Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5864

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
C/13/619503 / HA RK 16-443
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen door vereffenaar van een nalatenschap gedeponeerde rekening en verantwoording en uitdelingslijst als bedoeld in art. 4:128 BW. Rechtsmiddel van art. 676b Rv tegen beschikking van de rechter-commissaris niet aangewend. Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0177

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/619503 / HA RK 16-443

Beschikking van 3 augustus 2017

in de zaak van

[opposante] ,

wonende te [plaats] ,

opposante,

advocaat mr. E. Pasman,

tegen

MR. R.H. MEPPELINK in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster [moeder]

kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerder,

verschenen in persoon.

Partijen worden hierna [opposante] en de vereffenaar genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzetschrift, gehouden op
21 juni 2017, en de daarin genoemde stukken.

Het verzetschrift is gelijktijdig behandeld met het verzetschrift met zaak / rekestnummer C/13/619409 HA RK 16-441.

2 De feiten

2.1.

[vader] (hierna: [vader] ) en [moeder] (hierna: [moeder] ) zijn gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren te weten [naam 2] (hierna: [naam 2] ), [naam 3] (hierna: [naam 3] ), [opposante] , wijlen [naam 4] (hierna: [naam 4] ), [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en [naam 6] (hierna: [naam 6] ).

2.2.

[vader] is op 30 mei 1998 overleden. [vader] heeft bij testamenten van 23 januari 1975 en 10 februari 1982 over zijn nalatenschap beschikt. [vader] heeft [moeder] en zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd. Door het maken van een ouderlijke boedelverdeling heeft [vader] alle activa uit zijn nalatenschap aan [moeder] toebedeeld onder de verplichting voor [moeder] om alle passiva voor haar rekening te nemen. Aan zijn kinderen heeft [vader] toegedeeld een rentedragende vordering op [moeder] wegens overbedeling, opeisbaar bij haar overlijden.

2.3.

[moeder] heeft op 31 oktober 2002 door notaris J.P.D. Dierkens Schuttevaer een proces-verbaal van boedelbeschrijving van de nalatenschap van [vader] laten opmaken.

2.4.

In een door [opposante] tegen (onder meer) haar mede-erfgenamen in de nalatenschap van [vader] aanhangig gemaakte procedure heeft de rechtbank bij vonnissen van 22 juni 2005 respectievelijk 23 november 2005 de omvang van de nalatenschap van [vader] vastgesteld, aldus dat daartoe naast hetgeen in het proces-verbaal van boedelbeschrijving van 31 oktober 2002 is vermeld ook het saldo dat ten tijde van het overlijden van [vader] op drie bankrekeningen bij Crédit Suisse in Zürich (Zwitserland) stond (effecten ter waarde van ongeveer € 80.948,00) behoort. De rechtbank heeft beslist dat [moeder] , [naam 3] en [naam 5] hun aandeel in het saldo van de drie Zwitserse bankrekeningen verbeuren omdat zij het bestaan van die bankrekeningen jegens de overige erfgenamen hebben verzwegen, verborgen gehouden en/of betwist. Verder heeft de rechtbank [moeder] veroordeeld tot afgifte aan [opposante] van een wereldwijde volmacht ter verkrijging van inlichtingen en schriftelijke stukken van derden met betrekking tot de goederen behorende tot de nalatenschap van [vader] , waaronder ook een verzegeld pakket met de naam [opposante] erop geschreven (hierna: het verzegeld pakket).

2.5.

Het gerechtshof Amsterdam heeft de hiervoor genoemde vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof is door de Hoge Raad verworpen.

2.6.

[moeder] is op 6 oktober 2007 overleden. Zij heeft bij testament van 24 november 2004 beschikt over haar nalatenschap en daarin [naam 2] , [opposante] , [naam 4] en [naam 6] (hierna gezamenlijk: de erfgenamen in de nalatenschap van [moeder] ) tot haar erfgenamen benoemd, ieder voor gelijke delen. Zij heeft in haar testament bepaald dat [naam 3] en [naam 5] (hierna gezamenlijk: de legitimarissen in de nalatenschap van [moeder] ) niets uit haar nalatenschap zullen verkrijgen. [moeder] heeft [naam 2] tot executeur benoemd. [naam 2] heeft die benoeming aanvaard. Zij heeft notaris mr. K.B. Blijleven (hierna: notaris Blijleven) tot boedelnotaris aangesteld. [naam 7] (hierna: [naam 7] ) is erfgenaam geworden bij plaatsvervulling na het overlijden van [naam 4] .

2.7.

Notaris Blijleven heeft op 3 februari 2009 een proces-verbaal van boedelbeschrijving van de nalatenschap van [moeder] laten opmaken. Tot de nalatenschap behoorde onder meer de voormalige ouderlijke villa met aanhorigheden aan de [straat] te [plaats] (hierna: de ouderlijke villa), waarop ten behoeve van een bank (hierna: de bank) een eerste recht van hypotheek was gevestigd.

