Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5813

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
13/730005-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 44-jarige man moet 3 jaar de gevangenis in voor zijn levensgevaarlijke vlucht voor de politie in een gestolen BMW, op 28 januari van dit jaar. De man veroorzaakte meerdere ernstige aanrijdingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730005-17 (Promis)

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.N. Weski, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt verweten dat hij op 28 januari 2017 met een auto gevaarlijk heeft gereden en aanrijdingen heeft veroorzaakt, waardoor verschillende personen (zwaar) gewond zijn geraakt. Dat is ten laste gelegd als poging doodslag en/of (poging) zware mishandeling en/of het toebrengen van letsel door roekeloosheid dan wel schuld. Ook wordt verdachte verweten dat hij twee auto’s voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat het gestolen auto’s waren.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen het volgende vast.

In de nacht van 11 op 12 januari 2017 is een grijze BMW met kenteken [kenteken 1] gestolen.
Die BMW is op 28 januari 2017 rond 16.30 uur, voorzien van het valse kenteken [kenteken 2] , door verdachte geparkeerd op [straatnaam] in Diemen. Verdachte heeft daarna ‘iets’ bij de linker voorband gedaan en is weggelopen.

Kort daarna is verdachte in een andere (in de nacht van 10 op 11 januari 2017) gestolen grijze BMW, voorzien van het valse kenteken [kenteken 3] in plaats van [kenteken 4] , weggereden. Verdachte heeft van de politie een stopteken gekregen en heeft dat genegeerd. Daarop is een achtervolging gestart. Tijdens zijn vlucht voor de politie heeft verdachte meerdere aanrijdingen veroorzaakt. De laatste en meest ernstige dwong verdachte uiteindelijk tot stoppen. Nu de ten laste gelegde feitelijke gedragingen van verdachte ten tijde van die achtervolging niet zijn betwist, gaat de rechtbank uit van de in de bewijsmiddelen beschreven gang van zaken. De belangrijkste vragen in deze zaak zijn daarmee hoe die feiten moeten worden gekwalificeerd, namelijk of daaruit kan blijken van (voorwaardelijk) opzet, roekeloosheid of schuld van verdachte, en welke gevolgen verdachtes handelen heeft gehad.

4.2

Standpunten

De officier van justitie heeft op grond van het rijgedrag van verdachte geconcludeerd dat sprake is van een poging doodslag op meerdere personen. Daarnaast heeft zij bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde helingen gevorderd.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van die helingen omdat verdachte niet wist of had moeten weten dat de auto’s van diefstal afkomstig waren. Ten aanzien van het rijgedrag heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het veroorzaken van aanrijdingen en dus niet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Evenmin is dat letsel gevolgd. De rechtbank begrijpt dat de verdediging zich refereert ten aanzien van de verdenking van het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel als gevolg, door roekeloosheid dan wel schuld.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van het rijgedrag

Uit de processen-verbaal van bevindingen van de achtervolgende politiebeambten, de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] , alsmede de Verkeersongevalsanalyse, in samenhang met de ter terechtzitting getoonde beelden vanuit de politiehelikopter en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, leidt de rechtbank af dat verdachte over een afstand van ongeveer 25 kilometer zeer gevaarlijk heeft gereden. Om koste wat kost uit handen van de politie te blijven heeft hij, terwijl het donker werd en bij een druk verkeersbeeld, veelal op de provinciale weg:

  • -

    veel te hard gereden (tot snelheden van rond de 160 kilometer per uur);

  • -

    tegen het verkeer in gereden (spookrijden);

  • -

    gevaarlijk ingehaald, waarbij hij auto’s heeft geraakt (de Honda van mevrouw [naam 3] en de Audi van de heer [naam 1] );

  • -

    doorgereden na aanrijdingen (met de voertuigen van [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] );

  • -

    door rood gereden;

  • -

    meerdere keren ingehaald in weerwil van een inhaalverbod en daarbij de dubbele streep in het midden van de rijweg gepasseerd en auto’s afgesneden.

