Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6099

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
AMS 17/2350
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van een bijzondere omstandigheid die een eerdere ingangsdatum van de AIO-aanvulling rechtvaardigt. Verweerder heeft niet alle feiten bij zijn besluitvorming betrokken. Nu zowel eiseres als verweerder een verwijt kan worden gemaakt van het gehanteerde onjuiste uitgangspunt voor de AOW is ook een verdergaande terugwerkende kracht van de wijziging van het AOW-pensioen gerechtvaardigd. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf en veroordeelt verweerder in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. H. Beekelaar),

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend vanaf 16 juni 2016.

Bij afzonderlijk besluit van 20 oktober 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder het pensioen van eiseres op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) gewijzigd en eiseres vanaf 1 juli 2015 een pensioen voor een alleenstaande toegekend.

Bij besluit van 1 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de wijziging van de AOW ongegrond verklaard en tegen de ingangsdatum van de AIO-aanvulling gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij beslist dat de AIO-aanvulling wordt toegekend met ingang van 15 juni 2016. Verder heeft verweerder een vergoeding van € 990,- voor proceskosten toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar [dochter] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

De rechtbank ontleent de feiten en omstandigheden uit het dossier, het verhandelde ter zitting en de uitspraak van deze rechtbank van 4 juni 2017, zaaknummer AMS 17/1060.

1. Eiseres heeft op 22 november 2012 een AOW-pensioen aangevraagd. Bij ‘mijn partner’ staat [de man] vermeld.

2. Bij besluit van 3 mei 2013 heeft verweerder eiseres vervolgens een AOW-pensioen toegekend, naar de norm van een gehuwde.

3. Op 7 mei 2013 heeft eiseres een aanvraag voor een AIO-aanvulling ingediend. Op het aanvraagformulier is aangekruist dat eiseres alleenstaand is.

4. Bij besluit van 14 juni 2013 heeft verweerder eiseres vervolgens een AIO-aanvulling toegekend, naar de norm van een alleenstaande.

5. Naar aanleiding van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de toegekende AIO-aanvulling heeft verweerder met een besluit van 23 december 2015 de AIO-aanvulling van eiseres met ingang van januari 2016 geschorst. Het onderzoek had betrekking op schending van de inlichtingenplicht omdat eiseres niet heeft opgegeven dat zij mede-eigenaar is van een woning in Suriname. Vervolgens heeft verweerder met een besluit van 3 juni 2016 de AIO-aanvulling beëindigd en € 121.225,14 teruggevorderd. In de beslissing op bezwaar tegen dit besluit heeft verweerder de datum van intrekking gewijzigd en bepaald dat eiseres € 18.932,12 dient terug te betalen. De rechtbank heeft op 4 augustus 2017 het beroep dat appellante heeft ingesteld tegen dit besluit, ingeschreven onder zaaknummer AMS 17/1060, ongegrond verklaard.

6. Eiseres heeft op 15 juni 2016 opnieuw een aanvraag voor een AIO-aanvulling ingediend, met ingang van 23 december 2015. Vervolgens hebben eiseres en [de man] de door verweerder toegezonden formulieren onderzoek woonsituatie ingevuld teruggestuurd. Verweerder heeft daarbij op 1 juli 2016 van eiseres het door verweerder gebruikte aanvraagformulier voor een AIO-aanvulling ingevuld ontvangen. Daarop is bij ‘gegevens partner’ ‘duurzaam gescheiden’ vermeld.

7. Bij het primaire besluit I heeft verweerder eiseres opnieuw een AIO-aanvulling toegekend vanaf 16 juni 2016.

8. Bij het primaire besluit II heeft verweerder het AOW-pensioen van eiseres gewijzigd en eiseres vanaf 1 juli 2015 een pensioen voor een alleenstaande toegekend.

9. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de wijziging van de AOW ongegrond verklaard en tegen de ingangsdatum van de AIO-aanvulling gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij beslist dat de AIO-aanvulling wordt toegekend met ingang van 15 juni 2016. Verder heeft verweerder een vergoeding van € 990,- voor proceskosten toegekend.

