Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5865

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
C/13/619409 / HA RK 16-441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen door vereffenaar van een nalatenschap gedeponeerde rekening en verantwoording en uitdelingslijst als bedoeld in art. 4:128 BW. Verzet gedeeltelijk gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/619409 / HA RK 16-441

Beschikking van 3 augustus 2017

in de zaak van

1 [opposant sub 1]

wonende te [plaats]

2. [opposant sub 2]

wonende te [plaats]

opposanten,

procederend zonder gemachtigde, voorheen bijgestaan door advocaat mr. P.M.H. Cruts,

tegen

1. MR. R.H. MEPPELINK in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [naam 1],

kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerder,

verschenen in persoon,

2. [verweerster sub 2],

wonende te [plaats] ,

verweerster,

advocaat mr. E. Pasman te Amsterdam,

Partijen worden hierna als volgt aangeduid: opposanten afzonderlijk als [opposant sub 1] en [opposant sub 2] en gezamenlijk als [opposanten gezamenlijk] , verweerders afzonderlijk als de vereffenaar en [verweerster sub 2] .

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzetschrift, gehouden op
21 juni 2017, en de daarin genoemde stukken.

Het verzetschrift is gelijktijdig behandeld met het verzetschrift met zaak / rekestnummer C/13/619503 HA RK 16-443.

2 De feiten

2.1.

[vader] (hierna: [vader] ) en [moeder] (hierna: [moeder] ) zijn gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren te weten [opposant sub 1] , [naam 2] (hierna: [naam 2] ), [verweerster sub 2] , wijlen [naam 3] (hierna: [naam 3] ), [naam 4] (hierna: [naam 4] ), en [naam 5] (hierna: [naam 5] ).

2.2.

[vader] is op 30 mei 1998 overleden. [vader] heeft bij testamenten van 23 januari 1975 en 10 februari 1982 over zijn nalatenschap beschikt. [vader] heeft [moeder] en zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd. Door het maken van een ouderlijke boedelverdeling heeft [vader] alle activa uit zijn nalatenschap aan [moeder] toebedeeld onder de verplichting voor [moeder] om alle passiva voor haar rekening te nemen. Aan zijn kinderen heeft [vader] toegedeeld een rentedragende vordering op [moeder] wegens overbedeling, opeisbaar bij haar overlijden.

2.3.

[moeder] heeft op 31 oktober 2002 door notaris J.P.D. Dierkens Schuttevaer

een proces-verbaal van boedelbeschrijving van de nalatenschap van [vader] laten

opmaken.

2.4.

In een door [verweerster sub 2] tegen (onder meer) haar mede-erfgenamen in de nalatenschap van [vader] aanhangig gemaakte procedure heeft de rechtbank bij vonnissen van 22 juni 2005 respectievelijk 23 november 2005 de omvang van de nalatenschap van [vader] vastgesteld, aldus dat daartoe naast hetgeen in het proces-verbaal van boedelbeschrijving van 31 oktober 2002 is vermeld ook het saldo dat ten tijde van het overlijden van [vader] op drie bankrekeningen bij Crédit Suisse in Zürich (Zwitserland) stond (effecten ter waarde van ongeveer € 80.948,00) behoort. De rechtbank heeft beslist dat [moeder] , [naam 2] en [naam 4] hun aandeel in het saldo van de drie Zwitserse bankrekeningen verbeuren omdat zij het bestaan van die bankrekeningen jegens de overige erfgenamen hebben verzwegen, verborgen gehouden en/of betwist. Verder heeft de rechtbank [moeder] veroordeeld tot afgifte aan [verweerster sub 2] van een wereldwijde volmacht ter verkrijging van inlichtingen en schriftelijke stukken van derden met betrekking tot de goederen behorende tot de nalatenschap van [vader] , waaronder ook een verzegeld pakket met de naam [verweerster sub 2] erop geschreven (hierna: het verzegeld pakket).

2.5.