Verdachte is op de kruising van de Cornelis Bruijnzeelweg en de Gerrit Bolkade met een veel te hoge snelheid en zonder vaart te verminderen door een al vijf seconden rood licht uitstralend verkeerslicht gereden. Op dat moment was te verwachten dat ander verkeer, dat net groen licht had gekregen, de kruising zou oprijden, dwars op de rijrichting van verdachte. De kans dat door zulk rijgedrag een dodelijk ongeval zou worden veroorzaakt was, gelet op de hoge snelheid van verdachte, aanmerkelijk. Verdachte reed immers volgens de getuige [naam 1] met een snelheid tussen de 140 en 150 kilometer per uur toen hij de kruising naderde. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte met grote snelheid de kruising is overgestoken, daarbij het rode stoplicht negerend. [naam 2] heeft verklaard dat hij met groen licht de kruising op wilde rijden en plotseling een BMW met grote snelheid op zich af zag komen. Ondanks dat hij vol in de remmen is gegaan, werd zijn auto aan de voorzijde geraakt. Blijkens een foto in het dossier is de hele voorbumper van de auto af gereden. De bumper is op het wegdek teruggevonden. Over een lengte van vijfentwintig meter zijn op de kruising onderdelen van de auto van [naam 2] teruggevonden. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat de impact van de aanrijding groot is geweest en dat de aanrijding, als deze had plaatsgevonden ter hoogte van de bestuurdersstoel, wel degelijk dodelijke gevolgen had kunnen hebben. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in dit geval, al vluchtend voor de politie, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard kruisend verkeer met zodanige snelheid te raken dat de afloop dodelijk zou zijn, zowel voor die kruisende verkeersdeelnemers als voor verdachte zelf. Een poging tot doodslag op [naam 2] is dan ook bewezen.

Door de klap werd de BMW waarin verdachte reed opzij geslingerd. De auto had schade en reed onstabiel op de weg. Desondanks heeft verdachte zijn snelheid weer verhoogd naar zo’n 160 kilometer per uur en is weer zeer gevaarlijk gaan inhalen, in weerwil van een dubbele doorgetrokken streep, zich niet bekommerend om andere weggebruikers. Uiteindelijk is verdachte op de A22 met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur in een flauwe bocht de macht over het stuur kwijtgeraakt, in een slip geraakt en hard op een auto (Renault Scenic) geklapt waarin [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zaten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte na de aanrijdingen met de auto’s van [naam 3] en [naam 1] en de potentieel dodelijke aanrijding met [naam 2] volledige onverschilligheid heeft getoond ten aanzien van de daarna door zijn rijstijl te veroorzaken gevolgen. Uit het rijgedrag van verdachte en zijn verklaring ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte, ongeacht de consequenties, wilde ontkomen aan de politie. Door met een veel te hoge snelheid, met een beschadigde, onstabiele auto, slingerend en gevaarlijk door te blijven rijden in zijn vlucht voor de politie, heeft hij wederom bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een ongeval zou veroorzaken waarbij niet alleen medeweggebruikers maar ook hijzelf het leven zouden laten. Deze kans heeft zich op de A22 verwezenlijkt. Dat dit ongeval geen dodelijke afloop heeft gehad laat onverlet dat de kans daarop, met een dergelijke snelheid in een onstabiele auto op een donkere, drukke weg, aanmerkelijk was te noemen. Door maar door te blijven rijden, in een slingerend voertuig, en in weerwil van alle aanrijdingen die hij al had veroorzaakt heeft verdachte deze kans ook aanvaard. Bewezen is dan ook dat verdachte voorwaardelijk opzet had de inzittenden van de Renault Scenic – [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] – van het leven te beroven.

De aanrijdingen met de auto’s van [naam 3] en [naam 1] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te kwalificeren als een poging tot doodslag of tot zware mishandeling. Nu deze aanrijdingen evenmin tot letsel, tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden hebben geleid – een vereiste voor een veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet – zal verdachte met betrekking tot deze twee aanrijdingen van al het ten laste gelegde worden vrijgesproken, met dien verstande dat de rechtbank de feitelijkheden wel bewezen zal verklaren in het kader van de bewezen geachte pogingen tot doodslag op [naam 2] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] .

