Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5720

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
KG ZA 17-689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen aangaande de (commerciële) exploitatie, door achteraf gezien onbevoegde bestuursleden van een islamitische stichting, van een pand dat is aangekocht met financiële middelen uit, en ten behoeve van de islamitische gemeenschap in Amsterdam-Oost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/631084 / KG ZA 17-689 PS/EB

Tussenvonnis in kort geding van 25 juli 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING VOOR ISLAMITISCH SOCIAAL CULTUREEL & MAATSCHAPPELIJK WERK,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 29 juni 2017,

advocaat mr. O.J. Hennis te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de stichting

STICHTING 'T KINDERHARTJE,

gevestigd te Amsterdam,

3. de stichting

STICHTING SAPIENTIA,

gevestigd te Amsterdam,

4. de stichting

STICHTING FELICITY,

gevestigd te Amsterdam,

5. de vennootschap onder firma

FESTA FOODS VOF,

gevestigd te Amsterdam,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.M. Berendsen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ISMW en [gedaagden gezamenlijk] worden genoemd. Afzonderlijk zullen gedaagden [gedaagde sub 1] , Stichting ‘t Kinderhartje, Stichting Sapientia, Stichting Felicity, Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 7 juli 2017 heeft ISMW gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. In overleg met partijen is aan het begin van de zitting vastgesteld dat de beschikbare zittingstijd onvoldoende was voor een adequate behandeling van alle gevorderde voorzieningen. Met instemming van partijen is besloten om slechts de meest spoedeisende vorderingen te behandelen en de overige vorderingen op een tweede – op 31 augustus a.s. te houden – zitting te behandelen. ISMW heeft vervolgens de vorderingen geselecteerd die wat haar betreft het meest spoedeisend waren. Het debat op de zitting heeft zich geconcentreerd op die vorderingen. ISMW heeft toegelicht dat zij in plaats van het in de dagvaarding geformuleerde gebiedsverbod heeft bedoeld te vorderen een toegangsverbod tot het pand van ISMW. [gedaagden gezamenlijk] hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

In dit tussenvonnis zal worden beslist over de door ISMW als meest spoedeisend aangewezen vorderingen uit de dagvaarding. De overige vorderingen zullen worden behandeld op de zitting van 31 augustus 2017.

Ter zitting waren aan de zijde van ISMW aanwezig, voor zover van belang,

[naam 1] (voorzitter), mr. Hennis en mr. H. Reitsma (een kantoorgenoot). Aan de zijde van [gedaagden gezamenlijk] waren aanwezig [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] , met

mr. Berendsen.

2 De feiten

2.1.

ISMW is op 2 december 1985 opgericht. Het initiatief tot oprichting is genomen door de islamitische gemeenschap in Amsterdam-Oost. Ingevolge de geldende statuten – zoals gewijzigd op 12 augustus 1986 – heeft ISMW ten doel:

  1. de bevordering en het (doen) geven van onderwijs;

  2. de bevordering van het sociaal en cultureel-maatschappelijk werk;

  3. de verwerving en het beheer van moskeeën en andere gebedsruimten;

  4. e coördinatie van de werkzaamheden van verschillende rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden;

  5. het organiseren van conferenties en kampen, ten behoeve van in Nederland wonende moslims.

De statuten bepalen voorts dat ISMW in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door twee bestuursleden gezamenlijk.

2.2.

In 1986 heeft ISMW een schoolgebouw met bijbehorende tuinen aan de Batjanstraat 13 te Amsterdam (hierna: het Pand) gekocht. Het Pand is gefinancierd uit eigen middelen van de islamitische gemeenschap. In de weekeinden verzorgde ISMW in het pand islamitisch onderwijs.

Bestuurssamenstelling sinds 2000 en inschrijving daarvan in handelsregister

2.3.

Begin 2000 heeft [gedaagde sub 1] zijn toenmalige medebestuurders – [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (hierna gezamenlijk de Overige Bestuurders te noemen) – uitgeschreven uit het handelsregister en zeven anderen tot bestuurslid benoemd. Over de geldigheid van deze ontslagen en benoemingen uit 2000 en de gevolgen daarvan voor latere bestuursbesluiten zijn tussen [gedaagde sub 1] en de hem getrouwen enerzijds en de Overige Bestuurders anderzijds in de loop der jaren verschillende procedures bij de civiele rechter gevoerd. Ook zijn bij de Kamer van Koophandel en bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven procedures gevoerd over de vraag wie als (rechtsgeldig benoemde) bestuurders van ISMW in het handelsregister ingeschreven dienden te staan. Het volgende is daarvan hier van belang.

2.4.

De rechtbank Amsterdam heeft bij onherroepelijk vonnis van 23 september 2009 voor recht verklaard dat het bestuur van ISMW in de periode juli tot en met november 2000 bestond uit [gedaagde sub 1] en de Overige Bestuurders.

2.5.

Bij vonnis van dezelfde rechtbank van 20 april 2011 is beslist dat er vanaf 2000 geen (rechtsgeldige) wijzigingen in het bestuur van ISMW meer hebben plaatsgevonden omdat de Overige Bestuurders bij eventuele bestuursbenoemingen van na november 2000 ten onrechte niet zijn betrokken. Deze beslissing is in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam op 26 augustus 2014 bekrachtigd (met gezag van gewijsde). Volgens het hof zijn alle na juli 2000 genomen benoemings- of ontslagbesluiten op de door de rechtbank genoemde grond nietig en – anders dan [gedaagde sub 1] en de zijnen hadden betoogd – niet slechts vernietigbaar.

2.6.

Het handelsregister is pas op 22 september 2016 in overeenstemming met deze uitspraken gebracht. Weliswaar hadden de Overige Bestuurders al op 4 mei 2011 de Kamer van Koophandel verzocht de inschrijving van ISMW aan te passen aan de uitspraken van de rechtbank, maar dit verzoek is in afwachting van voornoemd arrest van het hof van 26 augustus 2014 eerst geruime tijd aangehouden; terwijl [gedaagde sub 1] en de hem getrouwen vervolgens, op 8 december 2014 een nieuwe opgave van de uittreding van de Overige Bestuurders uit het bestuur van ISMW hebben gedaan. Pas nadat de procedure over deze nieuwe opgave in hoogste instantie door het College van beroep voor het bedrijfsleven ten gunste van de Overige Bestuurders was beslist, is in het handelsregister geregistreerd dat het bestuur van ISMW bestaat uit [gedaagde sub 1] en de Overige Bestuurders.

