rechtbank toetst deze weging niet terughoudend, maar intensief. De rechtbank oordeelt eerst dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een nadeel bestaat, dat ook onevenredig is. Bestuursleden moeten namelijk in vertrouwen standpunten kunnen innemen en vrij met elkaar van gedachten kunnen wisselen in hun vergaderingen over zowel kwesties als verstrekte informatie, omdat anders de meningsvorming en het besluitproces onnodig kan worden gefrustreerd. De rechtbank zal daarom verder bij het toetsen van B-passages beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit belang van onevenredig nadeel zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.

6.5.

De toets als geformuleerd in rechtsoverweging 6.3 en 6.4 heeft de rechtbank, na kennisname van de stukken, op iedere B-passage in de achttien documenten toegepast. De rechtbank heeft de notulen genummerd met de nummers (1) tot en met (18). Hieronder volgt per document en per pagina van dat document de bespreking.

Document (1): de notulen van de bestuursvergadering van 7 maart 2011

6.6.

Na kennisname van document (1) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.7.

De informatie in de B-passage op pagina 5 zijn namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar was tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de twee B-passages op pagina 8.

6.8.

Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer, omdat het niet tot een ander oordeel kan leiden.

Document (2): de notulen van de bestuursvergadering van 2 mei 2011

6.9.

Na kennisname van document (2) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.10.

De informatie in de B-passages op pagina 6, eerste alinea, tweede alinea en derde alinea zijn namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar was tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de B-passage op pagina 7.

6.11.

Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer, omdat het niet tot een ander oordeel kan leiden.

Document (3): de notulen van de bestuursvergadering van 6 juni 2011

6.12.

Na kennisname van document (3) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.13.

De informatie in de B-passage op pagina 7 is namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar was tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de B-passage op pagina 9.

6.14.

Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer, omdat het niet tot een ander oordeel kan leiden.

Document (4): de notulen van de bestuursvergadering van 5 december 2011

6.15.

Document (4) bevat geen B-passages, maar alleen A-passages. Zoals al onder 5.2 is overwogen, constateert de rechtbank dat de A-passages in deze notulen niet gaan – ook niet zijdelings – over de onderwerpen waar eiseres om heeft gevraagd.

Document (5): de notulen van de bestuursvergadering van 6 februari 2012

6.16.

Na kennisname van document (5) is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit stuk niet in zijn geheel op artikel 11 of artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob mocht weigeren.

6.17.

De rechtbank is namelijk van oordeel dat de B-passage op pagina 2 niet in haar geheel lijkt te bestaan uit persoonlijke beleidsopvattingen. Zonder nadere toelichting van verweerder is het voor de rechtbank niet duidelijk waarom de tweede zwartgemaakte zin hieronder zou vallen (de zin: “O(…)…(…)k.”). Evenmin valt dit samen met de huidige belangenafweging van verweerder onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De passage lijkt namelijk niet te slaan op het door verweerder gebruikte onevenredige nadeel, te weten het frustreren van meningsvorming en besluitproces in de bestuursvergadering.

6.18.

Voor de overige zinnen in de B-passage op pagina 2 is de informatie naar het oordeel van de rechtbank zodanig verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder daarom mocht weigeren dat deel van de passage openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de B-passage op pagina 3.

Document (6): de notulen van de bestuursvergadering van 11 mei 2012

6.19.

Na kennisname van document (6) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.20.

De rechtbank is van oordeel dat de B-passage op pagina 7 geen persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Hierdoor valt deze passage niet onder artikel 11 van de Wob. Wel valt deze passage onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

Document (7): de notulen van de bestuursvergadering van 29 juni 2012

6.21.

Na kennisname van document (7) is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit stuk niet in zijn geheel op artikel 11 of artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob mocht weigeren.

6.22.

De rechtbank is van oordeel dat de B-passage op pagina 6 niet in zijn geheel lijkt te bestaan uit persoonlijke beleidsopvattingen. Zonder nadere toelichting van verweerder is het voor de rechtbank niet duidelijk waarom de eerste zwartgemaakte zin hieronder zou vallen (de zin: “ [de persoon] …(…)e.”). Evenmin valt dit te rijmen met de huidige belangenafweging onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Het lijkt namelijk ook niet te slaan op het door verweerder gebruikte onevenredige nadeel, te weten het frustreren van meningsvorming en besluitproces in de bestuursvergadering.

6.23.

De informatie in de B-passages op pagina 2 en pagina 8 is naar het oordeel van de rechtbank daarentegen zodanig sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder deze passages daarom mocht weigeren openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden.

Document (8): de notulen van de bestuursvergadering van 3 september 2012

6.24.

Na kennisname van document (8) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.25.

De informatie in de B-passage op pagina 2 is namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder daarom mocht weigeren deze passage openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden.

6.26.

Voorts valt de informatie in de B-passages vanaf pagina 3 tot en met pagina 5 deels onder artikel 11 van de Wob en deels onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Bij de delen die vallen onder artikel 11 van de Wob is de informatie naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Van de delen die vallen onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

Document (9): de notulen van de bestuursvergadering van 7 september 2012

6.27.

Na kennisname van document (9) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.28.

De informatie in de B-passages vanaf pagina 1 tot en met pagina 3 vallen deels onder artikel 11 van de Wob en deels onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Bij de delen die vallen onder artikel 11 van de Wob is de informatie naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Van de delen die vallen onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

Document (10): de notulen van de bestuursvergadering van 11 september 2012

6.29.

Na kennisname van document (10) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.30.

De informatie in de B-passage op pagina 1 valt deels onder artikel 11 van de Wob en deels onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Bij de delen die vallen onder artikel 11 van de Wob is de informatie naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Van de delen die vallen onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

Document (11): de notulen van de bestuursvergadering van 12 oktober 2012

6.31.

