Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5781

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
13-751455-17 RK 17-3709
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Poolse man wordt er door de Tsjechische justitie van verdacht dat hij zich aan een verkrachting heeft schuldig gemaakt.

De man stelt dat zijn verdedigingsrechten zijn en worden geschonden doordat de Nederlandse officier van justitie niet voortvarend is ingegaan op het in artikel 21a Overleveringswet bedoelde verzoek. Dit artikel staat sinds 1 maart 2017 in de wet. Dit verweer wordt verworpen.

Voorts vreest hij voor schending van zijn mensenrechten indien hij in Tsjechië voor een ernstig zedendelict wordt veroordeeld. Zijn vrees betreft de mogelijkheid van chirurgische castratie.

De rechtbank heeft hier onderzoek naar gedaan en stelt vast dat dat de Tsjechische overheid erkent dat deze vorm van castratie voorkomt, maar dat deze ingreep uitsluitend op vrijwillige basis gebeurt bij patiënten en niet als een straf of maatregel kan worden opgelegd. De ingreep kan niet worden uitgevoerd bij gedetineerden en moet zijn voorzien van strenge waarborgen.

De rechtbank is op basis van het CPT rapport en op basis van de door de Tsjechische rechter gegeven aanvullende informatie van oordeel dat de opgeëiste persoon bij overlevering niet zal worden blootgesteld aan een reëel gevaar op schending van zijn mensenrechten, in casu de door hem gevreesde ‘chirurgische castratie’. Voor zover uit de rapportage van de CPT afgeleid zou kunnen worden dat deze commissie enige twijfel heeft bij de voor de ingreep vereiste vrijwilligheid wordt die twijfel niet nader onderbouwd. Om die reden gaat de rechtbank hier aan voorbij.

De overlevering aan Tsjechië is toelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751455-17

RK-nummer: 17/3709

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2017 door the District Court in Plzeñ -City (Okresní soud Plzñ-mĕsto), republiek Tsjechië, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag 1] 1982,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen maar verblijvende op het adres [verblijf adres] ,

gedetineerd in het detentiecentrum [naam detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 juli 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd door the Plzeň -City District Court op 17 mei 2017. Dossiernummer [nummer dossier] .

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vier naar het recht van Tsjechië strafbare feiten.

Deze feiten zijn als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:

The offence was committed on 14.4.2017 at around 19:00 p.m. in [plaats] , [straatnaam] , on the right side of the forest path in the local forest to which the injured person, [slachtoffer]

, born on [geboortedag 2] 1996 was voluntarily brought by car for picnic; the car was driven by [naam opgeëiste persoon] , born on [geboortedag 1] .1982, and another person in the car was

[medeverdachte] , born on [geboortedag 3] 1999.

In the forest, [naam opgeëiste persoon] asked [slachtoffer] whether she liked his girlfriend [medeverdachte] and whether she wanted to have a three-part sex with them, but he did not wait for her answer and physically attacked [slachtoffer] , followed by [medeverdachte] .

Subsequently, they tied up the hands of the injured [slachtoffer] behind her back with the aim to facilitate later commission of crime and both suspected persons repeated to the injured that they would kill her and bury her two meters under the ground and the injured had a reasonable fear of life and therefore she preferred not to defend herself actively.

When she had her hands tied up behind her back [naam opgeëiste persoon] forced her to perform fellatio with his penis which she could not refuse to do because she had her hands tied up and [medeverdachte] pressed her head towards the body of [naam opgeëiste persoon] .

Afterwards [medeverdachte] approached the parked car and took a kitchen knife from the inside, having a 15cm long blade, and holding it in her left hand pointed it to the injured and without saying any word she began to run the blade on the injured person’s neck but did not press the blade against skin.

Subsequently, [naam opgeëiste persoon] forced the injured person into having sex with him and [medeverdachte] watched them meanwhile.

Then [naam opgeëiste persoon] and [medeverdachte] forced the injured to have oral sex with [medeverdachte] and in fear of her life [slachtoffer] did not resist.

4 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 16, 21 en 27, te weten:

  • -

    ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling

  • -

    racketeering en afpersing

  • -

    verkrachting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De weigeringsgrond van artikel 11 OLW (gestelde schending van artikel 6 EVRM)

Standpunt raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd en daartoe aangevoerd dat met overlevering de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon als genoemd in artikel 6 EVRM in het gedrang komen.