2.7.

Ten slotte heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 26 april 2017, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] geschorst als bestuurder van ISMW. Voor zover vereist, heeft de rechtbank voorts (1) de Overige Bestuurders ( [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ) herbenoemd tot bestuursleden en (2) de buiten hen om benoemde bestuursleden geschorst als bestuurders van ISMW.

2.8.

Tot in 2017 hebben [gedaagde sub 1] en de hem getrouwen ISMW bestuurd alsof zij het rechtsgeldige bestuur van ISMW vormden. Hierna zal het door [gedaagde sub 1] voorgezeten bestuur worden aangeduid als het [gedaagde sub 1] -bestuur.

Hypothecaire lening

2.9.

Eind 2010 heeft het [gedaagde sub 1] -bestuur namens ISMW een hypothecaire lening bij het Restauratiefonds afgesloten, voor een bedrag van € 360.651,00, waarbij ISMW aan het Restauratiefonds een recht van eerste hypotheek op het Pand heeft verleend.

2.10.

Het Restauratiefonds heeft de lening op enig moment opgezegd en in zijn geheel opgeëist wegens betalingsachterstanden. Vooralsnog is het Restauratiefonds niet overgegaan tot executie van haar hypotheekrecht. Er loopt een betalingsregeling.

Gebruiksovereenkomsten met Bevriende Stichtingen en

statutenwijziging van 18 april 2011

2.11.

Op 18 april 2011 heeft ISMW, vertegenwoordigd door bestuurders uit het [gedaagde sub 1] -bestuur, met betrekking tot het gebruik van het Pand overeenkomsten gesloten (met het opschrift “Gebruiksovereenkomst”) met drie stichtingen die gelieerd (waren en) zijn aan [gedaagde sub 1] Het betreft Stichting ‘t Kinderhartje, waarvan [gedaagde sub 6] , een zoon van [gedaagde sub 1] , voorzitter is; Stichting Sapientia, waarvan [gedaagde sub 6] samen met een andere zoon van [gedaagde sub 1] bestuurders zijn en Stichting Felicity, waarvan het bestuur wordt gevormd door [gedaagde sub 7] en een broer van [gedaagde sub 7] , beiden neven van [gedaagde sub 1] Deze drie stichtingen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Bevriende Stichtingen.

2.12.

Stichting ‘t Kinderhartje kreeg in de met haar gesloten overeenkomst een belangrijk deel van de begane grond alsmede de tuin van het Pand in exclusief gebruik tegen een gebruiksvergoeding van € 1.425,00 per maand, te vermeerderen met vergoedingen voor bijkomende leveringen en diensten. Deze ruimtes mag ‘t Kinderhartje uitsluitend bestemmen, zo bepaalt de overeenkomst,
“om te worden gebruikt als inrichting voor het bieden van kinderopvang waarbij de kinderen met elkaar leren omgaan in een veilige omgeving.”

De overeenkomst staat verhuur door ‘t Kinderhartje aan een derde die in de ruimtes een kinderdagverblijf wil exploiteren toe, mits met voorafgaande schriftelijke toestemming van ISMW.

2.13.

Stichting Felicity kreeg een deel van de begane grond, eerste verdieping en de hele zolder in exclusief gebruik tegen een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 1.425,00 per maand, te vermeerderen met vergoedingen voor bijkomende leveringen en diensten. Deze ruimtes mag Felicity uitsluitend bestemmen, zo bepaalt de overeenkomst,
“om in een veilige omgeving feesten en bijeenkomsten te kunnen organiseren, daarnaast het organiseren van bijeenkomsten ter bevordering van de maatschappelijke cohesie op een islamitische verantwoorde wijze.”

De overeenkomst staat verhuur door Felicity aan een derde die een activiteit wil exploiteren overeenkomstig het doel van ISMW toe, mits met voorafgaande schriftelijke toestemming van ISMW.

2.14.

Stichting Sapientia kreeg het belangrijkste deel van de eerste verdieping van het Pand in exclusief gebruik tegen een gebruiksvergoeding van € 570,00 per maand, te vermeerderen met vergoedingen voor bijkomende leveringen en diensten. Deze ruimtes mag zij ingevolge de overeenkomst uitsluitend bestemmen:
“om te worden gebruikt als ruimte om jongeren te onderwijzen in de wijze waarop de Islam in de samenleving op vreedzame, succesvolle en constructieve wijze kan worden beleden en daarvoor activiteiten te ontplooien.”

De overeenkomst staat verhuur door Sapientia aan een derde die een activiteit wil ontplooien overeenkomstig het doel van ISMW toe, mits met voorafgaande schriftelijke toestemming van ISMW.

2.15.

De met de Bevriende Stichtingen gesloten gebruiksovereenkomsten bepalen dat zij zijn aangegaan voor onbepaalde tijd en slechts kunnen worden opgezegd op de grond dat het gebruik door de gebruiker niet in overeenstemming is met de overeenkomst. In artikel 3 lid 2 bepalen de gebruiksovereenkomsten verder:

“Gebruiker is ermee bekend dat het Object wegens verbouwing nog niet geschikt is om aan haar opgeleverd te worden. Zij aanvaardt dat zij het Object pas kan gebruiken nadat het is opgeleverd en dat de datum van oplevering, gezien de monumentale kwaliteit van het Pand, onzeker is.”

2.16.

De gebruiksovereenkomsten bepalen voorts dat ISMW aan ieder van de Bevriende Stichtingen één bestuurszetel ter beschikking zal stellen. Het [gedaagde sub 1] -bestuur heeft (buiten de Overige Bestuurders om) een besluit tot dienovereenkomstige uitbreiding van het bestuur genomen.

2.17.

