Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5719

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
: 6130115 KK EXPL 17-695
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een school moet een leraar zijn oude baan teruggeven omdat er geen gegronde redenen zijn voor zijn onvrijwillige overplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1002

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6130115 KK EXPL 17-695

vonnis van: 7 augustus 2017

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. L. van de Vrugt

t e g e n

de stichting Stichting Zaam, Interconfessioneel Voortgezet Onderwijs

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: Zaam

gemachtigde: mr. J.A. Keijser

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 11 juli 2017 met producties heeft [eiser] een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 24 juli 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Zaam is verschenen bij mevrouw [naam voorzitter] , voorzitter van het College van Bestuur, de heer [naam directeur] , schooldirecteur en de heer [naam adviseur] , adviseur, vergezeld door de gemachtigde. Zaam heeft op voorhand stukken en een conclusie van antwoord in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, [eiser] aan de hand van pleitnotities van de gemachtigde. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1961, is vanaf 1 maart 2001 bij ZAAM in dienst.

1.2.

Het huidige salaris bedraagt € 4.504,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld en andere emolumenten.

1.3.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Voortgezet Onderwijs (verder: de CAO).

1.4.

Artikel 18.4 van de CAO bepaalt onder meer het volgende:

“1. Overplaatsing van de werknemer geschiedt in principe met instemming van de werknemer.

2. Onvrijwillige overplaatsing van de werknemer van de ene naar een andere instelling of instellingen van de werkgever is alleen mogelijk:

a. in geval van een formatietekort op een bepaalde instelling

(b,c,d…..)

e. in andere door de werkgever met name genoemde zwaarwichtige omstandigheden;

f. om een personele wisseling mogelijk te maken als bedoeld onder b, c, d en e.

3. De werkgever die het voornemen heeft om een werknemer over te plaatsen, treedt in overleg met de werknemer om te bezien onder welke condities de overplaatsing zal geschieden. De hierbij gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd.

Indien geen overeenstemming wordt bereikt en de werkgever desalniettemin tot een onvrijwillige overplaatsing besluit, geeft deze bij zijn besluit aan op welke wijze hij de belangen van de werknemer en de belangen van de organisatie tegen elkaar heeft afgewogen.”

1.5.

Vanaf de aanvang van het dienstverband tot juni 2015 was [eiser] werkzaam als LB docent rekenen/wiskunde op het [naam school 1] , één van de scholen die ZAAM exploiteert. Het [naam school 1] , inmiddels na een fusie het [naam school 1] geheten, is een reguliere VMBO-school, waarbij de docenten (over het algemeen) één vak geven aan meerdere klassen.

1.6.

Nadat er volgens ZAAM een onwerkbare situatie was ontstaan tussen [eiser] enerzijds en de directeur en de teammanagers van het [naam school 1] anderzijds heeft er in 2015 een bemiddelingstraject plaats gevonden, gevolgd door een coachingstraject.

1.7.

Vanaf september 2015 tot juli 2017 (met een korte onderbreking begin 2016) heeft [eiser] op vrijwillige basis als docent gewerkt op het [naam school 2] , eveneens een door ZAAM geëxploiteerde school. Het [naam school 2] is een “tussenvoorzieningsschool” en kan worden beschouwd als een verlengde basisschool, waarbij de docenten alle vakken geven aan één klas.

1.8.

In een kort gedingprocedure ten overstaan van de kantonrechter te Amsterdam (KK 16-192) heeft [eiser] gevorderd weer tot zijn werkzaamheden als docent op

het [naam school 1] te worden toegelaten en hem voorts zijn salaris (dat was ingehouden) weer te gaan betalen.

1.9.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 maart 2016 de loonvordering van [eiser] toegewezen, onder de voorwaarde dat [eiser] de werkzaamheden op het [naam school 2] weer zou hervatten.

1.10.

Tegen het onder 1.9 bedoelde vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. De pleidooien in die zaak zijn gehouden in april 2017. Een arrest van het Hof wordt over enkele maanden verwacht.

1.11.

[eiser] heeft de onder 1.9 bedoelde werkzaamheden, onder protest, hervat.

1.12.

