Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5807

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
AMS 17/581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser woont in Duitsland en heeft een WIA uitkering aangevraagd. De verzekeringsarts heeft een spreekuur gehouden via Skype. Tijdens dit spreekuur zat de advocaat naast eiser. Onder meer is in geschil of het besluit wel zorgvuldig tot stand is gekomen nu het spreekuur is gehouden via Skype. De rechtbank ziet Skype niet als de meest geschikte wijze. Er kunnen dingen door over het hoofd worden gezien. De rechtbank is echter van oordeel dat het gebruik van Skype in dit geval niet leidt tot een gebrek in de medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2017 in de zaak tussen

[de man] , te [woonplaats] (Duitsland), eiser,

(gemachtigde: mr. R.P. Eefting),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, (gemachtigde: A.P. Prinsen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering met ingang van 8 augustus 2016 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.J. Kanning als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1

De rechtbank geeft hierbij eerst een korte uitleg over het systeem van de Wet WIA. Kennis van dat systeem is nodig om de uitspraak goed te kunnen begrijpen.

1.2.

Wanneer iemand door ziekte is uitgevallen voor zijn werk, heeft hij na 104 weken na zijn eerste ziektedag (de zogeheten wachttijd) recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, als deze persoon minimaal 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat iemand vóór zijn ziekte verdiende (het maatmanloon), te vergelijken met het gemiddelde loon dat iemand met zijn ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen nog kan verdienen. Uit deze vergelijking blijkt voor hoeveel procent iemand door zijn ziekte in inkomen achteruit gaat. Dit percentage wordt de mate van arbeidsongeschiktheid genoemd. Iemand die nog meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen (en dus minder dan 35% arbeidsongeschikt is), heeft op grond van de Wet WIA geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Wat ging er aan deze zaak vooraf?

2.1.

Eiser heeft fulltime gewerkt als accountmanager verkoop. Op 11 augustus 2014 heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege psychische klachten. Eiser ontving van 16 oktober 2014 tot en met 7 augustus 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet. In het primaire besluit heeft verweerder geweigerd om eiser een WIA-uitkering toe te kennen per 8 augustus 2016, omdat uit het onderzoek van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige is gebleken dat eiser minder dan 35%, namelijk 28,02%, arbeidsongeschikt is.

2.2.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidskundige bezwaar en beroep hebben toen opnieuw naar de zaak van eiser gekeken. Dit heeft geleid tot het bestreden besluit. Hierin heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

2.3.

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom beroep ingesteld. Hij vindt dat verweerder zijn medische beperkingen heeft onderschat en verwijst ter onderbouwing daarvan naar brieven van de psychotherapeut Wortelboer en de zogenaamde ‘Facharzt für Allgemeinmedizin’ Neesen (de rechtbank begrijpt dat dit een medicus is). Eiser stelt dat daaruit blijkt dat hij rust moet nemen om te herstellen en niet geschikt is om enige arbeid te verrichten. Verder stelt eiser dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op basis van een kort Skype gesprek. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts daardoor niet kunnen vaststellen dat eiser constant aan het trillen was als gevolg van stress, dat eiser begint te zweten bij dergelijke gesprekken en dat hij nauwelijks in staat is om zijn aandacht bij het gesprek te houden.

2.4.

Eiser heeft op 12 juli 2017 bij de rechtbank een verklaring van zijn behandelend chiropractor overgelegd van 11 juli 2017. Eiser voert aan dat hieruit blijkt dat zijn beperkingen mede voortvloeien uit lichamelijke klachten. Verweerder had terug redenerend bij eiser lichamelijk onderzoek moeten verrichten.

Wat vindt de rechtbank ervan?

3.1.

Kern van het geschil is of verweerder terecht heeft besloten dat eiser op 8 augustus 2016 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hierbij speelt ook de vraag of het medische onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest, omdat hij is uitgegaan van het onderzoek van de verzekeringsarts via Skype.

3.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de brief van de chiropractor van 11 juli 2017 blijkt dat eiser op 27 maart 2017 lichamelijk is onderzocht. De chiropractor heeft daarmee een oordeel gegeven over de situatie van eiser ruim zeven maanden ná de datum in geding, te weten 8 augustus 2016. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de chiropractor al om die reden niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken.

Het onderzoek van verweerder

3.3.

Volgens de rapportage van 14 juni 2016 heeft de verzekeringsarts dossierstudie verricht, een vragenlijst van eiser bestudeerd en eiser gezien via Skype op het spreekuur van 13 juli 2016. De verzekeringsarts stelt als diagnose burn-out. Tijdens het spreekuur via Skype ziet de verzekeringsarts dat eiser erg nerveus is, flink zit te trillen en te wrijven met zijn handen en onstabiel is. De verzekeringsarts neemt waar dat dit geleidelijk afneemt en dat eiser aan het einde van het gesprek tamelijk rustig communiceert. De verzekeringsarts stelt aan de hand van zijn waarneming tijdens dit gesprek via Skype vast dat er geen evidente problemen zijn met stemming, concentreren of geheugen. Uit het rapport blijkt dat eiser aan het re-integreren is bij een vroegere klant. De verzekeringsarts ziet geen reden voor een urenbeperking omdat eiser, gelet op zijn dagverhaal, 4 uur per dag werkt in een functie die zijn belastbaarheid overschrijdt en de rest van de dag nog kan vullen met andere activiteiten. Ook preventief zijn er onvoldoende redenen voor een urenbeperking. De verzekeringsarts heeft in verband met de psychische klachten in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 juni 2016 beperkingen vastgesteld op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en werken gedurende de nacht.

3.4.