2.8.

[naam 3] en [naam 5] hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie in de nalatenschap van [moeder] . [naam 3] heeft daartoe in 2009 een procedure gestart bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de legitieme-procedure).

2.9.

Bij vonnis van 24 oktober 2012 heeft de rechtbank Amsterdam de legitimaire massa van de nalatenschap van [moeder] berekend aan de hand van artikel 4:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De waarde van de ouderlijke villa op 6 oktober 2007, als onderdeel van de legitimaire massa, heeft de rechtbank bepaald op € 2.200.000,00, overeenkomstig een waardebepaling door (door de rechtbank benoemde) deskundigen. De rechtbank heeft vervolgens de legitieme aanspraak van [naam 3] op de nalatenschap van [moeder] vastgesteld op € 156.105,50.

2.10.

[opposante] heeft net als de overige erfgenamen in de nalatenschap van [moeder] , hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de legitieme-procedure.

2.11.

In 2013 is de ouderlijke villa in opdracht van de bank openbaar verkocht voor een bedrag van € 955.000,00.

2.12.

Op verzoek van [naam 2] , [naam 6] en [naam 4] heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 24 april 2014 mr. R.N. Meppelink (de vereffenaar) benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [moeder] , met benoeming van mr. I.H.J. Konings tot rechter-commissaris (later opgevolgd door mr. R.A. Dudok van Heel, hierna: de RC).

2.13.

Bij brief van 12 januari 2015 heeft de vereffenaar de RC verzocht om een aanwijzing als bedoeld in artikel 4:210 lid 1 (juncto artikel 4:208 lid 2 sub a) BW, inhoudende dat geen verder onderzoek is vereist naar vermogensbestanddelen die (in het verleden) al dan niet in het buitenland tot het vermogen van [vader] dan wel [moeder] hebben behoord. Voorts heeft de vereffenaar verzocht om goedkeuring om direct over te gaan tot het maken van een voorstel tot verdeling van het thans bekende saldo van de nalatenschap, zulks zoveel mogelijk in samenspraak met de (advocaten van de) kinderen [achternaam] .

2.14.

Een brief van 6 maart 2015 van de griffier van de rechtbank Amsterdam aan de vereffenaar als reactie op de voorgaande brief luidt, voor zover hier relevant:

“(…) De rechter-commissaris is akkoord met de door u voorgestelde handelwijze (welk akkoord kan worden gezien als een aanwijzing als bedoeld in artikel 4:210 lid 1 (juncto artikel 4:208 lid 2 sub a) BW) en verleent u - voor zover nodig - goedkeuring om direct over te gaan tot het maken van een voorstel tot verdeling van het thans bekende saldo van de nalatenschap, voor zover mogelijk in samenspraak met (de advocaten van) de kinderen [achternaam] . (…)”

2.15.

Bij e-mail van 12 maart 2015 heeft de vereffenaar de advocaten van de erfgenamen, onder wie mr. Pasman, geïnformeerd over het voorgaande, en daarbij een afschrift van de hiervoor genoemde brief meegestuurd.

2.16.

Op 28 oktober 2016 heeft de vereffenaar de van dezelfde datum daterende rekening en verantwoording van de vereffening alsmede de uitdelingslijst ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

3 Het verzet en het verweer

3.1.

[opposante] heeft de rechtbank verzocht haar verzet als bedoeld in artikel 4:218 lid 3 BW gegrond te verklaren en de door de vereffenaar op 28 oktober 2016 gedeponeerde rekening en verantwoording en uitdelingslijst bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis (de rechtbank begrijpt: beslissing) te vernietigen, met veroordeling van de vereffenaar in de proceskosten.

3.2.

Aan haar verzet heeft [opposante] het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaan vele aanwijzingen, ook op basis van nieuwe tijdens de mondelinge behandeling in het geding gebrachte documenten, voor de aanwezigheid van tot de nalatenschap van [vader] (en [moeder] ) (hierna: de nalatenschappen) behorende vermogensbestanddelen, die nog niet in de rekening en verantwoording en uitdelingslijst zijn opgenomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bankrekeningen bij Crédit Suisse, The Connecticut Bank and Trust Company N.A. te Hartford (Verenigde Staten) en ABN AMRO Bank, een vastgoedcomplex in Italië en onroerend goed in Zwitserland en de Verenigde Staten. Naar dit vermogen moet nader onderzoek worden verricht, ook door middel van het horen van getuigen, zeker nu sprake is van gebleken oneerlijke deelgenoten. [moeder] , [naam 3] en [naam 5] hebben immers drie bankrekeningen bij Crédit Suisse niet opgegeven (zie rov. 2.4). Daarnaast geldt dat in de procedure van de vereffening van de nalatenschappen sprake is van verschillende fouten dan wel onjuistheden, bijvoorbeeld wat betreft de vaststelling van de nalatenschap van [vader] , de wijze van aanvaarding van de nalatenschap door [opposante] , de veiling van de ouderlijke villa en schenkingen, aldus steeds [opposante] .