Na kennisname van document (11) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.32.

De informatie in de B-passage op pagina 2 is namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de B-passages op pagina 4, pagina 12 en de pagina’s 14 en 15.

6.33.

Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Document (12): de notulen van de bestuursvergadering van 23 november 2012

6.34.

Na kennisname van document (12) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.35.

De informatie in de B-passages op pagina 1 en pagina 2 is namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, zodat verweerder daarom mocht weigeren deze passages openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden.

6.36.

Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Document (13): de notulen van de bestuursvergadering van 17 december 2012

6.37.

Na kennisname van document (13) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.38.

De informatie in de B-passage op pagina 2 is naar het oordeel van de rechtbank zodanig verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder daarom mocht weigeren deze passage openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de twee B-passages op pagina 5.

6.39.

Dat betekent dat verweerder de B-passages mocht weigeren openbaar te maken. Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer.

Document (14): de notulen van de bestuursvergadering van 4 maart 2013

6.40.

Na kennisname van document (14) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.41.

De informatie in de B-passage op pagina 5, eerste en tweede alinea, valt deels onder artikel 11 van de Wob en deels onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De eerste alinea valt onder artikel 11 van de Wob en is naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. De tweede alinea valt onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De rechtbank is hierbij van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

6.42.

Voorts is de informatie in de B-passage op pagina 6 naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden.

Document (15): de notulen van de bestuursvergadering van 8 april 2013

6.43.

Na kennisname van document (15) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.44.

De informatie in de B-passage op pagina 3 is naar het oordeel van de rechtbank zodanig verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder daarom mocht weigeren deze passage openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden.

6.45.

De informatie in de B-passage op pagina 5 valt deels onder artikel 11 van de Wob en deels onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Bij de delen die vallen onder artikel 11 van de Wob is de informatie naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Van de delen die vallen onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

Document (16): de notulen van de bestuursvergadering van 3 juni 2013

6.46.

Na kennisname van document (16) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.47.

De informatie in de B-passage op pagina 6 is namelijk sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden.

6.48.

Hierdoor hoeft de beperkingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen bespreking meer, omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel.

Document (17): de notulen van de bestuursvergadering van 2 september 2013

6.49.

Na kennisname van document (17) is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit stuk niet in zijn geheel op artikel 11 of artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob mocht weigeren.

6.50.

De rechtbank constateert namelijk dat op pagina 6 en op pagina 8 van de zwartgemaakte stukken geen letter A of B in de kantlijn staat. Het is niet aan de rechtbank, maar aan verweerder om weigeringsgronden voor openbaarmaking te bepalen. Omdat het voor de rechtbank niet inzichtelijk is waarom de zwartgemaakte passages zijn geweigerd, heeft verweerder dit stuk niet in zijn geheel mogen weigeren.

6.51.

De rechtbank is verder van oordeel dat de B-passage op pagina 12 valt onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

Document (18): de notulen van de bestuursvergadering van 7 oktober 2013

6.52.

Na kennisname van document (18) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de B‑passages mocht weigeren openbaar te maken.

6.53.

De informatie in de B-passage op pagina 3 valt deels onder artikel 11 van de Wob en deels onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Bij de delen die vallen onder artikel 11 van de Wob is de informatie naar het oordeel van de rechtbank sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Van de delen die vallen onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het niet frustreren van de meningsvorming en het besluitproces in de bestuursvergadering, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking, omdat bij openbaarmaking bestuursleden in de toekomst zich belemmerd voelen vrij en in vertrouwelijkheid hun standpunten in kwesties in te nemen of informatie uit te wisselen.

6.54.

Verder is de informatie in de B-passages op pagina 7 sterk verweven met persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder daarom mocht weigeren deze passage openbaar te maken. Daarnaast mocht verweerder overwegen dat de informatie niet terug te brengen is tot een vorm die niet herleidbaar is tot de bestuursleden, het bestuur of derden. Dit geldt ook voor de B-passages op pagina 8, 9 en 10.

Conclusie

7

7.1.

Samengevat heeft verweerder de notulen met de nummers (1) tot en met (4), (6), (7, met uitzondering van pagina 6) tot en met (16) en (18) mogen weigeren openbaar te maken in de vorm zoals nu verstrekt.

7.2

Bij de notulen met de nummers (5), (7, pagina 6) en (17) heeft verweerder op basis van zijn thans gegeven motivering, niet alle B-passages mogen weigeren openbaar te maken. Naar het oordeel van de rechtbank vertoont de onderbouwing van verweerder soms een kenbaar en soms ook een niet deugdelijk motiveringsgebrek, zoals blijkt uit de rechtsoverwegingen 6.17, 6.22 en 6.50. Het bestreden besluit is vanwege die motiveringsgebreken in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7.3

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken en verweerder in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 genoemde motiveringsgebreken te herstellen. Het is daarbij aan verweerder om zich te beraden over het mogelijk alsnog openbaar maken van deze passages dan wel over het geven van een aanvullende motivering waarom de betreffende passages niet openbaar gemaakt mogen worden. Wanneer verweerder tot het laatste besluit, moet verweerder voor de notulen met de nummers (5), (7) en (17) nader motiveren welke beperkingsgrond met welke motivering hij ten grondslag legt aan de weigering om de betreffende B-passages openbaar te maken.

7.4

Verweerder kan de motiveringsgebreken herstellen met het geven van een aanvullende motivering of met het nemen van een aanvullend of nieuw besluit op bezwaar al dan niet met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7.5

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de reactie en het mogelijk herstel van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

7.6

Het geding, zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 20131.

7.7

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de notulen met de nummers (5), (7) en (17) te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. E.J. Otten, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 ECLI:NL:RVS:2013:CA2877