Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5980

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
13/665364-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man uit Hannover (Duitsland) is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaar voor doodslag op een 51-jarige man in de [adres 1] in Amsterdam-West, in mei 2016. De man is vrijgesproken van de diefstal van enkele waardevolle Griekse iconen uit de woning van zijn slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665364-16 (Promis)

Datum uitspraak: 17 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Griekenland) op [geboortedag verdachte] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijvende op het adres [adres, te plaats] (Duitsland) ,

gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.H. de Kraker-Koch en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F. Slewe naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van hetgeen [naam 1] en [naam 2] , nabestaanden van [slachtoffer] , al dan niet bij monde van hun raadsvrouw mr. L. Harteveld, naar voren hebben gebracht en van hun schriftelijke verzoeken tot schadevergoeding.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 02 mei 2016 tot en met 04 mei 2016 te Amsterdam, in een woning gelegen aan de [adres 1] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem een of meerdere snijverwonding(en) aan de hals toe te brengen, ten gevolge waarvan hij, [slachtoffer] , door hevig bloedverlies is overleden, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een of meerdere Griekse ico(o)n(en) en/of een of meerdere ander(e) goed(eren), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair:

hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 02 mei 2016 tot en met 04 mei 2016 te Amsterdam, in een woning gelegen aan de [adres 1] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door hem een of meerdere snijverwonding(en) aan de hals toe te brengen, ten gevolge waarvan hij, [slachtoffer] , door hevig bloedverlies is overleden;

en/of

hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 02 mei 2016 tot en met 04 mei 2016 te Amsterdam, in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere Griekse ico(o)n(en) en/of een of meerdere ander(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat in de woning van [slachtoffer] verschillende DNA-sporen en dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen. Sommige van deze sporen moeten kort voor de dood van [slachtoffer] in de woning terecht zijn gekomen. Ook zijn in de woning van verdachte Griekse iconen van [slachtoffer] (waar [slachtoffer] erg aan was gehecht) aangetroffen. In de woning van het slachtoffer zijn voorts afdrukken van schoenzolen aangetroffen. Deze schoenzoolprofielen komen overeen met profielen van schoenen van het merk Nike Airmax 2016 . Verdachte heeft op 29 april 2016 schoenen van dat merk en type gekocht, maar deze schoenen zijn niet teruggevonden bij verdachte. Daar komt bij dat verdachte heeft geprobeerd te bewerkstelligen dat zijn ex-vriendin en/of zijn moeder hem een alibi zou(den) verschaffen. Ook heeft hij een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd over het bestaan van een tweelingbroer. Volgens verdachte zou deze tweelingbroer [slachtoffer] om het leven hebben gebracht. Het bestaan van deze tweelingbroer blijkt echter nergens uit en bovendien is er een vingerafdruk van verdachte in de woning van [slachtoffer] aangetroffen. Zelfs bij eeneiige tweelingen zijn vingerafdrukken uniek. Nu een aannemelijke en verifieerbare verklaring van verdachte voor de zojuist genoemde feiten en omstandigheden achterwege is gebleven, dient volgens de officier van justitie bewezen te worden verklaard dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Het scenario dat [slachtoffer] zichzelf van het leven heeft beroofd wordt weerlegd door de afwezigheid van een scherp voorwerp in de directe nabijheid van het lichaam van [slachtoffer] , door de aard en locatie van zijn verwondingen en door het bloedsporenpatroon in zijn woning.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Formeel verweer: specialiteitsbeginsel

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de subsidiair ten laste gelegde diefstal van de Griekse iconen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte is overgeleverd vanuit Duitsland naar Nederland op basis van een Europees aanhoudingsbevel. De Duitse Hoofdofficier van Justitie heeft bij de overlevering slechts toestemming gegeven voor vervolging wegens gekwalificeerde doodslag, maar niet voor de (in de subsidiaire variant) ten laste gelegde diefstal.

Ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag en de subsidiair ten laste gelegde moord/doodslag. De raadsman heeft aangevoerd dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode in Amsterdam bevond. Er kan voorts niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld wat er zich tussen 2 mei 2016 en 4 mei 2016 in de woning van [slachtoffer] heeft afgespeeld. Op basis van het dossier zijn verschillende scenario’s mogelijk. Ten eerste is het mogelijk dat [slachtoffer] de verwondingen bij zichzelf heeft aangebracht. Dit kan volgens het rapport Bloedspoorpatroonanalyse niet worden uitgesloten en door de schouwarts is geconcludeerd dat de wonden van [slachtoffer] het meest doen denken aan zelf toegebrachte verwondingen. Daarnaast is in de woning een mes gevonden waarop bloed van [slachtoffer] is aangetroffen en op het heft van dat mes zat DNA van [slachtoffer] . Hij heeft zichzelf mogelijk met dit mes verwond. Verder volgt uit het dossier dat [slachtoffer] psychische problemen had, manisch depressief was, en dat hij in 1998 al eens een zelfmoordpoging heeft gedaan. Ten tweede kan niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] om het leven is gebracht door een onbekende derde. Op de handdoek die op de bank lag is immers een DNA-profiel van drie personen aangetroffen, waaronder dat van een onbekend persoon. Ten derde zou de tweelingbroer van verdachte verantwoordelijk kunnen zijn voor de dood van [slachtoffer] . De DNA-sporen die zijn gevonden in de woning van [slachtoffer] komen met het DNA-profiel van deze tweelingbroer overeen.