Uit het rapport van 6 december 2016 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van het dossier, de rapportages van de verzekeringsarts, met name die van 14 juni 2016, en brieven van de behandelend sector, zijnde de brieven van 17 november 2014, 22 oktober 2015, 30 mei 2016 en 19 augustus 2016 van psychotherapeut Wortelboer, de medicatielijst van 7 juni 2016 en een brief van 1 september 2016 van ‘Facharzt’ Neesen. Aan de hand van deze gegevens ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om andere beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de verzekeringsarts tijdens het spreekuur via Skype aan alle elementen van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is toegekomen. Eiser en de verzekeringsarts hebben elkaar in een direct contact kunnen spreken, waardoor interactie mogelijk was. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een redelijk persoonlijk onderhoud geweest, een voldoende uitgebreide anamnese uitgevoerd en een screenend psychisch onderzoek verricht. Er is inzichtelijk, toetsbaar en reproduceerbaar en objectiveerbaar tot een advies gekomen. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven waarom er geen sprake is van een urenbeperking voor algemeen gangbare arbeid, met name omdat daarbij rekening is gehouden met de beperkingen.

3.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in het rapport van 10 maart 2017 aan dat het trillen en het verhoogde hartritme een begrijpelijke en niet direct ziekelijke reactie is op stressbeleving. Eiser maakt zich druk over de consequentie van de beslissing. Het heeft geen directe consequenties voor de inschatting van de belastbaarheid. Er zijn duidelijke beperkingen opgenomen voor de invloed van psychisch belastende omstandigheden op het functioneren van eiser. Tijdens een hoorzitting via Skype kan een persoon wel gezien worden en kan lichamelijk gedrag worden geobserveerd. Verder is door gedragsvormen zichtbaar, of niet anders zichtbaar dan in direct persoonlijk contant, dat er sprake is van “de aandacht erbij kunnen houden”. Wortelboer heeft aangegeven dat terugkeer naar eigen werk niet is gelukt. Maar dat werk kent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep anders dan het geduide werk overschrijdingen van de belastbaarheid. Neesen zegt dat eiser in staat is tot deeltijdarbeid en dan in het werk zoals hij uitvoerde.

3.6.

De rechtbank constateert dat de behandelend artsen Wortelboer en Neesen in hun brieven van 9 februari 2017 en 10 februari 2017 uitspraken doen over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser. Het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is echter aan de verzekeringsarts samen met de arbeidsdeskundige. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de behandelend artsen de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet weerleggen, omdat die zeggen dat eiser arbeidsongeschikt is maar hij wel halve dagen kan werken, en dit in een functie is die volgens de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) de belastbaarheid van eiser overschrijdt.

3.7.

De rechtbank is verder van oordeel dat het gebruik van Skype ter vervanging van een face to face spreekuur in beginsel niet gezien kan worden als de meest geschikte wijze om een eiser te onderzoeken. Zeker wanneer het een persoon betreft met fysieke klachten, komt het de rechtbank moeilijk, zo niet ondoenlijk, voor een zorgvuldig onderzoek te verrichten via een videoverbinding. Een gesprek via Skype is immers minder direct dan een face to face gesprek, waardoor er mogelijk dingen over het hoofd gezien kunnen worden. In het onderhavige geval heeft eiser aangegeven dat verweerder door het gebruik van Skype niet heeft kunnen zien dat hij als gevolg van stress constant aan het trillen was en niet of nauwelijks zijn aandacht erbij kon houden. In het rapport van de verzekeringsarts van 14 juni 2016 staat echter dat de verzekeringsarts heeft waargenomen dat eiser nerveus was en flink zat te trillen. Dit nam volgens de verzekeringsarts in de loop van het gesprek af en aan het eind van het gesprek was eiser in staat om rustig te communiceren. Verder heeft de verzekeringsarts aan de hand van zijn waarneming vast kunnen stellen dat er geen evidente problemen waren op het punt van concentreren of geheugen. De rechtbank stelt als eerste vast dat het onderzoek geen lichamelijke klachten betrof, maar psychische. Verder constateert de rechtbank dat de verzekeringsarts, via Skype, de door eiser aangevoerde punten heeft opgemerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gebruik van Skype in dit geval niet leidt tot een gebrek in de medische beoordeling.

3.8.

Eiser heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts, terug redenerend met de kennis van nu, een volledig onderzoek had moeten verrichten en niet heeft kunnen volstaan met een Skype gesprek. De verzekeringsarts had een lichamelijk onderzoek moeten verrichten.

3.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is de situatie zoals die bestond ten tijde van de beoordeling van de verzekeringsarts. Zoals de verzekeringsarts heeft overwogen zijn er nooit lichamelijk klachten aan de orde geweest. Ook eiser heeft nooit aangegeven dat er sprake was van lichamelijk klachten. De rechtbank is van oordeel dat het niet verrichten van een lichamelijk onderzoek onder deze omstandigheden niet als onzorgvuldig valt aan te merken. Indien er sprake zou zijn geweest van een persoonlijk gesprek in plaats van een gesprek via Skype, had dit er evenmin toe geleid dat de verzekeringsarts een lichamelijk onderzoek had moeten verrichten. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

3.10.

Gelet op het voorgaan de is de rechtbank van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van het medisch onderzoek. Bij de vaststelling van de belastbaarheid is rekening gehouden met klachten die medisch objectiveerbaar zijn. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd waarom de klachten van eiser niet dusdanig zijn, dat een urenbeperking is geïndiceerd. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

3.11.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen reden om een neuroloog als deskundige in te schakelen, zoals door eiser ter zitting is verzocht, ook al omdat het verzoek daartoe is gedaan naar aanleiding van de brief van de chiropractor van 11 juli 2017. Over de conclusies in die brief heeft de rechtbank hierboven al geoordeeld dat die niet zien op de datum in geding en daarom niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.S. van Douwen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.