Bij brief van 27 juni 2016, die door [eiser] is opgevat als een besluit tot overplaatsing, heeft ZAAM aan [eiser] onder meer het volgende geschreven:

“U gaf aan nog in afwachting te zijn van een formeel overplaatsingsbesluit, U verwees daarvoor naar de uitspraak van de kantonrechter waarin deze overwoog dat ZAAM daar eenvoudig toe over had kunnen gaan. Die overweging staat echter uitdrukkelijk in de context van de aanmerkingen van ZAAM op uw plotselinge en eenzijdige werkstaking. Inmiddels heeft u zich echter ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk bereid verklaard op het [naam school 2] te werken. Ik zie niet welke toegevoegde waarde een formeel overplaatsingsbesluit nog zou kunnen hebben. Dat u (nadien) hoger beroep hebt ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, maakt dat niet anders.

Plaatsing op het [naam school 1] acht ik in de gegeven situatie echter uitgesloten. De arbeidsverhouding tussen u en de schoolleiding is onverminderd verstoord, en de situatie op die school vraagt om rust die geenszins gediend is met wat u uw ‘kritische betrokkenheid’ noemt. Daarbij komt dat het [naam school 1] per aankomend schooljaar met het [naam school 3] fuseert tot een nieuwe school met de heer [naam directeur] als directeur (met in de loop van het schooljaar te betrekken gezamenlijke nieuwe huisvesting In de loop van dat schooljaar), zodat terugplaatsing op uw oude school reeds om die reden uitgesloten is. Overplaatsing is thans alleen aan de orde in geval u geplaatst wordt op een andere school dan het [naam school 2] . Ik heb aangegeven daartoe bereid te zijn, gezien uw moeite met uw huidige school.

Voorwaarde was daarvoor wel dat een nieuwe overplaatsing en structureel karakter zou hebben. Per mail en mondeling heeft u te kennen gegeven (uitsluitend) plaatsing op het [naam school 1] na te willen blijven streven. Daarmee is een overplaatsing gelet op het belang van continuïteit naar mijn mening niet opportuun. U blijft daarmee ook na einde van dit schooljaar geplaatst op het [naam school 2] .

In het gesprek verzocht u tevens om vergoeding van de door u gemaakte kosten van rechtsbijstand. Los van het feit dat u een rechtsbijstandsverzekering hebt afgesloten, is u zowel in het kort geding als in de (ingetrokken) verzoekschriftprocedure een proceskostenvergoeding toegekend. Daar de intrekking van ons verzoekschrift voor u niet tot meerkosten heeft geleid, zie ik geen reden om een aanvullende vergoeding te betalen. Dit te meer daar ZAAM daarmee feitelijk toch de door u gewenste voortzetting van de rechtsstrijd zou faciliteren. Die rechtsstrijd acht ik noch in het belang van ZAAM, noch in dat van u.

Afschrift van deze brief zond ik rechtstreeks aan uw advocaat, mevrouw Van de Vrugt.”

1.13.

Tegen de onder 1.12 genoemde brief heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor het Christelijk Voortgezet Onderwijs en Hoger Beroepsonderwijs (verder: de Commissie van Beroep).

1.14.

De Commissie van Beroep heeft bij uitspraak van 27 september 2016 het beroep van [eiser] gegrond verklaard. Zij heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:

“3.7 Op 4 maart 2016 heeft verweerster een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van appellant met verweerster ingediend bij de rechtbank Amsterdam, kamer voor kantonzaken, primair op grond van artikel 7:669, derde lid, onder e, van het Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair op grond van artikel 7:669, derde lid, onder g en h, van het BW.

Bij schrijven van 6 april 2016 heeft verweerster het verzoek om ontbinding ingetrokken. Daarbij heeft zij als reden aangegeven dat appellant zich na het (hiervoor genoemde) vonnis van de kantonrechter van 22 maart 2016 bereid heeft verklaard zijn werkzaamheden op het [naam school 2] te hervatten, en dat hij wat betreft zijn instelling lering heeft getrokken uit het lopende coachingstraject. Verweerster wil appellant een herkansing bieden. Appellant heeft inmiddels zijn werkzaamheden op de school hervat, zodat er thans geen reden meer is het ontbindingsverzoek te handhaven, aldus het schrijven van 6 april 2016.“