Eveneens op 18 april 2011 heeft het [gedaagde sub 1] -bestuur een notaris opdracht gegeven haar statuten te wijzigen. De akte van statutenwijziging is verleden (hoewel een rechtsgeldig bestuursbesluit daartoe ontbrak omdat de Overige Bestuurders niet bij dat besluit betrokken zijn) en in het handelsregister ingeschreven. De statutenwijziging behelsde onder meer een uitbreiding van het statutaire doel met het verschaffen van gelegenheid tot het organiseren van feesten en andere sociale evenementen.

2.18.

Onder de gedingstukken bevindt zich een gebruiksovereenkomst tussen ISWM, daarbij vertegenwoordigd door personen uit het [gedaagde sub 1] -bestuur, en Stichting ‘t Kinderhartje, gedateerd 1 mei 2014, waarbij aan Stichting ‘t Kinderhartje het exclusieve gebruiksrecht is toegekend van zes ruimtes op de begane grond van het Pand en waarbij de gebruiksvergoeding is verlaagd tot € 250,00 per maand (exclusief bijkomende leveringen en diensten). Omtrent de bestemming van de in gebruik gegeven ruimtes is bepaald dat ‘t Kinderhartje deze slechts mag bestemmen “om maatschappelijke problemen te tackelen”.

Verdere gebruikers van het Pand, waaronder onderhuurders

2.19.

Festa Foods, opgericht op 1 juli 2014, is een vennootschap onder firma tussen [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] . Festa Foods is gevestigd in het Pand en houdt zich bezig met de exploitatie van een (halal) Marokkaans/Frans restaurant en met catering.

2.20.

De zolderverdieping van het Pand wordt onder de naam Festa Lounge te huur aangeboden voor islamitische bruiloften en andere feesten.

2.21.

Stichting Sapientia heeft drie ruimtes op de eerste verdieping doorverhuurd aan respectievelijk [naam 4] (architect), [naam 5] (filmmaker) en [naam 6] (kunstenares). [naam 4] betaalt voor de door hem gehuurde ruimte een vergoeding van € 1.000,- per maand aan Sapientia. Bij e-mail van 16 juni 2016 heeft Stichting Sapientia toestemming gevraagd aan het [gedaagde sub 1] -bestuur voor de onderverhuur van deze drie ruimtes aan deze drie huurders. [gedaagde sub 1] , Stichting ‘t Kinderhartje en Stichting Felicity hebben nog diezelfde dag allemaal per e-mail toestemming gegeven voor deze onderverhuur.

2.22.

Stichting Felicity heeft twee ruimtes op de eerste verdieping van het Pand verhuurd aan een vastgoedbedrijf, C111 Vastgoed Consultancy B.V. Bij e-mail van 28 november 2016 heeft Stichting Felicity aan het [gedaagde sub 1] -bestuur toestemming gevraagd voor deze onderverhuur. Bij e-mails van dezelfde dag hebben [gedaagde sub 1] , Stichting ‘t Kinderhartje en Stichting Sapientia ingestemd met die onderverhuur.

2.23.

Bij overeenkomst van 11 april 2014 heeft ISMW, vertegenwoordigd door personen uit het [gedaagde sub 1] -bestuur, twee ruimtes op de begane grond verhuurd aan de Hijama-kliniek.

3 Het geschil

3.1.

ISMW vordert, kort gezegd:

  • -

    i) de Bevriende Stichtingen te veroordelen het Pand te ontruimen, op straffe van een dwangsom en met machtiging om de ontruiming zo nodig te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm;

  • -

    ii) Stichting ’t Kinderhartje te veroordelen tot betaling aan ISMW van

€ 139.485,77, te vermeerderen met rente;

  • -

    iii) Stichting Sapientia te veroordelen tot betaling aan ISMW van € 39.703,85, te vermeerderen met rente;

  • -

    iv) Stichting Felicity te veroordelen tot betaling aan ISMW van € 59.372,77, te vermeerderen met rente;

  • -

    v) [gedaagde sub 1] en de Bevriende Stichtingen te veroordelen tot afgifte van de in de dagvaarding genoemde bescheiden met betrekking tot het binnen ISMW gevoerde beleid, op straffe van een dwangsom;

  • -

    vi) de Bevriende Stichtingen te veroordelen tot afgifte van de in de dagvaarding genoemde bescheiden aangaande de gesloten onderhuurovereenkomsten, op straffe van een dwangsom;

  • -

    vii) [gedaagde sub 1] en de Bevriende Stichtingen te veroordelen tot afgifte van bescheiden over de (rechts)handelingen op en omstreeks 18 april 2011, waaronder in ieder geval een toelichting op de totstandkoming van de gebruiksovereenkomsten met de Bevriende Stichtingen en de statutenwijziging, op straffe van een dwangsom;

  • -

    viii) [gedaagde sub 1] , Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] te veroordelen tot afgifte van bescheiden met betrekking tot – kort gezegd – hun activiteiten, op straffe van een dwangsom;

  • -

    ix) [gedaagde sub 1] , Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] te bevelen zich te onthouden van enige commerciële activiteit in of vanuit het Pand, op straffe van een dwangsom;

  • -

    x) [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] de toegang tot het Pand te verbieden, op straffe van een dwangsom;

  • -

    xi) [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling van € 13.285,49, te vermeerderen met rente;

