Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5782

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
13-706115-12 RK 17-3662
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De overlevering van een Pool wordt gevraagd omdat hij in Polen nog een gevangenisstraf moet uitzitten vanwege de handel in verdovende middelen..

De rechtbank heeft kennis genomen van de brief van 12 juli 2017, afkomstig van de Regional Court te Poznań, waarin wordt meegedeeld dat niet kon worden vastgesteld dat de in het EAB e) onder C genoemde XTC pillen de werkzame stof MDMA bevatten, aangezien de opgeëiste persoon de pillen had ingeslikt, voordat de pillen konden worden geanalyseerd.

Omdat het lijstfeit ‘handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen’ is aangekruist onderzoekt de rechtbank niet of de feiten naar Nederlands recht ook strafbaar zijn. Er is geen evidente tegenstrijdigheid tussen het in het EAB aangekruiste lijstfeit en de omschrijving van de feiten waarvoor de man veroordeeld is in het EAB en de overlevering wordt ook voor het bezit van de XTC pillen toegestaan.

Een beroep op artikel 6, vijfde lid OLW faalt. De opgeëiste persoon stelt dat hij sinds 2009 in Nederland verblijft, maar kan de duur noch de rechtmatigheid van dat verblijf onderbouwen. Hij heeft zich niet in Nederland ingeschreven. Hij heeft op enig moment een valse naam gebruikt en heeft steeds zwart gewerkt. De reden hiervan was dat de opgeëiste persoon zich aan de in Polen opgelegde gevangenisstraf wilde onttrekken omdat hij in gevangenschap niet voor zijn gezin zou kunnen zorgen, zo heeft hij verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706115-12

RK nummer: 17/3662

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 januari 2012 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1982,

niet ingeschreven in de Basisregistratie personen, maar verblijvend op het adres [verblijfadres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Maastricht en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis, gewezen door the District Court in Wolsztyn van 24 december 2007 (zaaksnummer II K 148/07), gevolgd door een arrest van the Regional Court in Poznań van 15 mei 2008 (zaaksnummer IV Ka 357/08), waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en drie maanden (‘aggregate sentence’).
De uitspraak is op 15 mei 2008 onherroepelijk geworden.
Het betrof niet een bij verstek gewezen vonnis.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Dit vonnis en dit arrest betreffen de drie feiten zoals die als volgt zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

  1. In October 2005, in the village of [naam dorp 1] , situated in the district of [naam wijk 1] , province of Wielkopolskie , with intent to achieve a material gain, he supplied [naam 1] with psychotropic substances in the form of at least 10 grams of amphetamine, receiving in return the sum of PLN25O

  2. Between as early as October 2006 and June 2007, in the village of [naam dorp 1] , situated in the district of [naam wijk 1] , province of Wielkopolskie , acting contrary to provisions of the act, at short intervals of time, in a similar manner, with premeditated intent, he traded in large amounts of psychotropic substances by supplying them to [naam 1] , who sold these substances on to further customers, making a total of five transactions, during which he sold him a total of 500 grams of a substance containing amphetamine, receiving a total sum of PLN8,000 in return.

  3. Between as early as October 2006 and May 2007, in the town of [naam dorp 2] and the village of [naam dorp 1] , situated in the [naam wijk 2] district, province of Wielkopolskie , acting contrary to provisions of the act, at short intervals of time, in a similar manner, with premeditated intent to use amphetamine, ecstasy and marihuana, he was in possession of psychotropic substances in the form of at least 6.90 grams of amphetamine and at least 2 ecstasy pills, as well as of intoxicants in the form of at least 3 grams of marijuana.

4 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de brief van 12 juli 2017, afkomstig van de Regional Court te Poznań, waarin wordt meegedeeld dat niet kon worden vastgesteld dat de onder C genoemde XTC pillen de werkzame stof MDMA bevatten, aangezien de opgeëiste persoon de pillen had ingeslikt, voordat de pillen konden worden geanalyseerd.

Om deze reden heeft de officier van justitie gevorderd dat de overlevering voor de XTC pillen zal worden geweigerd. De raadsvrouw heeft zich hierbij aangesloten.

Onder verwijzing naar haar uitspraak ECL:NL:RBAMS:2012:7354 van 4 juni 2012 komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

De rechtbank stelt voorop dat “XTC” niet als zodanig is vermeld op lijst I bij de Opiumwet en dat “van algemene bekendheid is dat de in het spraakgebruik als XTC aangeduide drug haar effect, behalve aan MDMA, MDA of MDEA, ook aan andere, al dan niet op de bij de Opiumwet behorende lijst I vermelde stoffen, kan ontlenen” (HR 6 mei 2003, NJ 2003, 458, r.o. 3.5; HR 25 november 2003, LJN AM2764, r.o. 5.4). Indien niet blijkt uit welke stof of stoffen “XTC-pillen” zijn samengesteld, kan de rechtbank daarom niet vaststellen of sprake is van een gedraging ten aanzien van een stof of stoffen waarop de Opiumwet van toepassing is en dus evenmin of die gedraging naar Nederlands recht strafbaar is (vgl. HR 8 februari 2000, NJ 2000, 246, r.o. 4.2.2; HR 6 maart 2001, LJN ZD2380, JOL 2001, 177, r.o. 4.2; HR 5 april 2005, LJN AT1819, r.o. 4).

Op grond van het recht van Polen heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit echter in het onderhavige geval de feiten aangemerkt als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van de dubbele strafbaarheid niet geldt. Het is in beginsel aan die autoriteit om te beoordelen of dat vereiste al dan niet geldt voor een feit waarvoor overlevering wordt verzocht. Slechts in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is, gelet op deze marginale toets van oordeel dat het lijstfeit ook ten aanzien van het bezit van pillen in redelijkheid is aangekruist omdat het bezit klaarblijkelijk in de sleutel van handel is geplaatst. Zij kan dan ook niet treden in de beoordeling of de feiten naar Nederlands recht gekwalificeerd strafbaar zijn.

5 Artikel 6, vijfde lid OLW

De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon naar voren gebracht dat hij een beroep wil doen op artikel 6, vijfde lid OLW. De opgeëiste persoon stelt dat hij sinds 2009 in Nederland verblijft, maar kan de duur noch de rechtmatigheid van dat verblijf niet onderbouwen. Hij heeft zich niet in Nederland ingeschreven. Hij heeft op enig moment een valse naam gebruikt en heeft steeds zwart gewerkt. De reden hiervan was dat de opgeëiste persoon zich aan de in Polen opgelegde gevangenisstraf wilde onttrekken omdat hij in gevangenschap niet voor zijn gezin zou kunnen zorgen, zo heeft hij verklaard. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon hieraan toegevoegd dat hij geld wilde verdienen om zijn zieke vader in Polen financieel te ondersteunen en dat hij zich zorgen maakt om hem als hij hem niet langer zou kunnen helpen. Hij heeft benadrukt dat hij de huur voor zijn eigen woning in Nederland altijd heeft betaald en in zijn ogen ook overigens heeft bijgedragen aan de Nederlandse samenleving.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon er niet in is geslaagd om aan te tonen dat hij gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Het verweer faalt.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 augustus 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.