Ingangsdatum van de AIO-aanvulling

10. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) stelt het college (in het geval van een AIO-aanvulling: de Svb) het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. Wanneer is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

11. Volgens vaste rechtspraak over toepassing van artikel 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (de gelijkluidende artikelen van de voorganger van de Pw) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgewezen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.1

12. Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een toekenning per een eerdere datum mogelijk is.

13. Eiseres heeft aangevoerd dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum dan 15 juni 2016 rechtvaardigen. Volgens eiseres had verweerder eerder dan in juni 2016 kunnen en moeten beslissen over de beëindiging van de AIO-aanvulling.

14. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek naar de rechtmatigheid van de toegekende AIO-aanvulling – onder meer – de taxatie van de woning in Suriname betrof. Op 25 januari 2016 heeft een taxatie plaatsgevonden van een woning in Suriname. Eiseres heeft medio maart bij verweerder gemeld dat de verkeerde woning is getaxeerd. Blijkens een interne notitie heeft verweerder naar aanleiding van deze melding op 10 mei 2016 actie ondernomen. Daarna heeft op 13 mei 2016 een hertaxatie plaatsgevonden, waarna op 3 juni 2016 het terugvorderingsbesluit is gevolgd.

15. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die een eerdere ingangsdatum van de AIO-aanvulling rechtvaardigt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat indien eiseres zich voorafgaande aan het besluit van 3 juni 2016 had gemeld, haar aanvraag voor een AIO-aanvulling zou zijn afgewezen. Het opnieuw aanvragen van de aanvulling is dus pas mogelijk op het moment dat de bestaande AIO-aanvulling is beëindigd. In dit geval is vertraging ontstaan in de besluitvorming over de beëindiging van de bestaande AIO-aanvulling omdat door een fout van de taxateur aanvankelijk de verkeerde woning is getaxeerd. Daardoor kon eiseres pas na 3 juni 2016 een aanvraag voor een nieuwe AIO-aanvulling indienen. De rechtbank is van oordeel dat de fout van de taxateur aan verweerder dient te worden toegerekend. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Raad van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2750. Daarbij komt dat nadat eiseres de fout medio maart had gemeld, verweerder pas op 10 mei 2016 actie heeft ondernomen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een bijzonder geval. Verweerder heeft niet alle hiervoor genoemde aspecten bij zijn besluitvorming betrokken. Alles overziend had de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht moeten worden toegekend met ingang van 1 april 2016. Het besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en daarmee onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Ingangsdatum van de wijziging van het AOW-pensioen

16. Tussen partijen is in geschil of de verhoging van de uitkering vanwege wijziging van de norm van een gehuwde naar de norm van een alleenstaande eerder moet ingaan dan 1 juli 2015.

17. Verweerder heeft het verzoek van eiseres opgevat als een verzoek om terug te komen van het toekenningsbesluit van 3 mei 2013. Met toepassing van haar beleid heeft verweerder het AOW-pensioen gewijzigd naar de norm van een alleenstaande vanaf 1 juli 2015. Het bezwaar tegen de ingangsdatum heeft verweerder ongegrond verklaard. Volgens verweerder staat niet ter discussie dat eiseres en [de man] ook voor 1 juli 2015 duurzaam gescheiden leefden. Eiseres heeft dit bij haar aanvraag en telefonisch contact echter niet gemeld. Daarmee was er voor verweerder geen reden voor nader onderzoek. Eiseres heeft voor het eerst op het aanvraagformulier voor de AIO-aanvulling ontvangen op 1 juli 2016 vermeld dat zij en [de man] duurzaam gescheiden leefden. Daarom wordt het AOW-pensioen herzien met terugwerkende kracht van één jaar met ingang van 1 juli 2016. Volgens verweerder is geen sprake van een bijzonder geval, dat een langere terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. Daarmee is niet meer relevant of sprake is van een situatie van hardheid, aldus verweerder.

18. Eiseres heeft aangevoerd dat zij al met het formulier van 7 mei 2013 kenbaar heeft gemaakt dat zij en [de man] duurzaam gescheiden leefden. Daarom moet de wijziging van de AOW eerder ingaan, aldus eiseres.