  • -

    xii) [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Aan haar vorderingen legt ISMW ten grondslag, samengevat weergegeven, dat het [gedaagde sub 1] -bestuur de rechtsgeldige bestuurders al ongeveer vijftien jaar buiten de deur houdt en dat [gedaagden gezamenlijk] het Pand al jaren voor eigen gewin gebruiken. Daar moet wat ISMW betreft een einde aan komen. Zij wil weer komen tot de kern van haar oorspronkelijke doelstelling: het geven van islamitisch onderwijs. Daarvoor is nodig dat zij inzicht krijgt in de wijze waarop het Pand in de afgelopen periode is geëxploiteerd, zodat zij haar rechtspositie kan bepalen. ISMW heeft wel al de beschikking over met de Bevriende Stichtingen gesloten gebruiksovereenkomsten – volgens ISMW zijn dat huurovereenkomsten – en weet van het bestaan van door deze stichtingen gesloten onderverhuurovereenkomsten. De inhoud van de onderverhuurovereenkomsten kent zij voor het merendeel echter niet. Alleen [naam 4] heeft, nadat de inleidende dagvaarding was uitgebracht, uiteindelijk een kopie van de tussen hem en Stichting Sapientia gesloten onderhuurovereenkomst aan ISMW verstrekt. ISMW meent dat er meerdere gronden zijn om de Bevriende Stichtingen te ontruimen. Verder maakt zij jegens de Bevriende Stichtingen aanspraak op betaling van een voorschot op schadevergoeding, althans op betaling van de huurachterstanden die volgens ISMW bestaan. Zij baseert zich daarbij op informatie waarover zij inmiddels – zonder medewerking van [gedaagden gezamenlijk] – de beschikking heeft gekregen. ISMW stelt dringend behoefte te hebben aan liquiditeiten om haar schuldeisers te kunnen voldoen.

3.3.

[gedaagden gezamenlijk] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

ISMW heeft verzocht om in dit tussenvonnis te beslissen over de meest spoedeisende vorderingen. Dat zijn volgens haar de hiervoor, in 3.1 genoemde vorderingen:

- onder (i) tot en met (iv): de tegen de Bevriende Stichtingen ingestelde vorderingen tot ontruiming en een voorschot op schadevergoeding dan wel betaling van de huurachterstanden;

- onder (vi): informatie over de onderhuurovereenkomsten, namelijk afschrift van de overeenkomsten met de onderhuurders en een overzicht van alle betalingen die de onderhuurders en de Hijama-kliniek op grond van die overeenkomsten hebben gedaan;

- de vordering onder (ix): het tegen [gedaagde sub 1] , Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] gerichte gebod tot staken van commerciële activiteiten in of vanuit het Pand.

Zij heeft ermee ingestemd dat over de overige vorderingen zal worden beslist op een latere datum.

De ontruiming van de Bevriende Stichtingen

4.2.

In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vordering eveneens zal toewijzen en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.

Bij de beoordeling van deze vordering wordt vooropgesteld dat de overeenkomsten die zijn aangeduid als gebruiksovereenkomsten moeten worden aangemerkt als huurovereenkomsten, nu ISMW daarbij gedeelten van het Pand in gebruik heeft gegeven aan de Bevriende Stichtingen, die zich als tegenprestatie daarvoor hebben verbonden tot het betalen van een vergoeding aan ISMW (vergelijk artikel 7:201 lid 1 BW).

4.4.

De ontruimingsvordering is primair gegrond op de stelling dat de gebruiksovereenkomsten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen doordat ISMW bij het aangaan daarvan niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd. ISMW kan immers slechts door twee gezamenlijk handelend bestuurders worden vertegenwoordigd. Ten tijde van het aangaan van de gebruiksovereenkomsten waren naast [gedaagde sub 1] slechts de Overige Bestuurders lid van het bestuur. Geen van de Overige Bestuurders heeft echter ISMW bij het aangaan van de gebruiksovereenkomsten vertegenwoordigd, aldus – steeds – ISMW. [gedaagden gezamenlijk] stellen daar tegenover – voor zover hier van belang – dat de Bevriende Stichtingen worden beschermd door het bepaalde in artikel 25 Handelsregisterwet. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.5.

De bestuurders die in 2011 namens ISMW de gebruiksovereenkomsten hebben gesloten, stonden op dat moment als zodanig geregistreerd in het handelsregister. Inmiddels is rechtens komen vast te staan dat zij met uitzondering van [gedaagde sub 1] destijds geen bestuurders van ISMW waren omdat zij nooit rechtsgeldig zijn benoemd. Ingevolge artikel 25 lid 3 Handelsregisterwet en artikel 2:6 lid 3 BW kan ISMW echter niet de onjuistheid van de inschrijving in het handelsregister inroepen tegenover een derde die daarvan onkundig was. De wetgever heeft in deze bepalingen bewust een subjectief criterium gehanteerd: of de derde beter had moeten weten is niet relevant. De vraag is slechts of hij beter wist. Dit houdt verband met de strekking van deze bepalingen. De bepalingen zijn erop gericht een derde rechtszekerheid te verschaffen zonder dat hij eerst een eigen onderzoek dient te doen. De bewijslast dat de derde beter wist rust op de rechtspersoon die stelt dat de derde beter wist, in dit geval dus ISMW.

4.6.

ISMW heeft in dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Bevriende Stichtingen wisten van de onbevoegdheid, dat wil zeggen dat zij wisten van de ongeldige benoemingen en ontslagen. ISMW heeft betoogd dat de Bevriende Stichtingen onmogelijk níet op de hoogte hadden kunnen zijn van de onbevoegdheid, nu nagenoeg de gehele Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam-Oost wist van de langdurige machtsstrijd bij ISMW, en gelet op de familiebanden tussen het merendeel van de bestuurders van de Bevriende Stichtingen en [gedaagde sub 1] ISMW heeft verder gesteld dat [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] aanwezig waren tijdens de mondelinge behandeling op 9 maart 2011 in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2011. Nog daargelaten dat dit laatste betwist is en niet kan worden vastgesteld in het bestek van dit kort geding (het proces-verbaal van de mondelinge behandeling dat zich bij de stukken bevindt, noemt [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] niet, maar daaruit kan nog niet worden afgeleid dat zij niet aanwezig waren) – heeft te gelden dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om wetenschap van de ongeldige benoemingen en ontslagen aan te nemen. Wetenschap van het bestaan van een geschil over de vraag wie de rechtsgeldig benoemde bestuurders zijn, kan niet gelijk worden gesteld aan wetenschap dat het gelijk in dat geschil bij de Overige Bestuurders berust.

4.7.

De conclusie luidt dat het er voorshands voor gehouden moet worden dat ISMW zich tegenover de Bevriende Stichtingen niet kan beroepen op de ongeldigheid van de gebruiksovereenkomsten op de grond zij bij het aangaan daarvan niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd.

4.8.