3.3.

De vereffenaar voert gemotiveerd verweer (strekkende tot ongegrondverklaring van het verzet), en verzoekt om hem toe te staan het loon van de vereffenaar te verhogen met een compensatie voor de door hem en zijn medewerkers aan de behandeling van de onderhavige verzetprocedure extra bestede tijd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover nodig - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het verzet van [opposante] is, zoals hiervoor in rov. 3.2 is vermeld, dat er aanwijzingen bestaan dat sprake is van thans nog onbekende tot de nalatenschappen behorende vermogensbestanddelen, welke aanwijzingen nader onderzoek naar die vermogensbestanddelen rechtvaardigen.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. De vereffenaar heeft de RC bij brief van 12 januari 2015 verzocht om een aanwijzing dat geen verder onderzoek is vereist naar vermogensbestanddelen die al dan niet in het buitenland tot het vermogen van [vader] dan wel [moeder] hebben behoord. De RC heeft zich hierop bij brief van 6 maart 2015 (rov. 2.14) met deze handelwijze akkoord verklaard. Deze brief kwalificeert als een aanwijzing als bedoeld in artikel 4:210 lid 1 BW. De RC heeft dit artikel ook uitdrukkelijk in de brief vermeld. Met de aanwijzing heeft de RC de vereffenaar goedkeuring verleend om direct over te gaan tot het maken van een verdelingsvoorstel. Daarmee heeft de RC geoordeeld dat de vereffening kan plaatsvinden zonder dat nader onderzoek - dus ook nader onderzoek door middel van het horen van getuigen - naar tot de nalatenschappen behorend vermogen wordt verricht. Een dergelijke aanwijzing van de RC betreft een beschikking in het kader van de vereffening van de nalatenschap van [moeder] (afdeling 3 van titel 6 boek 4 BW). Tegen deze beschikking is ingevolge artikel 676b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank toegelaten. De eveneens in dit artikel opgenomen uitzondering doet zich hier niet voor.

Vaststaat dat de advocaat van [opposante] de aanwijzing van de RC van 5 maart 2015 heeft ontvangen, maar niet het daartegen toegelaten rechtsmiddel heeft aangewend. Zij heeft aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat geen rechtsmiddel tegen de aanwijzing was toegelaten. Een dergelijke onjuiste voorstelling van zaken moet voor haar rekening en risico blijven. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan vervolgens de juistheid of gegrondheid van deze aanwijzing niet alsnog in deze procedure aan de orde worden gesteld, maar moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Dat betekent dat het verzet van [opposante] reeds hierom ongegrond moet worden verklaard. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de vereffenaar, ook in de periode na de aanwijzing van de RC, op verzoek van [opposante] , navraag heeft gedaan bij de faillissementscurator en de protocolopvolger van notaris Blijleven, bij het kantoor van Van Hengstum & Stolp Notarissen (met betrekking tot mogelijk onbekende akten die in verleden bij dit kantoor zouden zijn gepasseerd) alsmede bij Crédit Suisse. Geen van deze naspeuringen heeft nieuwe informatie opgeleverd. Ook het onderzoek dat [opposante] zelf heeft verricht met gebruikmaking van de aan haar verleende wereldwijde volmacht (rov. 2.4) heeft geen resultaat opgeleverd. Het voorgaande oordeel wordt niet anders door de sinds de aanwijzing en tijdens de mondelinge behandeling door [opposante] in het geding gebrachte informatie. Deze informatie kan weliswaar op onderdelen worden gelinkt aan in dit dossier figurerende personen, maar levert geen concrete aanwijzingen op voor het bestaan én de locatie van nog onbekend tot de nalatenschappen behorend vermogen, hetgeen, zeker in dit stadium van de procedure, wel is vereist om nader onderzoek te rechtvaardigen. Ook hierom slagen de verzetgronden niet.

4.3.

Op grond van het voorgaande moet het verzet ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

4.4.

Het tegenverzoek van de vereffenaar tot verhoging van het loon van de vereffenaar met een compensatie voor de behandeling van de verzetprocedure hoeft geen bespreking gelet op de uitkomst in de verzetprocedure van [naam 2] (C/13/619409 / HA RK 16-441), waarin eveneens heden een beschikking wordt gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. Marcus, mr. C. Bakker en mr. M.E.M. James-Pater rechters, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2017.