Allereerst heeft de raadsman erop gewezen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn 2013/48/EU (artikel 10) zijn geschonden. Zowel de uitvaardigende lidstaat als de uitvoerende lidstaat zijn in gebreke gebleven bij de toepassing van artikel 21a OLW.
Indien de uitvoerende lidstaat terstond op de hoogte zou zijn gebracht van het (herhaalde) verzoek van de opgeëiste persoon om aanwijzing van een advocaat in de uitvaardigende lidstaat, had geen tijd verloren behoeven te gaan en had die advocaat de opgeëiste persoon kunnen adviseren en informeren met het oog op de overleveringsprocedure. De in de OLW bepaalde termijnen gelden immers onverkort.
De inactiviteit van met name de Tsjechische autoriteiten versterkt de twijfel van de opgeëiste persoon over de manier waarop Tsjechië zijn rechten voortvloeiend uit artikel 6 EVRM denkt te waarborgen.

Daarnaast heeft de raadsman gewezen op een rapport uit 2014 van het Europese Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (hierna CPT),1 waaruit zou blijken dat personen die onvoldoende financiële middelen hebben en nog niet officieel zijn ‘aangeklaagd’ geen toegang hebben tot een advocaat.
Gesteld is dat de opgeëiste persoon niet over financiële middelen beschikt, hetgeen er toe zou leiden dat hij, na overlevering, niet direct een advocaat toegewezen zal krijgen.

Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft hiertegen ingebracht dat door het Openbaar Ministerie voldaan is aan het in artikel 21a OLW bedoelde verzoek, maar dat de Tsjechische autoriteiten nog niet hebben gereageerd. Niet bestreden is dat de opgeëiste persoon recht heeft op bijstand van een raadsman in de uitvaardigende autoriteit maar dat geldt dan met name nà de overlevering.

Voorts heeft de officier van justitie betoogd dat de situatie waar de raadsman aan de hand van het CPT rapport op doelt betrekking heeft op ‘police custody’ en niet op het regime waar de opgeëiste persoon na overlevering in zal geraken.
Bovendien is het de Tsjechische autoriteiten bekend dat hij de bijstand van een raadsman wenst. Verwacht mag worden dat de Tsjechische autoriteiten richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 zullen naleven, maar hierop heeft noch de rechtbank noch het openbaar ministerie enige invloed.

Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt.

De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 10 van de Richtlijn 2013/48/EU en het op die Richtlijn gebaseerde artikel 21a OLW.

Artikel 10 van genoemde Richtlijn luidt, voor zover relevant, als volgt:

Recht op toegang tot een advocaat in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een gezochte persoon, vanaf zijn aanhouding op grond van een Europees aanhoudingsbevel recht heeft op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat.

(…)

4. De bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat brengt de gezochte personen er zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming van op de hoogte dat zij het recht hebben in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen. De rol van de advocaat in de uitvaardigende lidstaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte personen hun rechten uit hoofde van kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen.

5. Indien de gezochte personen het recht om een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen, wensen uit te oefenen en zij nog geen dergelijke advocaat hebben, brengt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat hiervan terstond op de hoogte. De bevoegde autoriteit van die lidstaat verstrekt de gezochte personen zonder onnodig uitstel de informatie om hem te helpen in die lidstaat een advocaat te vinden.

6. Het recht van gezochte personen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen, laat de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ bepaalde termijnen of de verplichting voor de uitvoerende rechterlijke instantie om binnen de overeenkomstig dat kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden een beslissing te nemen over de overlevering van de betrokkene onverlet.

De Overleveringswet is op grond van deze Richtlijn met ingang van 1 maart 2017 uitgebreid met artikel 21a dat als volgt luidt:

De opgeëiste persoon die is aangehouden, kan verzoeken een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen met het oog op het, door het verstrekken van informatie en advies, verlenen van bijstand aan zijn raadsman in Nederland ten behoeve van de procedure voor overlevering in Nederland. De officier van justitie stelt na ontvangst van het verzoek de uitvaardigende justitiële autoriteit terstond van het verzoek in kennis; de termijnen voor de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel gelden onverkort.

De rechtbank stelt vast dat artikel 10 van de Richtlijn en artikel 21a OLW betrekking hebben op de overleveringsprocedure als geheel en niet – zoals de officier van justitie heeft gesteld – in het bijzonder van toepassing is op de bijstand van een raadsman aan de opgeëiste persoon in de uitvaardigende lidstaat nà diens overlevering.

De rechtbank stelt voorts vast dat, indien artikel 21a OLW niet, ten dele, of te laat wordt nageleefd, de wet hier geen sanctie aan verbindt.

Voor zover de opgeëiste persoon zich op grond van een vermeende schending van het in dit artikel bepaalde, beroept op artikel 6 EVRM geldt het volgende.

Artikel 6 EVRM heeft geen betrekking op de overleveringsprocedure als zodanig.
Het Verdrag is van toepassing indien het gaat om de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen (‘civil rights and obligations’) of indien het gaat om een onderzoek naar de gegrondheid van een strafvervolging (‘criminal charge’).