Subsidiair legt ISMW aan de ontruimingsvordering ten grondslag dat bij alle Bevriende Stichtingen sprake is van huurachterstanden (Stichting Felicity:

€ 59.372,77 (= 28 maanden), Stichting Sapientia: € 39.703,85 (= 36,8 maanden) en Stichting ’t Kinderhartje: € 139.485,77 (= 66 maanden) die ontbinding van de overeenkomsten en ontruiming rechtvaardigen.

4.9.

[gedaagden gezamenlijk] betwisten het bestaan van de gestelde huurachterstanden. Zij hebben processen-verbaal van oplevering overgelegd waarin staat dat de ruimtes pas op 1 mei 2012 (Stichting Sapientia), 1 november 2012 (Stichting ‘t Kinderhartje) en 1 december 2012 (Stichting Felicity) aan de Bevriende Stichtingen zijn opgeleverd. Dat de ruimtes niet meteen konden worden opgeleverd was ook aangekondigd in de gebruiksovereenkomsten. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, bedoelen [gedaagden gezamenlijk] te stellen dat de verplichting tot huurbetaling pas is ingegaan na de oplevering. Dit verweer kan in dit kort geding niet bij voorbaat als kansloos terzijde worden geschoven. Weliswaar staat in de gebruiksovereenkomsten niet dat de betalingsverplichting pas zou ingaan na oplevering van de in gebruik verstrekte ruimtes, maar die afspraak kan ook mondeling zijn gemaakt en dat ligt zelfs voor de hand, zeker nu er voorshands niet van kan worden uitgegaan dat de Bevriende Stichtingen de hun toegewezen ruimtes al voor de oplevering in gebruik hebben genomen. [gedaagden gezamenlijk] hebben verder een aangepaste gebruiksovereenkomst met Stichting ‘t Kinderhartje van 1 mei 2014 overgelegd, waarin een lagere vergoeding van € 250,00 per maand (exclusief bijkomende leveringen en diensten) is overeengekomen. Volgens [gedaagden gezamenlijk] is de huur verlaagd omdat een kinderopvang niet haalbaar bleek en Stichting ‘t Kinderhartje haar plannen moest bijstellen. Deze huurverlaging is volgens [gedaagden gezamenlijk] niet de eerste geweest; de huur zou al eens eerder naar beneden zijn bijgesteld tot € 817,00 (inclusief bijkomende leveringen en diensten) per maand. Die overeenkomst hebben zij echter niet overgelegd. [gedaagden gezamenlijk] hebben tevens overzichten van verplichtingen en betalingen overgelegd, met daarbij een groot aantal door [gedaagde sub 1] ondertekende kwitanties na contante betalingen. Volgens [gedaagden gezamenlijk] blijkt uit die gegevens dat van huurachterstanden geen sprake is. ISMW heeft daartegen ingebracht dat de overzichten door [gedaagden gezamenlijk] zelf zijn opgesteld, dat ISMW niet alle gestelde betalingen heeft kunnen controleren en dat op de kwitanties niet staat vermeld waarvoor de geïncasseerde bedragen zijn bestemd. Dat mag zo zijn, maar ISMW heeft ook erkend dat de bedragen op de kwitanties op het eerste gezicht overeen lijken te komen met contante stortingen op de bankrekening van ISMW, zodat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat de gestelde contante huurbetalingen hebben plaatsgevonden. Voorts hebben [gedaagden gezamenlijk] een beroep gedaan op verjaring van een deel van de eventuele huurschuld. Al met al is het debat over de vraag of er huurachterstanden zijn die de ontbinding van de huurovereenkomst door de bodemrechter rechtvaardigen thans nog niet voldoende uitgekristalliseerd om reeds nu, vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter, de ontruiming op die grond toe te wijzen. ISMW heeft ervoor gekozen de Bevriende Stichtingen rauwelijks te dagvaarden tot ontruiming wegens huurachterstanden en niet eerst een sommatie tot betaling van de gestelde huurachterstanden te sturen, wat voor de Overige Bestuurders toch in ieder geval vanaf begin mei 2017 mogelijk moet zijn geweest (omdat zij toen volgens hun eigen verklaring van de bank het overzicht van mutaties op de bankrekening hadden ontvangen waarop de in dit kort geding ingestelde geldvorderingen zijn gebaseerd). Dit maakt dat onduidelijkheid over de vraag welke betalingen zijn gedaan en welke betalingen gedaan hadden moeten worden in dit kort geding niet te snel voor rekening van de Bevriende Stichtingen mag worden gebracht. Voorshands is het bestaan van huurachterstanden dan ook onvoldoende aannemelijk geworden, zodat de ontruiming ook niet op die grond kan worden toegewezen.

4.10.

Meer subsidiair baseert ISMW haar ontruimingsvordering op het gebruik van het gehuurde door de Bevriende Stichtingen in strijd met de contractuele bestemming daarvan. Zij stelt daartoe dat Stichting Sapientia en Stichting Felicity de bij hen in gebruik zijnde ruimtes in strijd met de voor ieder van hen geldende gebruiksovereenkomst hebben doorverhuurd aan onderhuurders. Nagenoeg het hele Pand is thans op commerciële wijze doorverhuurd aan derden die niets te maken hebben met de contractuele bestemming van het verhuurde of de verwezenlijking van de statutaire doelstelling van ISMW, terwijl de Bevriende Stichtingen daarmee geld verdienen ten koste van ISMW, aldus ISMW.

4.11.

De gebruiksovereenkomsten die de Bevriende Stichtingen in 2011 met ISMW hebben gesloten, bevatten beperkende bepalingen omtrent de bestemming van het gehuurde (zie hiervoor, in 2.12-2.14) en eisen bovendien voor onderverhuur de instemming van ISMW. Sapientia heeft thans ruimtes onderverhuurd aan een (niet islamitische) architect, een (niet islamitische) filmmaker en een (niet islamitische) kunstenares. Niet valt in te zien dat deze onderverhuur valt binnen de contractuele bestemming in de gebruiksovereenkomst met Sapientia, als hiervoor, in 2.14 geciteerd. Evenmin valt in te zien dat onderverhuur aan een vastgoedbedrijf valt binnen de contractuele bestemming van de door Felicity gehuurde ruimtes, als hiervoor, in 2.13 geciteerd.