4.3.2

Ten aanzien van de heling van de BMW’s

Vast staat dat verdachte in beide BMW’s heeft gereden en dat beide BMW’s van diefstal afkomstig waren. Verdachte heeft geen verklaring willen geven over de herkomst van de auto’s. Dat, terwijl in de achterbakken van beide auto’s colaflessen met benzine zijn gevonden en op de dop van één van die flessen een DNA-spoor van verdachte is aangetroffen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de auto’s een behoorlijk crimineel karakter hadden en dat verdachte daarvan moet hebben geweten. Onder die omstandigheden, die schreeuwen om een verklaring, mag het zwijgen van verdachte in zijn nadeel worden uitgelegd. Dat betekent in dit geval dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte wist van de criminele herkomst van de auto’s en beide helingen bewezen zal verklaren.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

op 28 januari 2017 vanaf Amsterdam tot aan Beverwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk personen, namelijk [naam 2] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 6] en [naam 7] van het leven te beroven, opzettelijk telkens met zeer hoge en aanzienlijke snelheid op een tijdstip, te weten omstreeks 17.30 uur, waarop zich veel verkeersdeelnemers op de weg bevinden:

- met een personenauto, te weten een BMW met het kenteken [kenteken 3] , bij de afrit S118, richting de Verlengde Stellingweg rijdende in de richting van de Kolkweg, stoptekens van de politie te negeren en vervolgens zijn snelheid te verhogen, waarop de politie vervolgens de optische en geluid signalen aan heeft gezet, en

- rijdende met voornoemde personenauto op de Verlengde Stellingweg, zijnde een tweebaansweg, twee naast elkaar rijdende personenauto’s, op de linker rijstrook en op de rechter rijstrook, in te halen door tussen deze twee voertuigen door te rijden en met een harde klap tegen het voertuig, Ford Fiesta, kenteken [kenteken 5] , met als inzittende [naam 3] , op de eerste rijstrook te rijden en

- vervolgens met voornoemde personenauto, op de kruising Verlengde Stellingweg/Kolkweg, over de middenberm te rijden en tegen de richting in te rijden (spookrijden) en

- vervolgens naast een voertuig, te weten een Audi, kenteken [kenteken 6] , met als inzittende [naam 1] , te gaan rijden en vervolgens in aanraking te komen met dit voertuig en

- op de kruising Gerrit-Bolkade/Cornelis Bruijnzeelweg, door rood te rijden waardoor hij in aanrijding kwam met een voertuig komende vanuit de rechterkant, Honda Civic, met inzittende [naam 2] , kenteken [kenteken 7] , en

- vervolgens op de Gerrit-Bolkade richting Kanaalkade en Nauernaseweg met hoge snelheden, ongeveer 160 kilometer per uur, zijn weg te vervolgen en

- vervolgens op de rotonde van de N516 Nauernaseweg/N246 Rijksweg Buitenhuizen-Beverwijk links af te slaan richting Beverwijk, op welke weg een inhaalverbod van toepassing is, en meermalen voertuigen in te halen op dusdanige wijze dat zij moeten uitwijken en

- vervolgens met hoge snelheid, ongeveer 160 kilometer per uur, zijn weg te vervolgen op de Rijksweg A22, voornoemde personenauto (BMW) de berm in te sturen en vervolgens naar rechts te rijden richting de tweede rijstrook waardoor hij in aanrijding kwam met een voertuig, Renault, met het kenteken [kenteken 8] , met als inzittende [naam 4] en [naam 5] en [naam 6] en [naam 7] , waardoor dat voertuig door de personenauto BMW de geleiderail in werd geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 28 januari 2017 te Diemen een personenauto, te weten een BMW, [kenteken 2] , met het oorspronkelijk kenteken [kenteken 1] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 28 januari 2017 te Diemen en te Amsterdam een personenauto, te weten een BMW,
[kenteken 3] , met het oorspronkelijk kenteken [kenteken 4] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de drie door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Voor het eerste feit acht zij een gevangenisstraf van drie jaren passend. Voor de twee helingen acht zij een gevangenisstraf van één jaar passend. Het totaal dient te worden verminderd met de duur van het voorarrest.

De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte medische behandeling nodig heeft en dat dat buiten detentie gemakkelijker is te realiseren. De behandeling ziet op verwondingen die verdachte zelf bij de aanrijding in de onderhavige zaak heeft opgelopen. De raadsman acht een gevangenisstraf van zes maanden voor heling van één auto buitenproportioneel. Hij heeft verzocht bij enige strafoplegging de duur van het voorarrest niet te overschrijden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de ernst van de bewezen geachte feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Ook is rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan uit het dossier, waaronder het uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 juni 2017, en ter terechtzitting is gebleken.