Hetgeen de rechtbank hierna overweegt heeft betrekking op de procedure (in casu de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon) die nà de eventuele overlevering in de republiek Tsjechië zal plaatsvinden en waarin de opgeëiste persoon verdachte is.

De opgeëiste persoon kan een beroep doen op de bescherming van artikel 6 EVRM – meer in het bijzonder op het in artikel 6, aanhef en onder c bedoelde verdedigingsrecht – in de procedure waarin zijn vervolging voor de Tsjechische rechtbank plaatsvindt.
Indien hij alsdan meent dat enig in het Verdrag beschermd recht of vrijheid is geschonden, heeft hij recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM. De republiek Tsjechië is partij bij het EVRM.

Indien de rechtbank reeds nu van oordeel zou zijn dat er een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek om overlevering zou leiden tot een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, moet de overlevering worden geweigerd (artikel 11 OLW).

De raadsman heeft zich tevens beroepen op het CPT rapport van 31 maart 2015.
In dit rapport is de volgende passage gewijd aan de mogelijkheid van bijstand van een advocaat aan een persoon die van zijn vrijheid is beroofd:

13. The provision of Section 24 (4) of the Police Act under which a person deprived of his/her liberty by the police has the right to obtain, at his/her own cost, legal assistance and to talk to a lawyer in private, appeared to be generally respected in practice.

That said, some detained persons claimed that they had been questioned by police officers

without the presence of a lawyer and that their request to consult a lawyer had only been granted after the first questioning. In the CPT’s view, the right of access to a lawyer must be enjoyed by anyone who is under a legal obligation to attend — and stay at — a police establishment. Irrespective of his/her precise legal status, as from the outset of the deprivation of liberty. The CPT recommends that these principles be fully implemented in practice in all police establishments.

14. As noted in the report on the 2010 visit, the exercise of the right of access to a lawyer can

only be considered to be an effective safeguard against ill-treatment if persons in police custody who are not in the position to pay for a lawyer benefit from a fully-fledged system of legal aid. 1f this is not the case, the right of access to a lawyer will remain, in many cases, purely theoretical.

In the CPT’s experience, it is during the period immediately following the deprivation of liberty that the risk of intimidation and ill-treatment is at its greatest. Consequently, the possibility for persons taken into police custody to have access to a lawyer during that period is a fundamental safeguard against ill-treatment.

According to the information gathered in the course of the 2014 visit, and also as indicated

in the response of the Czech authorities to the report on the 2010 visit,7 detained persons could not benefit from free legal aid from the beginning of their deprivation of liberty by the police but only once they had been formally declared “accused”.

The Committee reiterates its recommendation that the Czech authorities take all necessary steps to ensure that the right to free legal aid for persons detained by the police, who are not in a position to pay for a lawyer, is applicable as from the very outset of their deprivation of liberty, irrespective of whether the person concerned has formally been declared “accused”.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het CPT betrekking hebben op de eerste fase van detentie, te weten die onmiddellijk volgend op een aanhouding door de politie.

De detentie waarin de opgeëiste persoon zal worden geplaatst – nà zijn eventuele overlevering – is een andere detentie en niet de ‘police custody’ als bedoeld in de rapportage.

De door de raadsman uitgesproken verwachting dat de opgeëiste persoon na diens eventuele overlevering aan de republiek Tsjechië verstoken zal zijn of blijven van juridische bijstand is onvoldoende onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden die die verwachting rechtvaardigen. Ook de rechtbank is niet gebleken dat er een concreet vermoeden bestaat dat aan verdachte geen raadsman zal worden toegewezen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zou leiden tot een flagrante schending van het door de raadsman bedoelde recht.

Het verweer faalt.

6 Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Standpunt raadsman
Gevreesd moet worden voor een reëel gevaar van schending van artikel 3 EVRM. Gelet op het feit waarvoor de overlevering onder meer wordt verzocht – de verdenking van verkrachting – loopt de opgeëiste persoon gevaar dat zijn mensenrechten zullen worden geschonden door de in de republiek Tsjechië regelmatig toegepaste ‘chirurgische castratie’ van mannen die zich schuldig maken aan een ernstig seksueel delict. De raadsman heeft zich hierbij gebaseerd op een passage uit eerdergenoemd rapport van de CPT.
De raadsman heeft primair verzocht de overlevering te weigeren, subsidiair om de beslissing op het overleveringsverzoek uit te stellen totdat gegevens zijn verkregen op grond waarvan dat reële gevaar kan worden uitgesloten.

Standpunt officier van justitie

De vrees van de opgeëiste persoon wordt weggenomen door het antwoord van de Tsjechische rechter B. Kučerová aan het IRC. Een castratie is slechts mogelijk onder zeer strenge voorwaarden en kan nooit worden opgelegd als strafmaatregel. Vereist is een schriftelijk verzoek van de betrokken persoon en een positieve verklaring van een commissie van deskundigen. De Tsjechische wet verbiedt castratie bij personen die ‘under duress or in service of a term of imprisonment’ zijn.

