Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5887

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
13/751456-17
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Weigering op grond van artikel 12 van de OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751456-17

RK nummer: 17/3261

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 augustus 2016 door the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [naam penitentiaire inrichting] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 augustus 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat

de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

  1. een vonnis van the Regional Court of Zlotoryja van 28 januari 2016, onherroepelijk op 18 februari 2016 (II K 72/14);

  2. een vonnis van the Regional Court of Zlotorya van 16 mei 2013, onherroepelijk op 24 mei 2013 (II K 143/13);

  3. een vonnis van the Regional Court of Nowa Sól van 12 december 2013, onherroepelijk op 20 december 2013 (II K 1099/13).

Bij voormelde vonnissen zijn aan de opgeëiste persoon vrijheidsstraffen opgelegde voor de duur van, respectievelijk:

  1. één jaar;

  2. één jaar;

  3. acht maanden.

Van voormelde straffen resteert nog, respectievelijk:

  1. elf maanden en 29 dagen;

  2. één jaar;

  3. acht maanden.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van (het restant) van voormelde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ten aanzien van de drie vonnissen in de – naderhand op verzoek van de officier van justitie ingevulde – formulieren (onderdeel d van het EAB) telkens vermeld:

  • -

    dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de behandeling ter terechtzitting;

  • -

    dat de als tweede alternatief in artikel 12, onder a, van de OLW vermelde situatie van toepassing is, te weten dat de opgeëiste persoon anders dan door dagvaarding in persoon daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt;

  • -

    dat de opgeëiste persoon geen beroep heeft ingesteld binnen de beroepstermijn.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ten aanzien van de drie vonnissen schriftelijk nader toegelicht wat de feitelijke gang van zaken is geweest bij de dagvaarding van verdachte voor de terechtzitting.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit beschreven gang van zaken niet de conclusie kan dragen dat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en dat hij ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. Dat betekent dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, tweede alternatief, van de OLW niet van toepassing is.

Evenmin is gebleken dat de situaties als bedoeld in artikel 12, onder b en c, van de OLW van toepassing zijn.

Aangezien de uitvaardigende justitiële autoriteit in de formulieren evenmin heeft aangekruist dat een verzetgarantie als bedoeld in artikel 12, onder d, van de OLW wordt verstrekt, heeft de officier van justitie heeft bij e-mail van 1 augustus 2017 de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog om die garantie gevraagd en, voor het geval de garantie blijvend niet wordt verstrekt, waarom dat het geval is.

Bij brief van 2 augustus 2017 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toegelicht welke mogelijkheden er zijn voor de opgeëiste persoon om ten aanzien van voormelde veroordelingen een nieuw proces te bewerkstelligen en/of hoger beroep in te stellen.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat deze verklaring van de Poolse autoriteiten niet is aan te merken als een ondubbelzinnig geformuleerde garantie dat de zaken op verzoek opnieuw worden behandeld waarbij nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten welke kan leiden tot een herziening van de oorspronkelijke vonnissen. Uit de tekst van de verklaring is niet met zekerheid af te leiden dat de verzetgarantie geen andere voorwaarden meebrengt dan in artikel 12 van de OLW gesteld.

Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW van toepassing is ten aanzien van de drie vonnissen.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW ten aanzien van de drie vonnissen die aan het EAB ten grondslag liggen van toepassing is, moet de verzochte overlevering worden geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 12 van de OLW.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [naam opgeëiste persoon] , aan the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J. Edgar en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 augustus 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.