Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5919

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
13/684328-16 + tul 13/684357-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur waarvan de helft voorwaardelijk voor onder meer vernieling en mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684328-16 + tul 13/684357-14 (Promis)

Datum uitspraak: 14 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.T.C. Bouhuijzen, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F.M.M.M. Vogels naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een vaas en/of een spiegel en/of een porseleinen schoen en/of één of meer schaaltje(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door voornoemde goed(eren) van de kast te gooien en/of vegen en/of werpen;

2.

hij op of omstreeks 26 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [naam 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal of meermalen (met kracht) vastpakken en/of vastgrijpen van het shirt en/of het vastpakken van en/of trekken (met nagels) over en/of krabben in de nek van voornoemde [naam 1] ;

3.

hij op of omstreeks 26 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [naam 3] , agent van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, opzettelijk door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [naam 3] éénmaal of meermalen in het gezicht te spugen en/of spuwen;

4.

(gevoegde zaak 13/684028-17)

hij op of omstreeks 18 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [naam 4] heeft mishandeld door voornoemde [naam 4] in/op/tegen het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen;

5.

(gevoegde zaak 684028-17)

hij op of omstreeks 18 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, voorhanden heeft gehad een spuitbus traangas/pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

Feit 1, 2 en 3

Op 25 juni 2016 is verdachte met zijn dochter naar een feestje gegaan bij zijn neef, waar hij veel alcohol heeft gedronken. Op 26 juni 2016 kwam verdachte rond 01:30 uur thuis bij zijn moeder, waar hij die nacht met zijn dochter zou verblijven. De stiefvader van verdachte, [naam 1] , heeft bij de politie verklaard dat verdachte dronken en luidruchtig thuis kwam. Toen verdachte wild om zich heen begon te slaan, heeft [naam 1] verdachte in bedwang gehouden, waarna verdachte aan [naam 1] heeft getrokken en hem heeft gekrabd, aldus [naam 1] . Verdachtes moeder, [naam 5] , heeft een vergelijkbare verklaring afgelegd. Zij heeft ook de politie gebeld. Agenten [naam 6] en [naam 3] kwamen ter plaatse en hebben waargenomen dat er kapotte spullen en glas in de woning lagen, en dat [naam 1] verdachte in bedwang hield. De agenten hebben verdachte aangehouden voor vernieling en mishandeling, en hebben hem overgebracht naar de politieauto. In de auto heeft verdachte [naam 3] in zijn gezicht en op zijn arm gespuugd, aldus de agenten.

Feit 4 en 5

Op 18 januari 2017 bevond verdachte zich volgens zijn eigen verklaring in café [naam 7] , waar hij achter de gokkast zat. Een andere cafébezoeker, [naam 4] , benaderde verdachte op een vervelende manier. Verdachte vroeg [naam 4] meermalen om weg te gaan, waar [naam 4] geen gehoor aan gaf. Verdachte besloot hierop naar buiten te lopen, waarop [naam 4] hem volgde. Verdachte heeft [naam 4] buiten een stomp in het gezicht gegeven, waardoor [naam 4] is gevallen en letsel heeft opgelopen. De politie kwam ter plaatse en heeft verdachte aangehouden. Verdachte bleek toen een busje pepperspray bij zich te hebben.

4.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, op grond van de bevindingen van de agenten, de aangiftes en de verklaringen van verdachte. Van een noodweersituatie is in geen van beide gevallen sprake, omdat verdachte telkens de gelegenheid had om weg te gaan en hij dus geen geweld had hoeven gebruiken.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde. Verdachte kwam op 26 juni 2016 in de woning van zijn moeder en stiefvader, en werd door zijn stiefvader vastgepakt. Dit voelde voor verdachte als een aanval en hij wilde zich uit deze greep bevrijden. De vernieling en mishandeling zijn het gevolg van de worsteling die is ontstaan. Verdachte heeft nimmer opzet gehad op de vernieling of mishandeling.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. [naam 4] heeft verdachte aangevallen en verdachte heeft zich geprobeerd te onttrekken aan de situatie. Dat is niet gelukt en omdat [naam 4] achter verdachte aan bleef komen, mocht verdachte minst genomen veronderstellen, dat hij zich in een noodweersituatie bevond, en mocht hij deze [naam 4] daarom een klap geven.

Ten aanzien van het onder 3 en 5 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt dat de verdediging ten aanzien van de ten laste gelegde mishandelingen en vernieling een beroep op noodweer heeft willen doen. Omdat deze verweren een betwisting van de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte inhouden, zal de rechtbank deze verweren bij de bespreking van het bewijs, hieronder, beoordelen.

- Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank gaat er op grond van de verklaringen van [naam 1] en [naam 5] van uit dat verdachte dronken thuis kwam en meteen agressief werd. Hij heeft hierbij spullen van [naam 1] en [naam 5] vernield. In reactie hierop heeft [naam 1] verdachte in bedwang gehouden totdat de politie zou komen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verweer, dat de spullen in de worsteling kapot zijn gegaan. Verdachte heeft geweld gebruikt om los te komen uit [naam 1] greep. Dit heeft letsel veroorzaakt bij [naam 1] . Dit letsel en de vernielde spullen zijn waargenomen door de ter plaatse gekomen agenten. Het in bedwang houden van verdachte door [naam 1] was naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig, omdat dit een direct en logisch gevolg was van het vernielen van de eigendommen van [naam 1] en [naam 5] . Dit soort fysiek contact was bovendien nodig en gerechtvaardigd om ook andere eigendommen te beschermen tegen de agressie van verdachte. Aangezien dit contact niet wederrechtelijk was, mocht verdachte zich hier niet tegen verzetten. Voor zover verdachte een beroep doet op noodweer, wordt dat dan ook verworpen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling en mishandeling, zoals in rubriek 5 is vermeld.

- Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht, op grond van de verklaringen van [naam 6] en [naam 3] , bewezen dat verdachte [naam 3] heeft beledigd door hem in het gezicht te spugen, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

- Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Verdachte heeft verklaard dat hij buiten werd aangevallen door [naam 4] , die hij uiteindelijk één klap tegen het hoofd heeft gegeven. De lezing van verdachte van de gebeurtenissen wijkt af van die van [naam 4] . De rechtbank stelt echter vast dat de lezing van verdachte, anders dan die van [naam 4] , wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 8] , de barvrouw van café [naam 7] , en [naam 9] , een omstander die de gebeurtenissen buiten het café heeft waargenomen.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient sprake te zijn van een (dreiging van) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen noodzakelijke verdediging is geboden. De rechtbank is van oordeel dat uit de door verdachte geschetste feiten en omstandigheden, die worden ondersteund door de verklaringen van [naam 8] en [naam 9] , volgt dat verdachte handelde ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf. Verdachte heeft [naam 4] immers eerst in het café meermalen gevraagd hem met rust te laten en te vertrekken, hetgeen niet tot dat resultaat heeft geleid. Vervolgens heeft verdachte geprobeerd zich aan de situatie te onttrekken, door het café te verlaten. Ook dit heeft er niet toe mogen leiden dat [naam 4] verdachte met rust liet. Vervolgens heeft verdachte [naam 4] , toen deze opnieuw achter hem aankwam, weer gevraagd hem met rust te laten, wat [naam 4] ook deze keer niet deed. Integendeel, [naam 4] bleef achter verdachte aan zitten. Zelfs de tussenkomst van een andere cafébezoeker had niet dit effect. Bij zijn toenaderingen buiten het café maakte [naam 4] volgens verdachte slaande bewegingen naar hem en raakte hem ook. Steun voor de verklaring van verdachte, dat [naam 4] slaande bewegingen naar hem maakte, vindt de rechtbank in de verklaring van [naam 9] . Uiteindelijk heeft verdachte [naam 4] een klap gegeven. Verdachte heeft dit naar eigen zeggen gedaan, omdat hij niet weer geslagen wilde worden. Hij verklaart letterlijk dat hij toch geen boksbal is. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, toen [naam 4] hem onder de hierboven geschetste omstandigheden opnieuw naderde, terecht mocht vrezen voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Hierbij is niet alleen van belang dat [naam 4] alle verzoeken hem met rust te laten negeerde en dat hij kort daarvoor ook al slaande bewegingen had gemaakt naar verdachte, maar ook dat [naam 4] in een kennelijke staat van dronkenschap verkeerde, waardoor zijn gedrag een zekere mate van onvoorspelbaarheid en ongecontroleerdheid vertoonde. De reactie van verdachte, het geven van één klap, voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de vereisten van een geboden noodzakelijke verdediging ter beëindiging van de dreigende aanranding. Gelet op het voorgaande wordt het beroep op noodweer gehonoreerd.

Aangezien aannemelijk is dat verdachte het door hem gepleegde geweld in noodweer heeft gepleegd, kan niet bewezen worden dat verdachtes ten laste gelegde gedraging wederrechtelijk was en dus als mishandelend kan worden aangemerkt. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde.

- Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank acht, op grond van de verklaringen van verdachte, agent [naam 11] en het wapenrapport van agent [naam 12] , bewezen dat verdachte de Wet wapens en munitie heeft overtreden, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 26 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een vaas, een spiegel, een porseleinen schoen en een schaaltje, toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2] , heeft vernield door voornoemde goederen van de kast te gooien, vegen en/of werpen;

2.

op 26 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk [naam 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal met kracht vastgrijpen van het shirt en het trekken met nagels over en krabben in de nek van voornoemde [naam 1] ;

3.

op 26 juni 2016 te Amsterdam [naam 3] , agent van politie Eenheid Amsterdam, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, opzettelijk door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [naam 3] in het gezicht te spugen;

5.

(gevoegde zaak 684028-17)

op 18 januari 2017 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een spuitbus pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een verstikkende, weerloosmakende en traanverwekkende stof, in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van een meldplicht als bijzondere voorwaarde.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte geen straf moet worden opgelegd, die de al ondergane elf dagen voorlopige hechtenis, of een equivalent daarvan, overstijgt.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere overlastgevende strafbare feiten. Hij heeft hiermee het eigendomsrecht van zijn moeder en stiefvader, en de lichamelijke integriteit van zijn stiefvader aangetast. Ook heeft hij een agent in het gezicht gespuugd. Gedurende deze feiten was verdachte telkens onder invloed van alcohol. Uit het dossier en het verhandelde op de zitting vloeit voort dat verdachte in het verleden vaker in de problemen is gekomen na het drinken van alcohol. Dit gedrag is in het bijzonder ongewenst en verwerpelijk, omdat verdachte tijdens een deel van de ten laste gelegde incidenten de zorg droeg voor zijn jonge dochter, met wie hij diep in de nacht stomdronken thuiskwam, waarna de vernieling en de mishandeling zoals bewezen onder 1 en 2 zich voordeden, terwijl zij zich trillend van angst achter de bank had verstopt. De rechtbank rekent verdachte dit onverantwoordelijke gedrag zwaar aan.

Op de zitting is gebleken dat het inmiddels een stuk beter gaat met verdachte. Hij heeft een woning in een begeleid-wonen-voorziening, hij is geminderd met zijn alcoholgebruik en hij heeft wekelijks contact met zijn begeleider. Deze omstandigheden hebben rust gebracht in het leven van verdachte en hij wil hier graag mee doorgaan in de toekomst. Dit beeld wordt bevestigd in een e-mailbericht van Inforsa van 26 juli 2017, waaruit blijkt dat verdachte inmiddels weliswaar behoort tot de Top 600, maar door die status nu hulpverlening aangeboden krijgt. Recentelijk heeft verdachte ook een intakegesprek gehad bij De Waag voor een behandeling voor agressieregulatie. De behandeling zal daarop gericht zijn, waarbij ook aandacht wordt besteed aan zijn verstandelijke beperking en zijn middelengebruik. Inforsa adviseert om een toezicht aan verdachte op te leggen als bijzondere voorwaarde, zodat zij erop toe kan zien dat verdachte zijn woning behoudt, meewerkt aan het verkrijgen van dagbesteding en, indien nodig, behandeld wordt voor agressieregulatie.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank het van belang acht dat verdachte de positieve lijn in zijn leven kan doorzetten. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf opleggen, met de door Inforsa voorgestelde bijzondere voorwaarde.

Mede gelet op de vrijspraak voor feit 4 komt de rechtbank tot een lagere werkstraf dan de officier van justitie heeft geëist.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 3] vordert € 200,00 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij gebrek aan betwisting staat vast dat aan [naam 3] door het onder 3 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte tegenover [naam 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/684357-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 28 januari 2015 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. De rechtbank zal echter gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die hierboven zijn beschreven, gelasten dat verdachte een taakstraf van 30 uur uren moet verrichten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 266, 267, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en op grond van de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. vernieling, meermalen gepleegd;

  2. mishandeling;

  3. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 80 (tachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 40 (veertig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd.

Beveelt dat, als verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

verdachte moet zich gedurende de proeftijd melden bij Inforsa, gevestigd aan de Keizersgracht 572 te Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte moet zich hierbij houden aan de aanwijzingen die hem door of namens voornoemde instelling worden gegeven, ook als dit inhoudt:

  • -

    aanwijzingen die dienen om te bewerkstelligen dat verdachte zijn woning behoudt,

  • -

    aanwijzingen die dienen tot het verkrijgen en behouden van dagbesteding en

  • -

    aanwijzingen die leiden tot het volgen van een behandeling of training, bijvoorbeeld gericht op agressieregulatie.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van [naam 3] toe tot € 200,00 (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 3] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 3] aan de Staat € 200,00 (tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 (vier) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 28 januari 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week. Gelast – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven – dat verdachte een taakstraf van 30 (dertig) uren moet verrichten. Beveelt, voor het geval dat verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 (zeven) dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. E. Dinjens en F.L. Bolkestein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. Haulo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2017.