Mocht de rechtbank er van overtuigd zijn dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, dan blijkt uit het dossier niet dat verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk zich de twee iconen wederrechtelijk toe te eigenen. Gelet hierop zal de rechtbank tot een partiële vrijspraak van het primair ten laste gelegde dienen te komen. Het resterende deel van het primair ten laste gelegde (doodslag) kan dan bewezen worden verklaard. Aan een beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde komt de rechtbank dan niet meer toe.

Als de rechtbank die redenering niet volgt en wel aan beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde (moord of doodslag) toekomt, kan het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet bewezen worden verklaard. Uit het dossier kan niet worden geconcludeerd dat verdachte aan [slachtoffer] het slaapmiddel Zopiclon heeft toegediend, en zo ja, in welke hoeveelheid. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van moord.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank 1

Op woensdag 4 mei 2016 omstreeks 15.05 uur werd een politieambtenaar aangesproken door de bewoner van de [adres 2] te Amsterdam. Deze bewoner verklaarde dat hij al drie dagen zijn onderbuurman van perceelnummer [adres 1] niet had gezien en dat hij een penetrante lucht rook in het trappenhuis. Hierop werd door de politieambtenaar een onderzoek ingesteld bij de woning van perceel [adres 1] te Amsterdam. De politieambtenaar rook door de brievenbus een vreemde lucht. Nadat de voordeur om 16:30 uur was geforceerd werd op het bed in de slaapkamer van de woning het levenloze lichaam van een man aangetroffen.2 Vingerafdrukken wezen uit dat de overleden man [slachtoffer] was, geboren op [geboortedag slachtoffer] -1964 te Griekenland.3

4.3.1.

Is er sprake van een misdrijf?

Schouwarts A. Beijering is naar de woning gegaan en stelde vast dat het lichaam in vergaande staat van ontbinding was. Er waren twee snijwonden in de hals van [slachtoffer] zichtbaar. Deze wonden zijn toegebracht met een scherp voorwerp. Er was geen afweerletsel zichtbaar. Beijering kwam tot de conclusie dat de lokalisatie en het patroon van de wonden het meest doen denken aan zelf toegebrachte verwondingen. Omdat er echter geen scherp voorwerp in de nabijheid van het lichaam van [slachtoffer] werd aangetroffen, werd door Beijering een gerechtelijke sectie geadviseerd.4

De gerechtelijke sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] werd verricht door patholoog dr. A. Maes , verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De resultaten van dit onderzoek heeft Maes vastgelegd in een rapport van 28 juli 2016 . Daarin constateert Maes dat de letsels in de hals vitaal waren en kunnen passen bij meermalen snijden met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes. De vorm van de verwondingen in de hals is suggestief voor ten minste 4 maal een heen en weergaande snijbeweging in de hals. De grote vaten links (ader en slagader) waren doorgenomen met veel begeleidende bloeduitstorting. Het overlijden kan als gevolg van het daardoor opgetreden massale bloedverlies worden verklaard op grond van zuurstofgebrek en algehele weefselschade. Naast deze verwondingen aan de hals werd ander letsel geconstateerd, namelijk snijverwondingen in het gezicht, aan de linkerschouder, aan de romp en aan de buik. Ook werd een onderhuidse bloeduitstorting links ter hoogte van de slaap gezien die als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend stomp botsend geweld is ontstaan, bijvoorbeeld door een slag of stoot of ergens tegenaan botsen. Maes concludeert dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig klievend geweld (snijverwondingen) aan de hals. Het is niet mogelijk om op grond van de sectiebevindingen een volgorde aan te geven in het oplopen van de diverse verwondingen. Vermoedelijk is de dood snel (minuten) na het oplopen van de halsletsels ingetreden. Maes concludeert daarnaast dat op grond van de sectiebevindingen niet is aan te geven of de letsels door [slachtoffer] zelf zijn toegebracht. Geweld door derden is evenmin uit te sluiten, aldus Maes .5