4.12.

[gedaagden gezamenlijk] betwisten niet dat het Pand deels op commerciële basis wordt onderverhuurd door de Bevriende Stichtingen. [gedaagde sub 6] heeft ter zitting verklaard dat Sapientia vanaf 2014 heeft onderverhuurd. [gedaagde sub 7] heeft ter zitting verklaard dat Felicity vanaf januari 2013 heeft onderverhuurd. [gedaagden gezamenlijk] stellen echter dat de Bevriende Stichtingen voor die onderverhuur steeds toestemming hebben gevraagd en gekregen van het toen zittende bestuur van ISMW, het [gedaagde sub 1] -bestuur. Zij verwijzen in dit verband naar de hiervoor, in 2.21 en 2.22 geciteerde e-mails uit 2016.

4.13.

Dit verweer gaat niet op. Na het aangaan van de gebruiksovereenkomsten zijn de Bevriende Stichtingen als bestuurder van ISMW benoemd (zij het dat het benoemingsbesluit nietig is gebleken), waarna zij zich feitelijk tot in 2017 hebben gedragen alsof zij – samen met [gedaagde sub 1] – het voltallige bestuur van ISMW vormden. Zij moeten echter in ieder geval vanaf het arrest van het hof van 26 augustus 2014 geacht worden op de hoogte te zijn geweest van het feit dat zij geen bestuurders van ISMW zijn en de Overige Bestuurders wel. Niettemin hebben zij zich tot in 2017 gedragen alsof zij met uitsluiting van de Overige Bestuurders samen met [gedaagde sub 1] het bestuur vormden en hebben zij met [gedaagde sub 1] al het mogelijke gedaan om de Overige Bestuurders te beletten om als bestuurders te gaan functioneren. Onder deze omstandigheden kunnen zij zich niet beroepen op een door het [gedaagde sub 1] -bestuur (dat dus, naar zij wisten, niet het bestuur was) in 2016 gegeven toestemming tot de huidige onderhuur. Stichting Sapientia en Stichting Felicity hebben dus in strijd met de contractuele bestemming van de door hen gehuurde ruimtes en in strijd met het verbod van onderhuur zonder toestemming van ISMW en bovendien in strijd met de statutaire doelstelling van ISMW als hiervoor, in 2.1 genoemd, aan welke doelstelling zij zich als pseudo-bestuurders van ISMW ook gebonden hadden moeten achten, ruimtes onderverhuurd met geen ander doel dan – ten koste van ISMW en ten koste van de plannen die het rechtmatige bestuur van ISMW met het Pand heeft – winst te maken. Dat aanzienlijke winst op het gebruik van de ruimtes door de Bevriende Stichtingen wordt gemaakt, is voldoende aannemelijk geworden. Dit is niet gerechtvaardigd met het oog op het doel van ISMW en het feit dat het pand is aangekocht met gelden van de islamitische gemeenschap. Op grond van het bovenstaande is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomsten van ISMW met zowel Stichting Sapientia als Stichting Felicity zal ontbinden. Van ISMW kan bovendien niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemzaak afwacht. Voldoende aannemelijk is dat zij aanzienlijke opeisbare schulden heeft en dat zij een spoedeisend belang heeft de exploitatie van het Pand weer zelf ter hand te nemen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat de Bevriende Stichtingen de onderhuurders niet in het geding hebben opgeroepen, en dat zij evenmin een beroep op hun belangen hebben gedaan, zodat met die belangen in dit geding geen rekening kan worden gehouden. ISMW heeft overigens gesteld dat zij zeker bereid is erover na te denken of zij de rechten van de onderhuurders zal eerbiedigen. Dit staat geheel aan ISMW ter beoordeling. In beginsel kunnen de onderhuurders slechts tegenover de Bevriende Stichtingen rechten geldend maken, niet jegens ISMW.

4.14.

De vordering tot ontruiming zal derhalve worden toegewezen tegen Stichting Felicity en Stichting Sapientia. Dat ook Stichting ’t Kinderhartje de bij haar in gebruik zijnde ruimtes in strijd met de gebruiksovereenkomst heeft doorverhuurd aan onderhuurders, is in dit kort geding niet voldoende gemotiveerd gesteld, mede gelet op de hiervoor, in 2.18 genoemde nadere gebruiksovereenkomst met ’t Kinderhartje van 1 mei 2014, waarbij zowel bestemming als mogelijkheid tot onderverhuur zijn herzien.

4.15.

Aan de vordering tot ontruiming van ’t Kinderhartje heeft ISMW wel nog ten grondslag gelegd dat ’t Kinderhartje in strijd met de toepasselijke Algemene Bepalingen een verbouwing op de begane grond heeft laten uitvoeren. Dit is door [gedaagden gezamenlijk] niet betwist. Uit de door hen in het geding gebrachte productie 4 blijkt dat [gedaagde sub 6] namens ’t Kinderhartje in december 2014 – derhalve na het arrest van het hof Amsterdam van 26 augustus 2014 – aan het [gedaagde sub 1] -bestuur toestemming heeft gevraagd om de begane grond te laten verbouwen. Gevraagd is toestemming voor de verbouwing van de wc tot keuken en voor de verbouwing onder de trap tot doucheruimte. Toen ’t Kinderhartje aan het [gedaagde sub 1] -bestuur toestemming voor de verbouwing vroeg, wist zij dat het [gedaagde sub 1] -bestuur niet het bevoegde bestuur was en de toestemming dus niet namens ISMW kon geven. Door vervolgens toch de verbouwing te laten uitvoeren in het Pand, heeft ’t Kinderhartje zich niet gedragen zoals een goed huurder betaamt. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het verzuim van ’t Kinderhartje de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt terwijl van ISMW niet kan worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. De ontruimingsvordering tegen Stichting ’t Kinderhartje zal derhalve ook worden toegewezen.

4.16.