en

“Voorts treft de stelling van verweerster, dat in de brief van 27 juni 2016 geen overplaatsingsbesluit als bedoeld in artikel 18.4 van de CAO is vervat, geen doel. De Commissie overweegt daartoe het volgende. Het verrichten van werkzaamheden op het [naam school 2] droeg geen vrijwillig karakter, maar was op grond van het meergenoemde vonnis van de kantonrechter van 22 maart 2016 een voorwaarde voor loondoorbetaling. Zoals de kantonrechter heeft overwogen in zijn vonnis onder 9 (bij welke overweging de Commissie zich aansluit), gaat het niet aan eerst een medewerker

te bewegen tot een vrijwillige overplaatsing om vervolgens, als hij daaraan heeft meegewerkt, daaraan het vrijwillig karakter te ontnemen. Dit vrijwillige karakter geeft [naam voorzitter] zelf aan in de brief van 2 juli 2015 (hiervoor onder 3.4, het cursief aangegeven gedeelte). Dit staat haaks op de slotzin van de brief van 27 juni 2016: “U blijft geplaatst op het [naam school 2] .”

De enkele bereidverklaring van appellant om aan het [naam school 2] te gaan werken in verband met de loonbetaling betekent naar het oordeel van de Commissie niet dat hij daarmee afstand heeft gedaan van zijn aanspraak om aan het [naam school 1] te werken. Ook de ter zitting door verweerster geponeerde stelling, dat door de bereidverklaring van appellant om op het [naam school 2] te gaan werken en de acceptatie daarvan door verweerster een overeenkomst is ontstaan waardoor geen overplaatsingsbesluit noodzakelijk was, deelt de Commissie niet. Daarmee miskent verweerster dat appellant met deze bereidverklaring uitvoering heeft gegeven aan het vonnis in kort geding, waarbij de voorzieningenrechter blijkens zijn beslissing voor ogen stond dat appellant zijn

werkzaamheden aan het [naam school 2] zou hervatten “zoals hij deze aldaar tot en met

december 2015 heeft verricht” (zie 3.6), op vrijwillige basis derhalve (zie 3.4). De Commissie concludeert dan ook, dat de brief van 27 juni 2016, gelet op de slotzin, materieel een besluit tot onvrijwillige overplaatsing inhoudt, hoewel dit niet is gegoten in de vorm van een formeel overplaatsingsbesluit als bedoeld in artikel 18.4, tweede lid, van de CAO met vermelding van de beroepsmogelijkheid.

De Commissie zal bij haar beoordeling dan ook dit besluit aanmerken als het besluit tot onvrijwillige overplaatsing als bedoeld in artikel 18.4, tweede lid, van de cao, waartegen het beroep van appellant zich richt.

Appellant kan mitsdien worden ontvangen in zijn beroep.

4.2

Inhoudelijk

In artikel 18.4, derde lid, van de CAO wordt vermeld dat er overleg met de werknemer plaats dient te vinden om te bezien onder welke condities de overplaatsing zal geschieden. Vast staat dat een overleg als hier bedoeld (met schriftelijk vastgelegde afspraken) niet heeft plaatsgevonden.

Weliswaar heeft appellant een en ander ook deels aan zichzelf te wijten omdat hij alleen op het [naam school 1] wil werken, maar dit neemt niet weg dat verweerster de procedure als neergelegd in artikel 18.4, derde lid, van de CAO had dienen te volgen. Dit heeft zij niet gedaan. Als vaststaand kan worden aangenomen, dat appellant het niet eens was met het - fictieve - voornemen van verweerster tot overplaatsing. Van overeenstemming als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, derde volzin, was derhalve geen sprake. Nu de werkgever niettemin tot een voor appellant onvrijwillige overplaatsing heeft besloten, diende zij - op grond van artikel 18.4, derde lid, laatste deel van de derde volzin - - bij haar besluit aan te geven op welke wijze zij de belangen van de werknemer en de belangen van de organisatie tegen elkaar heeft afgewogen.