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van snijverwondingen in de hals en het daardoor veroorzaakte bloedverlies. De snijverwondingen zijn ontstaan doordat met een scherp snijdend voorwerp meerdere heen en weergaande snijbewegingen zijn gemaakt. Gelet op de aard en wijze van het ontstaan van deze snijverwondingen acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] deze verwondingen zichzelf heeft toegebracht. De aanwezigheid van andere snijverwondingen in het gezicht en op het lichaam van [slachtoffer] en de bloeduitstorting op zijn slaap vormen voor de rechtbank ook een indicatie dat het hier geen zelfdoding betreft. Het dossier bevat bovendien geen aanwijzingen dat [slachtoffer] in acute psychische nood verkeerde. Ook zijn er geen aanwijzingen dat [slachtoffer] op zijn dood heeft geanticipeerd. Er is bijvoorbeeld geen afscheidsbrief aangetroffen en [slachtoffer] had blijkbaar het plan om op 4 mei 2016 naar Meppel te gaan.6 Bovendien is er geen scherp voorwerp aangetroffen in de directe nabijheid van het lichaam van [slachtoffer] . Nu de verwondingen aan de hals veel bloedverlies tot gevolg hebben gehad en de dood kort na het oplopen daarvan moet zijn ingetreden, acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] het gebruikte scherpe voorwerp na gebruikmaking ervan zou hebben verplaatst. Dit zou ook in een ander bloedsporenpatroon hebben geresulteerd.

De rechtbank is daarom van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de snijverwondingen in de hals van [slachtoffer] door een derde zijn toegebracht en dat er dus geen sprake is van zelfdoding.

4.3.2.

Tijdstip van overlijden

Voor beantwoording van de vraag wanneer [slachtoffer] is overleden, acht de rechtbank het volgende van belang. Uit het sectierapport is gebleken dat er reeds gevorderde postmortale veranderingen aanwezig waren, passend bij een postmortaal interval van enkele dagen geleden in een warme omgeving. Op 4 mei 2016 is door de politie een zeer hoge temperatuur in de woning van [slachtoffer] waargenomen. De historische gegevens van Liander laten vanaf 2 mei 2016 een toename in gasverbruik zien.7 Voorts is [slachtoffer] op 2 mei 2016 voor het laatst gezien bij [naam stichting]8. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] tussen 2 mei 2016 en 4 mei 2016 om het leven is gebracht.

4.3.3.

Is verdachte de dader?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Uit twee politiemutaties van maart 2015 blijkt dat verdachte en [slachtoffer] elkaar kenden. Dit is door getuige [getuige] , medewerkster bij [naam inloophuis], bevestigd.

In de woning van [slachtoffer] is een uitgebreid forensisch sporenonderzoek uitgevoerd, waarbij diverse sporen zijn bemonsterd en veiliggesteld. De volgende sporen zijn in het bijzonder van belang.

Onderbroek in de badkamer

In de badkamer hing over een toiletborstel een onderbroek. Op de onderbroek zat op verschillende plaatsen bloed. De grootste hoeveelheid bloed concentreerde zich op de linker voorzijde van de onderbroek.9 Op de binnenzijde van de tailleband is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen. In dit mengprofiel zijn DNA-nevenkenmerken van [slachtoffer] en een afgeleid DNA-hoofdprofiel van een op dat moment nog onbekende man A gevonden.10

In de Duitse databank werd nadien een match gevonden van dit spoor met verdachte.11

Bloedspat in de hal

Op de laminaatvloer in de hal is een bloedspat gevonden.12 Hierin werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA van [slachtoffer] . Daarnaast zijn er DNA-nevenkenmerken aanwezig die matchen met het DNA van verdachte. Door het NFI is berekend dat het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is dat verdachte en [slachtoffer] de donor zijn dan dat [slachtoffer] en een andere onbekende persoon de donor zijn.13

Prop wc-papier

In het toilet lag een prop wc-papier op het plateau van de toiletpot.14 Daaruit is door het NFI een DNA-mengprofiel verkregen van twee personen, waarvan het afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA van [slachtoffer] . Daarnaast zijn er DNA-nevenkenmerken aanwezig die matchen met het DNA van verdachte. Het NFI heeft berekend dat het meer dan één miljard maal waarschijnlijker is dat verdachte en [slachtoffer] de donor zijn dan dat [slachtoffer] en een andere onbekende persoon de donor zijn.15

Sigaretten

Ook op sigarettenpeuken uit een asbak in de woonkamer van [slachtoffer] is het DNA-profiel van verdachte aangetroffen.16

Drinkmok

Op de salontafel in de woonkamer stonden drie drinkmokken, en op één ervan is een vingerafdruk van verdachte gevonden.17 In één van deze mokken is het slaapmiddel Zopiclon aangetroffen.18 In de urine van [slachtoffer] zijn aanwijzingen voor Zopiclon in een lage concentratie gezien.19 Uit het dossier is gebleken dat verdachte Zopiclon gebruikte.20

Handdoek

Op de bank in de woonkamer lag een handdoek waarop bloedsporen zijn aangetroffen. In verschillende bemonsteringen van die handdoek is het DNA van verdachte aangetroffen.21

Spa blauw flesje

Ook op de opening van een Spa blauw fles uit de woonkamer is het DNA van verdachte gevonden.22

Tussenconclusie

Verdachte en slachtoffer kenden elkaar. Het DNA van verdachte is aangetroffen op een onderbroek, in een bloedspat, op een prop wc-papier, op een sigarettenpeuk, een handdoek en een fles Spa blauw. Ook is er een vingerafdruk van verdachte op een drinkbeker gevonden. Gelet op deze biologische sporen van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte kort voor of tijdens het overlijden van [slachtoffer] in de woning van [slachtoffer] aanwezig is geweest en dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de aanwezigheid van anderen dan verdachte op dat moment. De rechtbank vindt met name de prop wc-papier in het toilet waarop het DNA van verdachte is aangetroffen een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van verdachte kort voor of tijdens het overlijden van [slachtoffer] .

