Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5904

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
13/751462-17 (EAB I)
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Polen, tussenuitspraak, artikel 6, lid 5, OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751462-17 (EAB I)

RK nummer: 17/3259

Datum uitspraak: 15 augustus 2017

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2014 door the Circuit Court in Świdnica (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,

[verblijfadres] ,

thans gedetineerd in het [huis van bewaring] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 augustus 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van

  • -

    een vonnis van the District Law Court of Wałbrzych (Polen) van 27 januari 2006 (II K 1293/05), hierna: vonnis 1;

  • -

    een vonnis van the District Law Court of Wałbrzych van 8 december 2011 (II K 524/11), hierna: vonnis 2.

Bij voormelde vonnissen zijn aan de opgeëiste persoon vrijheidsstraffen opgelegd voor de duur van, respectievelijk:

  • -

    vier jaren;

  • -

    twee jaren en zes maanden.

Van voormelde vrijheidsstraffen resteren, respectievelijk:

  • -

    twee jaar, elf maanden en 26 dagen;

  • -

    twee jaar, vijf maanden en elf dagen.

In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon bij beslissing van the Circuit Law Court of Świdnica voorwaardelijk in vrijheid is gesteld inzake II K 1293/05 (vonnis 1), maar dat bij beslissing van 7 mei 2012 van dezelfde rechterlijke instantie de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen en de tenuitvoerlegging van de reststraf is bevolen.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het restant van voormelde vrijheidsstraffen.

Vonnis 1 betreft één feit en vonnis 2 betreft drie feiten, die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis 1 levert naar Nederlands recht op:

diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De feiten die ten grondslag liggen aan vonnis 2 leveren naar Nederlands recht op, telkens:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5 Artikel 6, lid 5, van de OLW; heropening onderzoek

Inleiding

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten, kort samengevat:

  1. bezit van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd;

  2. rechtsmachtvereiste;

  3. verwachting dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank voldoen EU-onderdanen ook aan de onder 1 vermelde voorwaarde als is aangetoond dat wordt voldaan aan de materiële voorwaarden voor een duurzaam verblijfsrecht, te weten – in de meeste gevallen – een onafgebroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland. Als daarvan sprake is, is ook voldaan aan het rechtsmachtvereiste.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW en daartoe stukken overgelegd.

Standpunt van de officier van justitie

De opgeëiste persoon komt niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander. De raadsman heeft niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven zodat niet voldaan is aan de materiële uitleg van de voorwaarde dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Overwegingen van de rechtbank

Wat betreft de onder 1 vermelde voorwaarde geldt dat de opgeëiste persoon niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat hij zal moeten aantonen dat hij voldoet aan de materiële (uitleg van deze) voorwaarde. In het geval van de opgeëiste persoon, die zijn verblijfsrecht als EU-onderdaan ontleent aan zijn economische activiteiten in Nederland, geldt dat hij zal moeten aantonen dat hij vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft.

Op grond van de door de raadsman overgelegde stukken acht de rechtbank aangetoond dat de opgeëiste persoon sinds 1 augustus 2012 onafgebroken in Nederland verblijft.

Ook is aangetoond dat dit verblijf van 1 augustus 2012 tot in ieder geval 18 mei 2017, toen de opgeëiste persoon in Nederland in detentie is gesteld op grond van de OLW, onafgebroken rechtmatig is geweest.

De opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij in juni 2012 naar Nederland is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon sinds juni 2012 in Nederland verblijft. De daartoe strekkende verklaring van de broer van de opgeëiste persoon is daarvoor onvoldoende en wordt op geen enkele wijze ondersteund door enig ander materiaal dan wel een feitelijk gegeven uit die periode. De rechtbank acht daarentegen wel genoegzaam aangetoond dat de opgeëiste persoon in de maand augustus in Nederland heeft verbleven. De voorlopige aanslag 2012 waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon per

26 augustus 2016 premieplichtig is, is daartoe redengevend mede gezien de omstandigheid dat de rechtbank aannemelijk acht dat hij gedurende enige tijd voorafgaand aan het moment van 26 augustus 2012 doende was die premieplichtige arbeid te verwerven. De rechtbank acht een termijn van enkele weken voorafgaand aan 26 augustus 2012, ingaande op

1 augustus 2012 daarmee aangetoond.

Dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond in de periode voorafgaand aan 26 augustus 2012 in Nederland economische activiteiten te hebben verricht, maakt niet dat dit verblijf niet rechtmatig is geweest. Van belang is dat Burgers van de Unie het recht hebben gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

Dat de opgeëiste persoon vanaf 26 augustus 2012 tot het begin van zijn detentie op

18 mei 2017 vrijwel onafgebroken in Nederland heeft gewerkt en gedurende die periode voldoende inkomsten heeft genoten, acht de rechtbank gelet op de overgelegde bankafschriften over deze periode en enkele jaaropgaves en een uitzend- en detacheringsovereenkomst voldoende aangetoond.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of de periode van detentie van de opgeëiste persoon in Nederland op grond van de OLW, waarbij de overlevering is verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van in Polen opgelegde vrijheidsstraffen, rechtmatig verblijf in Nederland oplevert.

De opgeëiste persoon verbleef op 18 mei 2017 nog geen vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland. Op 1 augustus 2017 was dit mogelijk wel het geval als de periode in detentie van

18 mei 2017 tot 1 augustus 2017 als rechtmatig verblijf moet worden aangemerkt.

Het antwoord op voormelde vraag is in dit geval dus van doorslaggevend belang.

De rechtbank ziet aanleiding deze vraag ter beantwoording voor te laten leggen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND). Hierbij verwijst de rechtbank – ter vergelijking – naar de arresten van het EU-Hof van 16 januari 2014 in de zaak C‑378/12, [naam 1] , en de zaak C‑400/12, [naam 2] ., beiden tegen Secretary of State for the Home Department. In die zaken ging het, anders dan in de onderhavige zaak, niet om overleveringsdetentie.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie ook aan de IND de vraag voor te leggen of – als de periode in overleveringsdetentie geen rechtmatig verblijf oplevert – dit betekent dat de opbouw van de periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland om in aanmerking te komen voor een duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan in Nederland opnieuw begint na de detentieperiode. Deze vraag is van belang, omdat de opgeëiste persoon met ingang van 17 augustus 2017 in vrijheid zal worden gesteld, omdat zijn overleveringsdetentie per die datum moet worden geschorst vanwege het overschrijden van de (verlengde) beslistermijn van 90 dagen. Volgens de raadsman zou de opgeëiste persoon na zijn invrijheidstelling meteen weer kunnen werken in Nederland. Hij zou dan dus mogelijk weer als economisch actief EU-onderdaan in Nederland verblijven.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie uit oogpunt van efficiency ook bij de IND navraag te doen over de verwachting omtrent het mogelijk verlies van verblijfsrecht van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de OLW.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen.

6 Beslissing

HEROPENT het onderzoek ter zitting om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Immigratie-en Naturalisatiedienst de hiervoor in rubriek 5 weergegeven vragen ter beantwoording voor te leggen.

SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd.

VERLENGT de beslistermijn voor onbepaalde tijd.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen het nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J. Edgar en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 augustus 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.