Overeenkomstig de jurisprudentie, zoals laatstelijk Hoge Raad 11 juli 2008, LJN BD1847

( [naam zaak] ), moet een zodanig zwaarwichtig belang aan de kant van de werkgever aanwezig zijn bij wijziging van de arbeidsvoorwaarden dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Verweerster stelt dat zij de te dezen betrokken belangen wel heeft afgewogen en inzichtelijk gemaakt in de gesprekken en de correspondentie. De Commissie is echter van oordeel dat dit niet blijkt uit het besluit van 27 juni 2016. In het kader van de belangenafweging had in het onderhavige geval onder meet aandacht moeten worden besteed aan het aantal dienstjaren van appellant en het -ter zitting onbetwiste en volmondig erkende- gegeven dat hij vanaf 2001 naar volle tevredenheid op het [naam school 1] heeft gefunctioneerd (hij wordt zelfs een zeer goede docent genoemd), afgezet tegen de belangen van verweerster bij overplaatsing van appellant van het [naam school 1] naar het [naam school 2] , verband houdend met de door verweerster gestelde verstoorde arbeidsrelatie tussen [naam directeur] , die sinds september 2013 op het [naam school 1] als directeur werkzaam is, en appellant alsmede tussen een collega, mevrouw [naam collega] , en appellant. In dit kader had verweerster mede in de afweging dienen te betrekken de reden die is aangegeven voor de intrekking van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk dat appellant wat betreft zijn instelling lering heeft getrokken uit het lopende coachingstraject (zie hiervoor onder 3.7).

Niet onbelangrijk is voorts dat [naam lid 1] en [naam lid 2] , leden van het managementteam, die het vertrouwen in appellant zouden hebben opgezegd, niet meer werkzaam zijn op het [naam school 1] . [naam lid 1] is met pensioen en [naam lid 2] is overgeplaatst. Weliswaar stelt verweerster dat er onrust is op het [naam school 1] doordat een groep docenten terugkeer van appellant bepleit, doch hiertegenover staat dat volgens appellant onrust is ontstaan ten gevolge van de door een aantal docenten als onterecht ervaren overplaatsing van appellant en [naam lid 2] . Wat hier ook van zij, in het bestreden besluit is de belangenafweging niet inzichtelijk gemaakt.

Uit het voorgaande volgt voorts niet dat de belangen van verweerster in dit geval zwaarder dienen te wegen dan die van appellant. Andere feiten en omstandigheden die zodanige conclusie kunnen dragen, zijn niet gesteld of gebleken. Daarmede is ook op dit punt - naast het feit dat de voornemenprocedure niet is gevolgd - gehandeld in strijd met het gestelde in artikel 18.4, derde lid, van de CAO.”

1.15.

Bij brief van 24 mei 2017 heeft ZAAM het besluit genomen om [eiser] onvrijwillig over te plaatsen naar het [naam school 2] “in de functie en werkzaamheden die u daar sinds september 2015 vervult cq verricht (…..).”

Als grond voor de onvrijwillige overplaatsing noemt ZAAM artikel 18.4 lid 2 sub f (jo b) (subsidiair sub a) van de CAO. Ter zitting heeft ZAAM te kennen gegeven dat, in plaats van “sub f”, “sub e” moet worden gelezen.

1.16.

Tegen het onder 1.15 genoemde besluit heeft [eiser] op 5 juli 2017 beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (thans geheten Commissie van Beroep funderend onderwijs). In deze procedure moet ZAAM nog een verweerschrift indienen en moet nog een mondelinge behandeling plaats vinden, alvorens de Commissie van Beroep tot een uitspraak kan komen.

Vordering en verweer

2. [eiser] vordert dat Zaam bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de gebruikelijke werkzaamheden als LB docent op het [naam school 1] te laten hervatten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat ZAAM daaraan niet voldoet, met een maximum van € 100.000,-, met veroordeling van ZAAM in de kosten van de procedure.

3. [eiser] stelt hiertoe dat de onvrijwillige overplaatsing moet worden beschouwd als een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Immers mag [eiser] zijn eigen functie bij het (voorheen [naam school 1] , thans) [naam school 1] niet meer uitoefenen en wil ZAAM [eiser] (onvrijwillig) overplaatsen naar het [naam school 2] , waar [eiser] tegen zijn zin al twee jaar werkzaam is.