Op de vloer in de hal, op een handdoek en op de onderbroek is het bloed van verdachte aangetroffen. [slachtoffer] had, naast de dodelijke snijverwondingen aan zijn hals, ook andere verwondingen op zijn lichaam. Dit wijst erop dat er een worsteling heeft plaatsgevonden. Verder is opvallend dat [slachtoffer] Zopiclon in zijn lichaam had, een middel dat door verdachte werd gebruikt. Verdachte is zowel door de politie als door de rechtbank uitgebreid gevraagd naar een verklaring voor de aanwezigheid van deze forensische sporen in de woning van [slachtoffer] . Hij heeft zich ten aanzien van al deze vragen echter op zijn zwijgrecht beroepen. Een verdachte heeft het recht om te zwijgen, maar de aangetroffen sporen vragen om een verklaring van verdachte omdat die sporen hem kort voor of tijdens het overlijden van [slachtoffer] in die woning plaatsen. Hij heeft die niet gegeven.

4.3.4.

Alternatief scenario: tweelingbroer

Verdachte heeft onder meer tijdens zijn voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie gezegd dat hij onschuldig is en dat hij via zijn advocaat heeft begrepen dat zijn tweelingbroer in Amsterdam een moord heeft gepleegd. Voor zover verdachte hiermee een alternatief scenario heeft willen schetsen voor de in de woning van [slachtoffer] aangetroffen biologische sporen die matchen met zijn DNA-profiel, overweegt de rechtbank het volgende.

Dat verdachte een tweelingbroer heeft is niet aannemelijk geworden. De ouders van verdachte hebben wisselend en tegenstrijdig verklaard over het bestaan van een tweelingbroer. Zo heeft de vader van verdachte aanvankelijk bij de politie verklaard dat hij zeven kinderen heeft, vijf meisjes en twee zonen. Verdachte is zijn jongste zoon. Bij de rechter-commissaris heeft hij echter verklaard dat hij drie zonen heeft. Verdachte en [naam broer] zijn een tweeling, aldus de vader. Zijn moeder zou [naam broer] na zijn geboorte hebben meegenomen en hem als haar eigen kind hebben grootgebracht. Hij heeft daar geen documenten van. De geboorte van [naam broer] is niet geregistreerd. De moeder van verdachte heeft verklaard dat zij tweelingzonen heeft, genaamd [naam broer] en [verdachte] . Ze weet niet wanneer [naam broer] is geboren. Ze heeft geen andere zoon gekregen. Dat de naam van [naam 3] in het bevolkingsregister als haar zoon staat geregistreerd klopt volgens haar niet. Op een later moment in datzelfde verhoor verklaart zij echter dat zij drie zonen heeft. De derde zoon heet [naam 4] . De ex-partner en moeder van de dochter van verdachte, [naam 5] , is ook gevraagd naar het bestaan van een tweelingbroer. Zij heeft verklaard dat verdachte haar eens heeft verteld dat zijn tweelingbroer bij de geboorte is gestorven.

De Duitse autoriteiten hebben desgevraagd laten weten dat hen niets bekend is over het bestaan van een tweelingbroer. Uit het Duitse bevolkingsregister blijkt dat verdachte één broer heeft: [naam 4] .

Tot slot is ook geprobeerd om via de Griekse autoriteiten meer informatie te verkrijgen over het bestaan van een tweelingbroer van verdachte. De Griekse autoriteiten hebben laten weten dat het ziekenhuis waar verdachte is geboren heeft medegedeeld dat er geen registratie is dat de moeder van verdachte op [datum 1] is bevallen van een tweeling.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte een (in mei 2016 levende) tweelingbroer heeft. De verklaringen van de ouders van verdachte worden als onbetrouwbaar terzijde gesteld. Ook al zou verdachte daadwerkelijk een tweelingbroer hebben, dan is het niet aannemelijk dat deze tweelingbroer naar Nederland zou zijn gekomen om [slachtoffer] van het leven te beroven. Bovendien zou dat nog steeds niet verklaren waarom een vingerafdruk van verdachte is aangetroffen op een drinkmok in de woning van [slachtoffer] . Een vingerafdruk is immers uniek, ook bij eeneiige tweelingen. Het alternatieve scenario wordt om deze redenen verworpen.

4.3.5.