De ontruimingstermijn zal op twee weken na betekening van het vonnis worden gesteld, teneinde ISMW in de gelegenheid te stellen te bezien of zij de onderhuurders een huurovereenkomst wil aanbieden. Het verbinden van dwangsommen aan de veroordelingen tot ontruiming wordt opportuun geacht. De gevorderde dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd als hierna vermeld.

Het staken van de commerciële activiteiten

4.17.

ISMW wil dat [gedaagde sub 1] , Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] hun commerciële activiteiten in het Pand staken. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat hiermee wordt gedoeld op zaalverhuur en cateringactiviteiten (van andere commerciële activiteiten is niets gebleken), thans door Festa Foods en haar beide vennoten [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] en tot in 2014 door de vennootschap onder firma Catering Zonder Naam en haar vennoten [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] . Hierna wordt ingegaan op de huidige activiteiten vanuit het pand door Festa Foods en haar vennoten.

4.18.

Volgens ISMW vormen die activiteiten een onrechtmatige daad jegens haar. Zij voert aan dat de activiteiten strijdig zijn met de statutaire doelstelling van ISMW en dat Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] zich zonder recht of titel in het Pand ophouden. [gedaagden gezamenlijk] betwisten dat sprake is van illegale of onrechtmatige zaalverhuur/cateringactiviteiten. Zij volstaan in dit verband met de stelling dat, voor zover sprake is geweest van zaalverhuur of cateringactiviteiten, die steeds “overeenkomstig geldige afspraken met één of meer van de Bevriende Stichtingen of ISMW is geschied”.

4.19.

Met dit verweer hebben [gedaagden gezamenlijk] echter bij lange niet voldaan aan hun stel- en motiveringsplicht. Dat sprake is geweest van zaalverhuur en catering door Festa Foods en haar vennoten is voldoende aannemelijk geworden. [gedaagden gezamenlijk] hebben nagelaten te stellen met welke entiteit(en) Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] daartoe een overeenkomst of overeenkomsten zouden hebben gesloten, wanneer dat is gebeurd en waarom zij van de rechtsgeldigheid daarvan mochten uitgaan, althans waarom zij op grond van die overeenkomsten mochten aannemen dat het uitoefenen van de bewuste activiteiten in of vanuit het Pand tegenover ISMW niet onrechtmatig was. Dit had wel op hun weg gelegen, mede gelet op het navolgende en op de (als productie 57 bij de dagvaarding overgelegde) sommaties die zij reeds op 23 juni 2017 van de advocaat van ISMW hadden ontvangen.

4.20.

Uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt dat Festa Foods zich per 3 september 2014 heeft laten registreren in het handelsregister en zich op het adres van het Pand heeft laten inschrijven. [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] moeten op grond van hun lidmaatschap van het bestuur van de Bevriende Stichtingen (welke stichtingen zich tot in 2017 in alle opzichten hebben gedragen alsof zij bestuurders van ISMW waren) in ieder geval na het arrest van het hof Amsterdam van 26 augustus 2014 geacht worden bekend te zijn met het feit dat de wijziging van de statuten van ISMW uit 2011 nooit van kracht is geworden omdat daaraan niet een (rechtsgeldig) bestuursbesluit ten grondslag ligt. Zij mogen in ieder geval vanaf die datum dan ook geacht worden te weten dat het statutaire doel van ISMW niet omvat het verschaffen van gelegenheid tot het organiseren van feesten en andere sociale evenementen. Ook moeten zij in ieder geval vanaf die datum geacht worden te weten dat namens ISMW niet het [gedaagde sub 1] -bestuur kan beslissen over verhuur door ISMW van gedeeltes van het Pand aan hen (of aan hun v.o.f. Festa Foods) dan wel over verzoeken van Bevriende Stichtingen tot onderhuur aan hen (of Festa Foods), maar slechts het rechtmatige bestuur, bestaande uit [gedaagde sub 1] en de Overige Bestuurders. Dat het [gedaagde sub 1] -bestuur met de activiteiten heeft ingestemd, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] niet onrechtmatig handelen jegens ISMW door in het pand de bewuste activiteiten uit te oefenen. Het gebod tot het staken van de zaalverhuur en de cateringactiviteiten is dan ook toewijsbaar jegens ieder van deze partijen. Nu [gedaagde sub 1] tot in 2014 ook bij deze activiteiten betrokken was, zal het gebod ook jegens hem worden toegewezen om te voorkomen dat hij de activiteiten gaat overnemen. De termijn waarop aan dit gebod moet worden voldaan zal ook op twee weken na betekening van dit vonnis worden gesteld.

4.21.

Het verbinden van dwangsommen aan het overtreden van dit gebod wordt opportuun geacht. De gevorderde dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd als hierna vermeld. Teneinde executiegeschillen te voorkomen wordt verstaan dat een overtreding van het gebod door Festa Foods niet tevens als een overtreding van haar vennoten [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] zal gelden, zonder af te doen aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] op grond van de wet voor een door Festa Foods verbeurde dwangsom.

De geldvorderingen wegens huurachterstanden

4.22.

ISMW stelt jegens de Bevriende Stichtingen aanspraak te hebben op schadevergoeding, althans op betaling van de huurachterstanden die volgens ISMW bestaan. Voor zover ISMW een voorschot op schadevergoeding vordert, begroot zij dat voorschot vooralsnog op de achterstallige huurtermijnen, omdat – naar zij stelt – haar volledige schade nog niet concreet te berekenen is. Hiervoor onder 4.9 is reeds overwogen dat het bestaan van huurachterstanden in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden. Dit betekent dat de geldvorderingen jegens de Bevriende Stichtingen niet kunnen worden toegewezen.

De inzagevordering - de onderverhuur door de Bevriende Stichtingen

4.23.

ISMW heeft verzocht in dit tussenvonnis te beslissen over de vordering tegen de Bevriende Stichtingen tot afgifte van bescheiden met betrekking tot de onderhuurders (onderdeel VI van het petitum van de dagvaarding), meer concreet de onderdelen 1 en 3 van VI, die neerkomen op afgifte van afschriften van door de Bevriende Stichtingen gesloten overeenkomsten van onderhuur op grond waarvan derden gebruik maken van de ruimtes in het Pand althans – in geval van een mondelinge overeenkomst – een toelichting op de voorwaarden van het gebruik, en een overzicht van de door de onderhuurders gedane betalingen op grond van die overeenkomsten, uitgesplitst naar datum, naam, rekeningnummer en grondslag van de betaling.