4. Daarbij is van (volgens [eiser] doorslaggevend) belang dat hij vanaf 2001 tot medio 2015 zonder enig probleem en naar zijn genoegen heeft gewerkt op het [naam school 1] . De moeilijkheden ontstonden toen er een nieuwe directeur ( [naam directeur] ) kwam en er ook een verschil van inzicht ontstond met de twee teammanagers. Inmiddels kan een en ander geen probleem meer zijn, nu de directeur zijn functie neerlegt per 1 september 2017 en de beide teammanagers al vertrokken zijn. Het probleem is dat ZAAM steeds weer met nieuwe, oneigenlijke, argumenten komt om te trachten de overplaatsing voor elkaar te krijgen. Die gang van zaken behoort niet te worden gehonoreerd.

5. Het werk op thans het [naam school 1] is vele malen leuker dan dat op het [naam school 2] . [eiser] wil weer terug naar zijn eigen functie, die hij ruim 14 jaar lang probleemloos heeft uitgeoefend terwijl (ook) ZAAM vindt dat [eiser] een uitstekende leraar is.

6. Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst alleen eenzijdig wijzingen als hij daarbij een zodanig zwaarwegend belang heeft dat het belang van de werknemer dat daardoor wordt geschaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Dat zwaarwegend belang is er aan de kant van ZAAM niet. ZAAM tracht gedurende al meer dan twee jaar [eiser] overgeplaatst te krijgen. Zij lijkt daarbij uit het oog te verliezen dat zij niet alleen in moreel opzicht, maar ook juridisch gezien steeds ongelijk krijgt. [eiser] verwijst naar de uitspraak van de Commissie van Beroep, terwijl het Gerechtshof te Amsterdam er in de in april 2017 gehouden zitting fijntjes op heeft gewezen dat ZAAM nog steeds geen officieel overplaatsingsbesluit had genomen.

7. De handelwijze van ZAAM is onzorgvuldig en in strijd met de regels van goed werkgeverschap, aldus steeds [eiser] .

8. Zaam heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover van belang, hierna worden besproken en beoordeeld.

Beoordeling

9. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

10. Vooropgesteld dient te worden dat, waar ZAAM in het overplaatsingsbesluit heeft verwezen naar artikel 18.4 lid sub f van de CAO, hiervoor in de plaats sub e moet worden gelezen, nu het duidelijk is dat er hier sprake is van een verschrijving.

11. Naar voorlopig oordeel dient de maatregel die ZAAM heeft getroffen, het overplaatsen van [eiser] naar het [naam school 2] , te worden beschouwd als een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Een dergelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden mag ZAAM alleen toepassen als zij bij die wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [eiser] dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De Commissie van Beroep heeft deze maatstaf in de onder 1.14 genoemde uitspraak terecht aangelegd.

12. Om aan het onder 11 genoemde vereiste te voldoen moet ZAAM in deze procedure aantonen dat zij zeer zwaarwichtige belangen heeft, op grond waarvan het van ZAAM niet gevergd kan worden [eiser] weer werkzaam te laten zijn in zijn oorspronkelijke functie van LB docent rekenen/wiskunde in (thans) het [naam school 1] .

13. Voorshands wordt geoordeeld dat ZAAM dit niet heeft kunnen aantonen, waarbij het volgende wordt overwogen.

14. In het overplaatsingsbesluit, vervat in de brief van ZAAM van 24 mei 2017, voert ZAAM een zestal argumenten aan, op grond waarvan zij tot haar beslissing is gekomen:

  1. de verstoorde arbeidsverhouding tussen [eiser] en [naam directeur] .

  2. formatieve bezwaren, omdat er geen lesuren beschikbaar zijn op het [naam school 1] . Daarbij is van belang dat ZAAM niet bereid is om uren Nederlands, die gegeven worden door een wél bevoegde docent, voor [eiser] vrij te maken. Op het [naam school 2] zijn er wel uren beschikbaar.

  3. het gegeven dat [eiser] niet bevoegd is voor zowel rekenen/wiskunde als voor Nederlands. Daarbij is van belang dat [eiser] voor rekenen/wiskunde niet bevoegd zal kunnen worden, gelet op zijn vooropleiding. Voor Nederlands kan hij dat wel, maar heeft [eiser] geen vinger uitgestoken, en lijkt hij nu wel te betwisten dat hij nog scholing nodig heeft om voor Nederlands bevoegd te worden Het is op zich juist dat [eiser] ook voor de vakken die hij geeft op het [naam school 2] formeel niet bevoegd is.