Het gerechtshof Amsterdam heeft de hiervoor genoemde vonnissen van de

rechtbank bekrachtigd. Het beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof is door de

Hoge Raad verworpen.

2.6.

[moeder] is op 6 oktober 2007 overleden. Zij heeft bij testament van 24 november 2004 beschikt over haar nalatenschap en daarin [opposant sub 1] , [verweerster sub 2] , [naam 3] en [naam 5] (hierna gezamenlijk: de erfgenamen in de nalatenschap van [moeder] ) tot haar erfgenamen benoemd, ieder voor gelijke delen. Zij heeft in haar testament bepaald dat [naam 2] en [naam 4] (hierna gezamenlijk: de legitimarissen in de nalatenschap van [moeder] ) niets uit haar nalatenschap zullen verkrijgen. [moeder] heeft [opposant sub 1] tot executeur benoemd. [opposant sub 1] heeft die benoeming aanvaard. Zij heeft notaris mr. K.B. Blijleven (hierna: notaris Blijleven) tot boedelnotaris aangesteld. [opposant sub 2] is erfgenaam geworden bij plaatsvervulling na het overlijden van [naam 3] .

2.7.

Notaris Blijleven heeft op 3 februari 2009 een proces-verbaal van boedelbeschrijving van de nalatenschap van [moeder] laten opmaken. Tot de nalatenschap behoorde onder meer de voormalige ouderlijke villa met aanhorigheden aan de [straat] te [plaats] (hierna: de ouderlijke villa), waarop ten behoeve van een bank (hierna: de bank) een eerste recht van hypotheek was gevestigd.

2.8.

[naam 2] en [naam 4] hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie in de nalatenschap van [moeder] . [naam 2] heeft daartoe in 2009 een procedure gestart bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de legitieme-procedure).

2.9.

Bij vonnis van 24 oktober 2012 heeft de rechtbank Amsterdam de legitimaire massa van de nalatenschap van [moeder] berekend aan de hand van artikel 4:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De waarde van de ouderlijke villa op 6 oktober 2007, als onderdeel van de legitimaire massa, heeft de rechtbank bepaald op € 2.200.000,00, overeenkomstig een waardebepaling door (door de rechtbank benoemde) deskundigen. De rechtbank heeft vervolgens de legitieme aanspraak van [naam 2] op de nalatenschap van [moeder] vastgesteld op € 156.105,50.

2.10.

[verweerster sub 2] heeft net als de overige erfgenamen in de nalatenschap van [moeder] , hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de legitieme-procedure.

2.11.

In 2013 is de ouderlijke villa in opdracht van de bank openbaar verkocht voor € 955.000,00.

2.12.

Op verzoek van [opposant sub 1] , [naam 5] en [naam 3] heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 24 april 2014 mr. R.N. Meppelink (de vereffenaar) benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [moeder] , met benoeming van mr. I.H.J. Konings tot rechter-commissaris (later opgevolgd door mr. R.A. Dudok van Heel, hierna: de RC).

2.13.

Bij brief van 12 januari 2015 heeft de vereffenaar aan de RC verzocht om een aanwijzing als bedoeld in artikel 4:210 lid (juncto artikel 4:208 lid 2a) BW, inhoudende dat geen verder onderzoek is vereist naar vermogensbestanddelen die (in het verleden) al dan niet in het buitenland tot het vermogen van [vader] dan wel [moeder] hebben behoord. Voorts heeft de vereffenaar verzocht om goedkeuring om direct over te gaan tot het maken van een voorstel tot verdeling van het thans bekende saldo van de nalatenschap, zulks zoveel mogelijk in samenspraak met de (advocaten van de) kinderen [achternaam] .

2.14.