Overige feiten en omstandigheden

De officier van justitie heeft terecht naar voren gebracht dat het erop lijkt dat verdachte heeft geprobeerd om (al dan niet door tussenkomst van een undercover-agent) zijn ex-vriendin en moeder te laten verklaren dat hij op 3 mei 2016 en 4 mei 2016 in Duitsland was. Ook hiervoor heeft verdachte geen verklaring gegeven. Voorts hebben de ouders van verdachte verschillend verklaard over de momenten waarop verdachte in Nederland is geweest en ook dat roept vragen op. Ook die omstandigheden dragen ertoe bij dat van verdachte een verklaring mag worden verwacht.

4.3.6.

Conclusie: bewezenverklaring van doodslag

Verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor de voor hem belastende forensische sporen, heeft leugenachtig verklaard over het bestaan van een tweelingbroer en lijkt voorts te hebben geprobeerd een alibi te fabriceren. Die omstandigheden, gevoegd bij de eerdere conclusies dat [slachtoffer] door van buiten afkomend geweld om het leven is gekomen, dat verdachte kort voor of tijdens het overlijden van [slachtoffer] in diens woning aanwezig was, en dat er geen enkele aanwijzing is dat er naast hem nog iemand anders aanwezig is geweest, maken dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de snijverwondingen aan de hals van [slachtoffer] heeft toegebracht. Het met een scherp voorwerp meermalen snijden in de hals van [slachtoffer] is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het doden van [slachtoffer] , dat verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] aan deze verwondingen zou komen te overlijden.

De primair ten laste gelegde doodslag kan daarom worden bewezen.

4.3.7.

Partiële vrijspraak

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van diefstal van Griekse iconen. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is komen vast te staan dat de Griekse iconen van [slachtoffer] kort voor zijn overlijden nog in zijn woning aanwezig waren. Uit het dossier volgt slechts dat de twee iconen in ieder geval op 10 april 2016 nog aan de muur in de woning van [slachtoffer] hingen en dat deze iconen bij de doorzoeking zijn gevonden in de woning van verdachte. Daarmee is echter niet vast komen te staan dat de iconen wederrechtelijk door verdachte zijn weggenomen, omdat er andere mogelijkheden open blijven voor het bezit van de iconen door verdachte. In dat licht kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid en/of het bezit van de iconen te verzekeren. Verdachte zal van dit onderdeel van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3.8.

Formeel verweer

Nu de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen acht, behoeft het formele verweer van de raadsman, inhoudende dat de officier van justitie op grond van het specialiteitsbeginsel niet-ontvankelijk is in de vervolging voor de subsidiair ten laste gelegde diefstal, geen verdere bespreking.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

hij in de periode van 02 mei 2016 tot en met 04 mei 2016 te Amsterdam, in een woning gelegen aan de [adres 1] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem meerdere snijverwondingen aan de hals toe te brengen, ten gevolge waarvan hij, [slachtoffer] , door hevig bloedverlies is overleden.

6 De strafbaarheid van het feit en de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem mogelijk een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. In de woning zijn bloedsporen aangetroffen waarvan een aantal afkomstig zouden zijn van verdachte. Dat zou erop kunnen duiden dat ook verdachte bloed heeft verloren en dat er een schermutseling is voorafgegaan aan het overlijden van [slachtoffer] . Er zijn bovendien diverse getuigen die hebben verklaard dat [slachtoffer] zeer agressief kon overkomen. Mogelijk heeft [slachtoffer] seksuele avances gemaakt richting verdachte, zoals dat ook het geval was in 2015 , waar verdachte niet van gediend was. Er zou ook iets anders gebeurd kunnen zijn, waardoor [slachtoffer] in een woedeaanval is uitgebarsten en verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf en eerbaarheid. Als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door die aanranding is veroorzaakt, heeft verdachte de grenzen van die noodzakelijke zelfverdediging overschreden. Dat verdachte dit niet heeft verklaard tegenover de politie of de rechtbank kan te maken hebben met zijn moslimachtergrond, waarbinnen het niet op prijs wordt gesteld om (seksuele) contacten te onderhouden met homoseksuele mannen, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een begin van aannemelijkheid dat verdachte in een noodsituatie verkeerde. Zou dat wel het geval zijn, dan ligt het op de weg van verdachte om hierover een verklaring af te leggen.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in een noodweersituatie terecht is gekomen, waarbij verdediging van zijn lijf en eerbaarheid noodzakelijk was. Dit verweer van de raadsman behelst niets meer dan suggesties zonder concrete onderbouwing. Verdachte heeft zich bovendien nimmer achter dit door de raadsman opgeworpen scenario geschaard. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Hieruit volgt dat verdachte zich ook niet met succes kan beroepen op noodweerexces.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of verdachte uitsluit. Het bewezen geacht feit en verdachte zijn dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte primaire feit (gekwalificeerde diefstal) zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat mee te wegen dat verdachte, vanwege zijn Duitse nationaliteit, niet in aanmerking komt voor verlofregelingen in het geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd en deze in Nederland wordt tenuitvoergelegd. Tevens is de afstand voor zijn familie om hem te bezoeken aanzienlijk. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat er mogelijk een ruzie aan de dood van [slachtoffer] vooraf is gegaan, wat tot matiging van de straf zou moeten leiden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op zeer gewelddadige wijze het slachtoffer [slachtoffer] om het leven gebracht door meerdere snijverwondingen in zijn hals aan te brengen. Daarmee heeft verdachte [slachtoffer] het meest fundamentele recht ontnomen, namelijk het recht op leven.