Oordeel rechtbank

De rechtbank vat het verweer, dat geplaatst is in de sleutel van de weigeringsgrond van artikel 11 OLW, op als een verweer in het kader van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) , welk artikel luidt: “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”

Het CPT rapport besteedt onder F. ‘The use of surgical castration in the context of the treatment of sex offenders’ aandacht aan bedoelde castratie.

De commissie noteert onder meer:

(…)


Notably, surgical castration can no longer be carried out on prisoners (whether sentenced or

on remand) or on persons deprived of their legal capacity. The intervention may be permitted

upon the written request of the patient concerned who must at least be 25 years old, must have committed a violent sexually-motivated crime, an expert medical examination must have shown the existence of specific sexual deviance and a high probability that he would commit a violent sexually motivated crime again in the future and if other methods of treatment have proven unsuccessful.

The patient’s application form should include detailed information on the intervention and must be accompanied by a recommendation from the attending physician as well as by an independent medical evaluation.

A central commission has been established within the Ministry of Health to decide on patients’ requests; it is composed of experts in psychology, psychiatry, sexology and urology,

together with a lawyer specialising in medical law, who must not have any links to the facility in which the patient has been placed. The commission must hear the patient in person and must inform him again of the nature, permanent consequences and possible risks of the surgical intervention. If the patient is subject to in-patient protective treatment or security detention, he must be informed that the castration will not give him a right to be released and that his request must be approved by the court. The castration may only be performed if the patient re-confirms his consent in writing immediately before the intervention.

De rechtbank onderschrijft de door de CPT uitgesproken aanbeveling om ‘surgical castration’ geheel uit te bannen:

(…)

the CPT urges the Czech authorities to put a definitive end to the use of surgical castration in the context of treatment of sex offenders and to amend the relevant legal provisions accordingly.

Wat daar ook van zij, de rechtbank stelt vast dat de Tsjechische overheid erkent dat ‘surgical castration’ voorkomt, maar dat deze ingreep uitsluitend op vrijwillige basis gebeurt bij patiënten en niet als een straf of maatregel kan worden opgelegd. De ingreep kan niet worden uitgevoerd bij ‘prisoners’ en moet zijn voorzien van strenge waarborgen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de inhoud van de brief van rechter Kučerová, die als volgt luidt:

(…) the Czech Republic Legal Order allows a performance of castration however under very rigorous conditions.

First of all, it is necessary to say that the court is not able to impose a punishment of the surgery castration execution on an accused person in the case when he is going to be found guilty. According to the Czech Republic Legal Order, the castration is being performed only pursuant to an application in writing of the given person and an affirmative statement of an expert committee on offenders/persons who committed a violent sexually motivated offence in the past if an expert medical examination proved an existence of specific sexual deviation with them and a high rate of probability that they will commit a violent sexually motivated offence again in the future and if other methods of treatment were not successful with them.

It is also necessary to state that the Czech Republic Legal Order prohibits to be performed any castration with persons who are under duress or in service of a term of imprisonment.

Dat de opgeëiste persoon al eerder voor een ernstig seksueel delict zou zijn veroordeeld is niet gebleken en wordt door hemzelf ontkend. Hij valt dan ook niet in de in de brief aangeduide categorie van ‘offenders/persons who committed a violent sexually motivated offence in the past’.

De rechtbank is op basis van het CPT rapport en op basis van de door de Tsjechische rechter gegeven aanvullende informatie van oordeel dat de opgeëiste persoon bij overlevering niet zal worden blootgesteld aan een reëel gevaar op schending van zijn mensenrechten, in casu de door hem gevreesde ‘chirurgische castratie’.

Voor zover uit de rapportage van de CPT afgeleid zou kunnen worden dat deze commissie enige twijfel heeft bij de voor de ingreep vereiste vrijwilligheid wordt die twijfel niet nader onderbouwd. Om die reden gaat de rechtbank hier aan voorbij.

De rechtbank ziet geen noodzaak om de beslissing op het overleveringsverzoek uit te stellen totdat gegevens zijn verkregen op grond waarvan dat door of namens de opgeëiste persoon gestelde reële gevaar kan worden uitgesloten, nu zij van oordeel is dat dit reële gevaar zich niet voordoet.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan the District Court in Plzeñ -City (Okresní soud Plzeñ -mĕsto) ten behoeve van het in Tsjechië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 augustus 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Het rapport van de CPT van 31 maart 2015, dat is uitgebracht naar aanleiding van het van 1 tot 10 april 2014 afgelegde bezoek van de CPT aan de republiek Tsjechië.