Een brief van 6 maart 2015 van de griffier van de rechtbank Amsterdam aan de vereffenaar als reactie op de voorgaande brief luidt, voor zover hier relevant:

“(…) De rechter-commissaris is akkoord met de door u voorgestelde handelwijze (welk akkoord kan worden gezien als een aanwijzing als bedoeld in artikel 4:210 lid 1 (juncto artikel 4:208 lid 2 sub a) BW) en verleent u - voor zover nodig - goedkeuring om direct over te gaan tot het maken van een voorstel tot verdeling van het thans bekende saldo van de nalatenschap, voor zover mogelijk in samenspraak met (de advocaten van) de kinderen [achternaam] . (…)”

2.15.

Bij e-mail van 12 maart 2015 heeft de vereffenaar de advocaten van de erfgenamen, onder wie mr. Pasman, geïnformeerd over het voorgaande, en daarbij een afschrift van de hiervoor genoemde brief meegestuurd.

2.16.

Op 28 oktober 2016 heeft de vereffenaar de van dezelfde datum daterende rekening en verantwoording van de vereffening alsmede de uitdelingslijst ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. In de door de vereffenaar opgemaakte rekening en verantwoording en uitdelingslijst is onder de activa een vordering van de nalatenschap van € 74.368,00 opgenomen betreffende door [opposant sub 1] (mede ten behoeve van (erven) [naam 3] en [naam 5] ) gedurende de executie opgevoerde en van de ervenrekening betaalde advocaatkosten in de periode 2007-2013 (hierna: de advocaatkosten). Onder de passiva is een bedrag van € 69.402,33 aan loon vereffenaar (hierna: het loon van de vereffenaar) opgenomen. Als legitieme portie van zowel [naam 2] als [naam 4] is een bedrag van € 150.125,95 opgenomen.

3 Het verzet en het verweer

3.1.

[opposanten gezamenlijk] hebben de rechtbank verzocht hun verzet als bedoeld in artikel 4:218 lid 3 BW gegrond te verklaren en de door de vereffenaar op 28 oktober 2016 gedeponeerde uitdelingslijst bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te wijzigen.

3.2.

Aan hun verzet hebben [opposanten gezamenlijk] het volgende ten grondslag gelegd. De door te voeren wijzigingen betreffen in de eerste plaats de advocaatkosten. Deze hebben betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap en zijn derhalve terecht opgevoerd en dienen ten laste van de nalatenschap te komen. De nalatenschap heeft terzake geen terugbetalingsvorderingen op [opposant sub 1] , (erven) [naam 3] en [naam 5] . Dit heeft mede gevolgen voor de opgenomen leningen en de erfdelen van de nalatenschap van [vader] . Voorts ontbreekt een onderbouwing van het opgenomen loon van de vereffenaar. Tot slot geldt dat de waarde van de ouderlijke villa en daardoor de legitimaire massa (en de legitieme portie van de beide legitimarissen) door de rechtbank in 2012 onjuist is vastgesteld, gelet op de nadien gerealiseerde verkoopopbrengst. De hoger beroepsprocedure is ten onrechte stil gelegd. De verkoop van de ouderlijke villa is bovendien onrechtmatig geweest, omdat deze is geforceerd door de legitimarissen terwijl een koper beschikbaar was. Thans ontvangen de legitimarissen meer dan de erfgenamen, aldus [opposanten gezamenlijk]

3.3.

De vereffenaar voert gemotiveerd verweer, en verzoekt om hem toe te staan het loon van de vereffenaar te verhogen met een compensatie voor de door hem en zijn medewerkers aan de behandeling van de onderhavige procedure extra bestede tijd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover nodig - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet van [opposanten gezamenlijk] richt zich, zoals hiervoor in rov. 3.2 is vermeld, tot de volgende drie elementen van de uitdelingslijst.

De advocaatkosten

4.2.