Daarnaast heeft verdachte de nabestaanden – in het bijzonder de moeder en broer van [slachtoffer] – leed aangedaan, zoals ook is gebleken uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen.

Het bewezen geachte feit is zodanig ernstig dat daarop niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur kan worden gereageerd. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in de Amsterdamse oriëntatiepunten, waarin het oriëntatiepunt voor doodslag met voorwaardelijk opzet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot zes jaar bedraagt. De rechtbank neemt dit als uitgangspunt voor het bepalen van de op te leggen straf. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er in deze zaak feiten en omstandigheden zijn die oplegging van een lichtere of juist zwaardere straf rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij de zeer gewelddadige wijze waarop hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht als strafverzwarende omstandigheid zal meewegen. De rechtbank houdt er in voor verdachte nadelige zin ook rekening mee dat [slachtoffer] in zijn eigen woning – een plek waar hij zich bij uitstek veilig moet voelen – door een bekende is aangevallen. Verdachte heeft niet willen verklaren wat er zich precies in de woning heeft afgespeeld. Door geen openheid van zaken te willen geven blijft niet alleen de rechtbank, maar bovenal de nabestaanden van [slachtoffer] , hierover in het ongewisse. Verdachte heeft bovendien op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor wat er in de woning is gebeurd.

De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig waar in strafverminderende zin rekening mee dient te worden gehouden. Dit geldt ook voor het feit dat verdachte de Duitse nationaliteit heeft en in Nederland niet voor verlofregelingen in aanmerking komt. Verdachte is aan Nederland overgeleverd onder de voorwaarde dat hij zijn straf in Duitsland kan ondergaan. Als verdachte is overgeplaatst naar Duitsland kan hij een beroep doen op de daar geldende verlofregelingen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 17 juli 2017, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Zijn strafblad heeft daarom geen invloed op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op een brief van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 3 oktober 2016, betreffende een trajectconsult, waarin wordt geadviseerd om verdachte door een psycholoog en een psychiater te laten onderzoeken. Uit het Pro Justitia rapport van 25 oktober 2016, opgemaakt door psycholoog M.L. de Groot, maakt de rechtbank op dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het psychologisch onderzoek. Door De Groot is geadviseerd om verdachte op te laten nemen in het Pieter Baan Centrum voor een multidisciplinair klinisch onderzoek. Blijkens het rapport van het Pieter Baan Centrum van 29 juni 2017 heeft verdachte ook daar geweigerd om mee te werken aan het onderzoek. Daardoor was het voor de onderzoekers moeilijk om een diagnose te stellen. Door de onderzoekers is wel vastgesteld dat er sprake is van middelengebruik en dat er aanwijzingen bestaan voor antisociale persoonlijkheidskenmerken. Zij hebben echter geen onderbouwde uitspraak kunnen doen of er sprake was van drugsgebruik of psychologische ontregeling ten tijde van het bewezen geacht en in hoeverre het bewezen geachte verdachte kan worden toegerekend. Er is daarom geen grond om uit te gaan van een vorm van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van acht jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

De op te leggen vrijheidsstraf is korter dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. De rechtbank is bovendien van oordeel dat met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar recht wordt gedaan aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam 1] (broer van het slachtoffer) vordert € 3.560,02 aan materiële schadevergoeding en € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De materiële schade is opgebouwd uit de posten “reiskosten eerste aanleg” ad € 154,15, “reiskosten hoger beroep” ad € 522,49 “verlof en kinderopvang strafzaak eerste aanleg” ad

€ 928,44, “verlof en kinderopvang strafzaak hoger beroep” ad € 1.250,00 en “kosten crematie (reiskosten en overige kosten)” ad € 704,94.

De benadeelde partij [naam 2] (moeder van het slachtoffer) vordert € 500,00 aan materiële schadevergoeding en € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De materiële schade bestaat uit de post “reiskosten hoger beroep” ad € 500,00.

De vorderingen zijn ter terechtzitting toegelicht door de raadsvrouw van de benadeelde partijen.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht. De raadsvrouw heeft gewezen op de ‘Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ’ (hierna: de Richtlijn). In punt 19 van de preambule van de Richtlijn wordt aangegeven dat nabestaanden worden gezien als indirecte slachtoffers van het feit en ook schade kan worden berokkend als gevolg van het strafbare feit. Artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn bepaalt dat een slachtoffer recht heeft op een beslissing inzake schadevergoeding door de dader in de loop van de strafprocedure, waarbij op grond van punt 46 van de preambule van de Richtlijn betrokken organisaties moeten zorgen voor herstel van de door het slachtoffer geleden schade. Op grond van deze Richtlijn komt de geleden immateriële schade nu reeds voor een vergoeding in aanmerking, nu de implementatietermijn van deze Richtlijn is verstreken is en de Richtlijn daarom sindsdien rechtstreekse werking heeft.