4.24.

De Hijama-kliniek (genoemd in onderdeel VI onder 3) is blijkens de eigen verklaringen van ISMW geen onderhuurder. ISMW heeft onbetwist gesteld dat de Hijama-kliniek rechtstreeks van ISMW huurt. De tegen de Bevriende Stichtingen gerichte inzagevordering ten aanzien van de Hijama-kliniek zal daarom bij de beoordeling voorlopig buiten beschouwing worden gelaten.

4.25.

De inzagevordering is gebaseerd op artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Een vordering op grond van dat artikel kan worden toegewezen indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) de eiser dient een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van de bescheiden, (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en (iv) de wederpartij moet over de bescheiden beschikken.

Huurovereenkomsten

4.26.

Aan deze vereisten is voldaan voor zover de vordering ziet op de schriftelijke overeenkomsten van onderverhuur. Voorshands wordt voldoende aannemelijk geacht dat het aangaan van die overeenkomsten onrechtmatig handelen van de Bevriende Stichtingen jegens ISMW dan wel een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de gebruiksovereenkomsten met ISMW door de Bevriende Stichtingen oplevert, althans dient ISMW door kennisneming van die overeenkomsten in staat te worden gesteld of daarvan sprake is. Daarvoor zou van belang kunnen zijn wanneer de overeenkomst is aangegaan. Daarmee is een voldoende rechtmatig belang gegeven. Dat de Bevriende Stichtingen – naar zij in algemene zin hebben aangevoerd – de gevraagde stukken niet zouden kunnen verstrekken, valt niet in te zien. Nu ter zitting door [gedaagden gezamenlijk] is gesteld dat de onderverhuur is begonnen in 2012 (’t Kinderhartje) dan wel 2013 (Felicity) dan wel 2014 (Sapientia), kan het beroep van [gedaagden gezamenlijk] op de beperkte bewaarplicht (dat ook in algemene zin is gedaan) niet opgaan. Zij zullen alleen dwangsommen kunnen verbeuren als naderhand mocht blijken dat zij niet aan de veroordeling hebben voldaan.

4.27.

Ter zitting is gebleken dat één van de onderhuurders van Stichting Sapientia, [naam 4] , inmiddels een kopie van de onderhuurovereenkomst aan ISMW heeft verstrekt. Bij afgifte van die overeenkomst heeft ISMW geen belang meer. Dat ISMW de overige overeenkomsten van onderverhuur al in haar bezit heeft of ook zonder medewerking van [gedaagden gezamenlijk] eenvoudig langs andere weg kan verkrijgen, hebben zij tegenover de betwisting door ISMW onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Overige gevraagde informatie

4.28.

Voor het overige ziet de vordering niet op bescheiden, doch betreft het veeleer een verzoek tot het verstrekken van informatie. Dit geldt voor de gevorderde toelichting op de gebruiksvoorwaarden, in geval van een eventuele mondelinge overeenkomst van onderverhuur, maar ook voor het geëiste (gespecificeerde) overzicht van ontvangen betalingen. Voor een dergelijk verzoek biedt artikel 843a Rv geen grondslag.

Spoedeisend belang bij overeenkomsten van onderverhuur

4.29.

ISMW heeft een spoedeisend belang bij afgifte van de overeenkomsten van onderverhuur. De Overige Bestuurders zijn – afgerond – vijftien jaar buiten de deur gehouden en zij moeten nu inventariseren wat de stand van zaken is in het Pand, of en in hoeverre zij namens ISMW met de onderhuurders overeenkomsten van huur wil sluiten en wat de rechtspositie van ISMW ten opzichte van de Bevriende Stichtingen is, opdat zij hun koers kunnen uitzetten. Zij staan daarbij onder tijdsdruk omdat de hypothecaire lening reeds is opgezegd, het Restauratiefonds kan overgaan tot uitwinning van het onderpand en er ook andere openstaande schulden zijn. De vordering zal dan ook worden toegewezen als in de beslissing vermeld, waarbij de dwangsom zal worden gemaximeerd op € 50.000,00.

Verdere beslissingen

4.30.

Alle verdere beslissingen, ook die omtrent de proceskosten, worden aangehouden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt iedere Bevriende Stichting om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het Pand (althans de door haar gebruikte ruimtes in het Pand) met al het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden, en onder overhandiging van de sleutels en overige toegangsmiddelen ter beschikking van ISMW te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

5.2.

veroordeelt iedere Bevriende Stichting om aan ISMW een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat zij niet volledig voldoet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 50.000,00 (per Bevriende Stichting) is bereikt;

5.3.

verbiedt aan [gedaagde sub 1] , Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] om na twee weken na betekening van dit vonnis enige activiteit betreffende zalenverhuur of catering in of vanuit het Pand te verrichten;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , Festa Foods, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] om aan ISMW een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per overtreding van het in 5.3 neergelegde verbod en € 500,00 per dag dat iedere overtreding voortduurt, totdat een maximum van € 50.000,00 (per entiteit) is bereikt;

5.5.

veroordeelt iedere Bevriende Stichting om binnen een week na betekening van dit vonnis kopieën aan ISMW af te geven van alle door haar gesloten overeenkomsten van onderverhuur op basis waarvan anderen dan zij gebruik maken van de ruimtes in het Pand, uitgezonderd de overeenkomst tussen [naam 4] en Stichting Sapientia;

5.6.

veroordeelt iedere Bevriende Stichting om aan ISMW een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet volledig voldoet aan de in 5.5 uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 50.000,00 (per Bevriende Stichting) is bereikt;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst af het onder 3.1 (i) en (ix) anders of meer gevorderde alsmede het onder (ii), (iii) en (iv) gevorderde;

5.9.

houdt alle overige beslissingen aan;

5.10.

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op donderdag 31 augustus 2017 te 9.30 uur.

Dit tussenvonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood-Wessels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.1

1 type: eB coll: MV