[opposanten gezamenlijk] hebben betoogd dat de advocaatkosten integraal kwalificeren als schuld van de nalatenschap van [moeder] in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW. Na nadere bestudering heeft de vereffenaar dit wat betreft een bedrag van € 20.281,31 erkend. Wat betreft het overige deel van de kosten heeft de vereffenaar zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Nu [opposanten gezamenlijk] gemotiveerd hebben toegelicht dat ook dat deel van de advocaatkosten in het belang van de nalatenschap is gemaakt en hun stelling steun vindt in de overgelegde specificaties (bijlage 1 bij het verweerschrift van de vereffenaar), is het verzet in zoverre gegrond.

Het loon van de vereffenaar

4.3.

[opposanten gezamenlijk] hebben aangevoerd dat de vereffenaar heeft verzuimd zijn loon te verantwoorden. De vereffenaar heeft hierop bij verweerschrift alsnog de betreffende beschikking van de RC met daarbij de onderliggende berekening in het geding gebracht. Nu [opposanten gezamenlijk] hier niet meer op hebben gereageerd, moet het verzet in zoverre ongegrond worden verklaard.

De legitimaire massa/ legitieme portie

4.4.

[opposanten gezamenlijk] verzetten zich tot slot tegen de hoogte van de legitieme portie van de legitimarissen, zoals door de vereffenaar in de uitdelingslijst is opgenomen. De rechtbank overweegt dat over de omvang van de legitimaire massa reeds een procedure aanhangig is (de legitieme-procedure), en in die procedure reeds vonnis is gewezen. [opposanten gezamenlijk] hebben het in dat vonnis gehanteerde uitgangspunt, dat de waarde van de legitimaire massa, en de ouderlijke villa als onderdeel daarvan, moet worden bepaald op het moment van overlijden van de erflaatster ( [moeder] ), niet bestreden. Nu de legitimaire massa aldus reeds bij vonnis is vastgesteld, moet van de juistheid daarvan in de onderhavige procedure worden uitgegaan. Dat de erfgenamen hoger beroep tegen het vonnis hebben ingesteld kan daar niet aan afdoen, temeer niet nu de erfgenamen in 2015 gezamenlijk hebben besloten tot het stil leggen van de procedure in hoger beroep. Voor zover [opposanten gezamenlijk] de gezamenlijkheid van dit besluit betwisten, hebben zij daartoe onvoldoende gesteld. Daarnaast geldt dat onduidelijk is of de hoger beroepsprocedure tot een andere uitkomst zal leiden. Een en ander leidt tot de slotsom dat het verzet wat dit laatste element betreft eveneens ongegrond moet worden verklaard.

4.5.

Nu geen van de elementen in het verweerschrift van [verweerster sub 2] aanleiding geeft om over het bovenstaande anders te oordelen, behoeven [opposanten gezamenlijk] niet in de gelegenheid te worden gesteld om daarop (nader) te reageren. Het verweerschrift van [verweerster sub 2] bevat daarnaast ook standpunten die geen verband houden met het verzet van [opposanten gezamenlijk] In zoverre heeft de rechtbank de inhoud van het verweerschrift van [verweerster sub 2] buiten beschouwing gelaten.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzet partieel, wat betreft de advocaatkosten, gegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat de rekening en verantwoording en uitdelingslijst als volgt moeten worden gewijzigd: bij de activa moeten de advocaatkosten als vordering worden geschrapt, bij de passiva moeten de advocaatkosten onder ‘Vereffening’ worden toegevoegd. Daarnaast dient het loon van de vereffenaar opnieuw te worden berekend met inachtneming van hetgeen de vereffenaar hieromtrent in zijn verweerschrift (paragraaf 3) heeft opgenomen.

4.7.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart het verzet wat betreft de advocaatkosten ad € 74.368,00 gegrond en bepaalt dat de vereffenaar de door hem opgemaakte rekening en verantwoording en uitdelingslijst in de nalatenschap van [moeder] van 28 oktober 2016 zal wijzigen overeenkomstig hetgeen hiervoor in rov. 4.6 is overwogen,

5.2.

verklaart het verzet voor het overige ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. Marcus, mr. C. Bakker en mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2017.