Toewijzing van de gevorderde affectieschade is daarnaast in lijn met de huidige ontwikkelingen op het gebied van slachtofferrechten, waarbij de raadsvrouw heeft gewezen op het Wetsvoorstel zorg- en affectieschade (nr. 34.257). Dit wetsvoorstel is op 9 mei 2017 met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen en thans aanhangig in de Eerste Kamer.

Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de Richtlijn niet voldoende bepaald en duidelijk is, stelt de raadsvrouw dat dit voor rekening dient te komen van de Staat, nu die verantwoordelijk is voor de juiste en tijdige implementatie. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er (nog) geen wettelijke basis is voor toewijzing van de vordering voor affectieschade, dan betekent dit dat in het huidige systeem van de wet elk recht op immateriële schade voor nabestaanden ontbreekt. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank in dat geval de Staat te veroordelen de gevorderde immateriële schade te vergoeden.

Indien de rechtbank voornoemde argumenten zou passeren verzoekt de raadsvrouw om te anticiperen op het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn en op het wetsvoorstel ‘zorg- en affectieschade’.

De raadsvrouw heeft tot slot aangevoerd dat alleen al vanwege het gegeven dat het Schadefonds geweldsmisdrijven aan het gemis van een dierbare een bedrag koppelt, niets aan toewijzing van de gevorderde immateriële schade in deze strafzaak in de weg hoeft te staan.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er nog geen wetgeving bestaat op basis waarvan affectieschade voor vergoeding in aanmerking komt. Het Wetsvoorstel Affectieschade moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld. De gevorderde affectieschade komt ook op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot shockschade niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de benadeelde partijen geen getuige zijn geweest van het bewezen geachte feit en uit de stukken niet blijkt dat zij door het verlies van het slachtoffer onder medische- dan wel psychiatrische behandeling zijn gekomen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij [naam 1] gevorderde “kosten crematie (reiskosten en overige kosten)” niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze kosten geen rechtstreekse schade zijn in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld – onder verwijzing naar het standpunt van de officier van justitie – dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding

Een rechter mag slechts schade toewijzen binnen het stelsel van de wet. Dit volgt uit artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In het geval nabestaanden schadevergoeding vorderen is artikel 6:108 BW relevant. Dit artikel geeft een limitatieve opsomming van de kring van personen en het type kosten waar een vergoeding voor kan worden toegekend. Wat betreft het type kosten gaat het uitsluitend om kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. De kosten die door de benadeelde partijen zijn gevorderd kunnen daar niet onder worden geschaard. Dit geldt ook voor de door de benadeelde partij [naam 1] gevorderde “kosten crematie (reiskosten en overige kosten)”. De kosten voor de crematie zijn betaald door de uitvaartverzekeraar. De door [naam 1] gevorderde kosten zien niet op de lijkbezorging, maar betreffen ‘bijkomende kosten’ van de begrafenis zoals reis- en parkeerkosten, verlof, een bloemstuk en griffierecht voor verwerping van de nalatenschap. Deze kosten komen niet op grond van artikel 6:108 BW of enig ander wetsartikel voor vergoeding in aanmerking.

Dit leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade

Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak sprake is van een tragische gebeurtenis die bij de nabestaanden veel verdriet heeft veroorzaakt. Toewijzing van hun vordering tot vergoeding van affectieschade kan een zekere erkenning van het door hen ondervonden leed betekenen. Dit kan op zichzelf echter geen grond zijn tot toewijzing van de vordering. Zoals reeds hiervoor overwogen, mag een rechter slechts schade toewijzen binnen het stelsel van de wet. Het huidige wettelijke stelsel, in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 BW, voorziet niet in de mogelijkheid om affectieschade te vergoeden. Mogelijk is dat in de toekomst anders, aangezien wetsvoorstel nr. 34.257, dat onder meer ziet op vergoeding van dergelijke schade, nu aanhangig is bij de Eerste Kamer. Zoals de Hoge Raad echter herhaaldelijk heeft geoordeeld (o.a. in het Taxibusarrest van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356), heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventuele door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding van schade toe te kennen. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal de rechtbank de raadsvrouw niet volgen in haar voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

Ook het gedane beroep op de Richtlijn leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de benadeelde partijen jegens verdachte rechtstreeks een beroep op de Richtlijn kunnen doen, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen van de bepalingen van de Richtlijn aan slachtoffers/nabestaanden een concreet en direct recht op vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade.

Ook het gegeven dat op grond van de Wet schadefonds geweldmisdrijven een vergoeding van affectieschade mogelijk is, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De Wet schadefonds geweldsmisdrijven houdt namelijk geen wettelijke verplichting in tot vergoeding van affectieschade door degene die op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden.