19. Verweerder heeft het verzoek van eiseres naar het oordeel van de rechtbank terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het toekenningsbesluit van 3 mei 2013 en daarmee als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en het bestuursorgaan ter zake beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.2

20. Verweerder heeft ten aanzien van een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit beleidsregels ontwikkeld (SB1076). Verweerder hanteert als beleid dat hij zich in redelijkheid gehouden acht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht. Volgens dit beleid kan een uitkering met een terugwerkende kracht van één jaar worden herzien indien de onjuistheid van een eerder besluit niet is te wijten aan een fout van verweerder en met een terugwerkende kracht tot een maximum van vijf jaar indien de onjuistheid het gevolg is van een fout van verweerder.

21. Van een onjuist besluit als gevolg van een fout van verweerder is volgens het beleid sprake van verweerder op basis van de gegevens die ten tijde van de toekenning beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van verweerder beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. Volgens vaste rechtspraak is dit beleid niet kennelijk onredelijk.3

22. Verweerder heeft zich met inachtneming van zijn beleid op het standpunt gesteld dat de onjuistheid van het toekenningsbesluit van 3 mei 2013 geen gevolg is van een fout van verweerder. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

23. Verweerder heeft eiseres een aanvraagformulier voor een AOW-pensioen toegezonden, waarop onder ‘mijn partner’ de gegevens van [de man] zijn voorgedrukt. Als toelichting wat onder ‘mijn partner’ moet worden verstaan staat weergegeven dat partner degene is met wie betrokkene op hetzelfde adres woont. Tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat zij en [de man] niet op hetzelfde adres in Nederland hebben gewoond. Eiseres is in 1992 alleen naar Nederland gekomen. Verweerder heeft dit niet bestreden. Verweerder heeft dus ten onrechte de gegevens van [de man] in het formulier opgenomen. Het gegeven dat [de man] niet op hetzelfde adres stond ingeschreven was bovendien beschikbaar voor verweerder via (destijds) de gemeentelijke basisadministratie. Uit de toelichting op de aanhef ‘mijn partner’ had eiseres echter moeten opmaken dat de voorgedrukte informatie onjuist was en had zij deze informatie moeten doorhalen. Eiseres heeft dit verzuimd.

24. Na toekenning van het AOW-pensioen bij besluit van 3 mei 2013 heeft eiseres op 7 mei 2013 een aanvraagformulier voor een AIO-aanvulling ingediend. Op dit formulier is aangekruist ‘alleenstaand’. Hieronder staat vermeld: ‘Ik ben alleenstaand. Ik woon niet met een ander samen.’ Eiseres heeft dus vier dagen na het toekenningsbesluit op dezelfde vraag een verschillend antwoord gegeven. Dat voor de AOW en de AIO verschillende alleenstaande-begrippen werden gehanteerd zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, blijkt niet uit de vraagstelling op de formulieren en is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Deze verschillende informatie naar aanleiding van dezelfde vraag in korte tijd, had naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder reden moeten zijn voor nader onderzoek. Dat is ten onrechte niet gebeurd.

25. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij zijn beoordeling dat hem geen verwijt kan worden gemaakt niet alle hiervoor genoemde aspecten heeft betrokken. Nu zowel eiseres als verweerder een verwijt kan worden gemaakt heeft verweerder ook ten onrechte bepaald dat de terugwerkende kracht een jaar is. In dit geval is een terugwerkende kracht van drie jaar gepast. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en daarmee onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt ook.

Conclusie

26. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij ingangsdatum van de AIO-aanvulling is bepaald op 15 juni 2016 en voor zover daarbij het AOW-pensioen is herzien met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de ingangsdatum van de AIO-aanvulling wordt bepaald op 1 april 2016, het primaire besluit II wordt herroepen en de ingangsdatum van de wijziging van het AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande wordt bepaald op 1 juli 2013.

27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1485,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit II, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij ingangsdatum van de AIO-aanvulling is bepaald op 15 juni 2016 en voor zover daarbij het AOW-pensioen is herzien met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015;

  • -

    herroept het primaire besluit II, bepaalt de ingangsdatum van de wijziging van het AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande op 1 juli 2013 en bepaalt de ingangsdatum van de AIO-aanvulling op 1 april 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 5 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:7.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:881.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1899.