Op 28 januari van dit jaar is verdachte ’s avonds met een auto op de vlucht geslagen voor de politie. Hij heeft over een afstand van ongeveer 25 kilometer zeer gevaarlijk gereden. Hij heeft – onder meer – snelheden van 160 kilometer per uur gehaald, ook op een weg waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold, hij is door rood gereden en heeft meerdere malen gevaarlijke inhaalmanoeuvres verricht. Dat alles op drukke, smalle, provinciale wegen, kruisingen of (toe- en afritten van) snelwegen. Veel verkeersdeelnemers hebben voor verdachte moeten uitwijken of remmen. In vier gevallen was dat tevergeefs en is een aanrijding gevolgd. Ondanks dat één van die aanrijdingen (de aanrijding met de auto van [naam 2] ) zeer ernstig was en de betrokken auto’s tot stilstand heeft gedwongen, is verdachte weer opgetrokken en hard doorgereden. Door de laatste aanrijding is de auto van verdachte (wederom) tot stilstand gebracht en wel zo dat verdachte niet langer kon doorrijden. Zelfs na deze aanrijding trachtte verdachte zijn vlucht voor de politie voort te zetten door uit de auto te stappen en over de geleiderail te springen. Verdachte heeft op geen enkel moment het initiatief genomen om te stoppen.

Dat de gevolgen van alle aanrijdingen relatief beperkt zijn gebleven, is gelet op het zeer gevaarlijke rijgedrag van verdachte een klein wonder. Voor [naam 2] geldt dat ‘slechts’ de voorbumper van zijn auto eraf is gereden. Dat de auto niet is ingereden aan de bestuurderszijde, waar [naam 2] zat, is enkel te danken aan de omstandigheid dat [naam 2] op tijd heeft geremd. De schade die verdachte heeft veroorzaakt, is met name materiële schade aan auto’s. Dit is evenwel niet te danken aan, maar eerder ondanks, het rijgedrag van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aanrijding met [naam 5] en de andere inzittenden van die auto niet heeft gewild. Deze verklaring staat in schril contrast met de conclusie van de rechtbank dat verdachte ‘koste wat kost’ voor de politie wilde vluchten. Dat hij bereid is de materiële schade van [naam 5] te vergoeden is te waarderen, maar doet niet af aan de ernst van de misdragingen op de weg en de zwaarte van de gevolgen voor – onder andere – de inzittenden van de Renault. Enkelen van hen hebben nog steeds last van de fysieke gevolgen van de aanrijding. Voor sommigen heeft de aanrijding ook een emotionele lading (gehad). De rechtbank schat in dat voor de andere aangereden personen iets vergelijkbaars geldt en dat er op 28 januari 2017 nog meer weggebruikers behoorlijk zijn geschrokken.

Voor dat wat is gekwalificeerd als vijf pogingen tot doodslag in het verkeer, maar in feite voor het gehele feitencomplex, acht de rechtbank een gevangenisstraf van twee jaren passend. De rechtbank zal echter een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, omdat het letsel van de slachtoffers relatief beperkt is gebleven.

Naast het rijgedrag is verdachte ook een verwijt gemaakt ten aanzien van het voorhanden hebben van de auto waarin hij is gevlucht en een auto die hij kort daarvoor had geparkeerd. Beide auto’s waren gestolen en kennelijk geprepareerd om na een gepleegd misdrijf in de brand te kunnen steken. Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor diefstal, het strafblad van verdachte en de bijzonder dubieuze omstandigheden die de auto’s omringen acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden per heling passend.

Totaal zal aan verdachte dus een gevangenisstraf van drie jaren worden opgelegd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 5] heeft zich middels een schriftelijke vordering van 20 juni 2017 gevoegd als benadeelde partij. Hij vordert een bedrag van € 3.115,- ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de dagwaarde van de aangereden auto en het eigen risico, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen geachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht, namelijk doordat de auto is aangereden en beschadigd. De vordering is niet betwist. Verdachte heeft verklaard bereid te zijn de schade te vergoeden. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 28 januari 2017.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem,
de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, tweede, derde en vierde cumulatief/alternatief ten laste gelegde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

poging tot doodslag, vijfmaal gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde

opzetheling, tweemaal gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [naam 5], wonende te [plaatsnaam] , toe tot € 3.115,- (drieduizend honderd en vijftien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 5] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 5] € 3.115,- (drieduizend honderd en vijftien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van 41 (eenenveertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting tot betaling niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Piena, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 augustus 2017.

De oudste rechter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.