Gelet op het bovenstaande zullen de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tot slot

De omstandigheid dat de vorderingen tot vergoeding van materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard leiden eveneens tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de reiskosten rondom de strafprocedure en het indienen van de vorderingen benadeelde partij. De niet-ontvankelijkheid van de vorderingen benadeelde partij leidt er bovendien toe dat de benadeelde partijen in de proceskosten van verdachte dienen te worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op deze vorderingen. De rechtbank bepaalt deze kosten tot op heden op nihil.

9 Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen kunstwerken (twee Griekse iconen) en één deken dienen te worden bewaard voor de rechthebbende

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:

 Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering gebracht zal worden.

 Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

3. 1 STK Kunstwerk

Griekse icoon met afbeelding man en kind (5251627)

4. 1 STK Kunstwerk

Griekse icoon voorstellende man met boek (5251617)

5. 1 STK Beddengoed

zwartwit gestreepte deken (5251614).

 Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

 Verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

 Veroordeelt de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] in de proceskosten van verdachte met betrekking tot de vorderingen benadeelde partij. De rechtbank bepaalt deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. B. Vogel en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2017.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2016097504 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering.

2 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van bevindingen van 4 mei 2016 , documentnummer 000001 , pagina’s 0001-0002.

3 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal sporenonderzoek van 7 juni 2016, documentnummer 000168 , pagina 0570.

4 Een geschrift, zijnde een schouwverslag van A. Beijering , forensisch arts, GGD Amsterdam, met datum 5 mei 2016, documentnummer 000004 , pagina’s 0007-0008.

5 Een geschrift, zijnde een rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van A. Maes , verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, met datum 28 juli 2016, documentnummer 000176 , pagina’s 0588-0602.

6 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verstrekking gegevens bewindvoerder met datum 31 mei 2016, documentnummer 00089 , pagina’s 0285-0300.

7 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met datum 31 mei 2016, documentnummer 000058 , pagina’s 0143-0149; een geschrift, zijnde een proces-verbaal van 6 juni 2016, documentnummer 000071 , pagina’s 0186-0188.

8 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal verklaring [naam 6] , meewerkend bezoeker van 12 mei 2016, documentnummer 000048 , pagina’s 0114-0115; een geschrift, zijnde een proces-verbaal aanvullende bevindingen De Regenboog van 13 mei 2016, documentnummer 000050 , pagina’s 0118-0119.

9 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal sporenonderzoek van 7 augustus 2016 met bijlagen, documentnummer 000231 , pagina’s 1120-1140 (SIN AAID6822NL).

10 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 19 mei 2016, documentnummer 000109 , pagina’s 0387-0389en een geschrift, zijnde een herzien rapport van het NFI van 18 juli 2016, documentnummer 000175 , pagina’s 0584-0587 (met SIN AAID6822NL#01, AAID6822NL#02 en AAID6822NL#03) .

11 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal, documentnummer 000121 , pagina’s 0448-0460.

12 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. aangetroffen sporen van 14 september 2016, documentnummer 000198 , pagina’s 0878-0879 (SIN AAGU0136NL) .

13 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 11 november 2016, documentnummer 000249 , pagina’s 1230-1233 (SIN AAGU0136#o1).

14 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal sporenonderzoek van 7 augustus 2016 met bijlagen, documentnummer 000231 , pagina’s 1120-1140 (SIN AAID6848NL).

15 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 11 november 2016, documentnummer 000249 , pagina’s 1230-1233 (SIN AAID6848NL#04).

16 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 13 januari 2017, documentnummer 000281 , pagina’s 001303-001306 (SIN AAID6830NL#01 en AAID6830NL#02).

17 Een geschrift, onderwerp Prüm-onderzoek dd 20 mei 2016, documentnummer 000110 , pagina’s 0390-0391 (SIN AAHD8337NL).

18 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 27 februari 2017, pagina’s 001410-001414.

19 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 7 december 2016, pagina’s 001280-1288.

20 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van bevindingen van 11 augustus 2016, documentnummer 000173 , pagina’s 0582-0583; een geschrift, zijnde een proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2016, documentnummer 000186 , pagina’s 0662-0663; een geschrift, zijnde een proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding van 12 september 2016, documentnummer 000188 , pagina’s 0670-0671.

21 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 9 september 2016, documentnummer 000282, pagina’s 1307-1317 (SIN AAID6850NL, AAID6850NL#01, AAID6850NL11, AAID6850NL#15, AAID6850NL#18, AAID6850NL#04, AAID6850NL#10, AAID6850NL#06, AAID6850NL#12 en AAID6850NL#17.

22 Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. aangetroffen sporen van 14 september 2016, documentnummer 000198 , pagina’s 0878-0879 (SIN AAID6858NL); Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI van 27 mei 2016, pagina’s 0880-0882 (AAID6858NL#01); Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2016, documentnummer 000268 , pagina 001259.