  4. e kwetsbaarheid van de school na de fusie, die meer onder druk zal komen te staan als [eiser] (weer) bij het [naam school 1] zal gaan werken.

  5. het conflict met mevrouw [naam collega] , dat nog niet is opgelost. Deze situatie is kwetsbaar gebleken. ZAAM acht mediation tussen [eiser] en mevrouw [naam collega] in de gegeven situatie niet meer zinvol.

  6. er hebben een aantal incidenten plaatsgevonden, die spelen rond de persoon van [eiser] . Daarbij merkt ZAAM op dat zij niet stelt dat [eiser] een en ander zelf heeft geïnitieerd of daar actief bij betrokken is. Het gaat om het heimelijk maken van bandopnames, het versturen of deponeren van anonieme brieven en dergelijke. Dit raakt de verhoudingen binnen de school.

15. Ter zitting heeft ZAAM aan de argumenten, genoemd in de brief van 24 mei 2017, nog toegevoegd dat er een klacht is binnengekomen, waarbij geklaagd is over de houding van [eiser] ten opzichte van een leerling bij een kennismakingsgesprek.

15. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de bezwaren van ZAAM het navolgende.

Ad a. Het staat vast dat [naam directeur] zijn huidige functie van directeur per 1 september 2017 zal neerleggen. Voorshands wordt geoordeeld dat daarmee het argument van ZAAM dat de verhoudingen tussen [naam directeur] en [eiser] verstoord zijn geen gewicht meer in de schaal kan leggen.

Ad b. De formatieve bezwaren van ZAAM zijn weliswaar invoelbaar, doch juridisch gezien wegen deze niet mee. Terecht heeft [eiser] er namelijk op gewezen dat het overplaatsingsbesluit formeel nog niet is getoetst door de Commissie van Beroep funderend onderwijs of door de bodemrechter. Dat heeft tot gevolg dat bij de thans aan de orde zijnde omstandigheden het uitgangspunt moet zijn dat [eiser] functie de facto de functie van LB docent rekenen/wiskunde aan (thans) het [naam school 1] is, met alle gevolgen van dien. Dat betekent dat aan de hand van het afspiegelingsbeginsel beoordeeld zal moeten worden aan welke docent lesuren moeten worden toebedeeld. Onweersproken heeft [eiser] op dit punt gesteld dat hij dan niet de eerste is aan wie er dan geen lesuren zouden toekomen.

Ad c. Vast staat dat de noodzaak om een lesbevoegdheid te halen door ZAAM regelmatig aan de orde is gesteld. Ook is het duidelijk dat (waar een bevoegdheid voor wiskunde is uitgesloten) [eiser] een bevoegdheid voor een ander vak, bijvoorbeeld Nederlands, zal moeten halen. Op dat punt is het voor de kantonrechter duidelijk geworden dat hier de door ZAAM aangehaalde eigenzinnigheid van [eiser] een rol speelt, waar hij ter zitting heeft aangevoerd dat hij met de Inspectie nog wel de strijd aan wil gaan over de vraag of [eiser] überhaupt nog wel een bevoegdheid moet halen om aan de eisen te voldoen. Als [eiser] op dit punt niet bijdraait zet hij mogelijk zijn dienstbetrekking bij ZAAM op het spel. Aan de andere kant heeft ZAAM zelf moeten toegeven dat er ter zake de bevoegdheid een overgangsperiode van drie jaar geldt en dat zij, naast [eiser] , nog een aantal docenten in dienst heeft die een benodigde lesbevoegdheid nog niet hebben. Voorts geldt dat [eiser] strikt genomen ook geen lesbevoegdheid heeft voor het werk op het [naam school 2] , de school waarnaar ZAAM [eiser] overgeplaatst wil zien. Naar voorlopig oordeel kan aan het door ZAAM aangevoerde argument van de ontbrekende lesbevoegdheid thans geen groot gewicht worden toegekend.

Ad d. Geoordeeld wordt dat ZAAM [eiser] niet kan tegenwerpen dat er thans spanningen op het [naam school 1] zouden zijn, die mede verband houden met de fusie. Met recht heeft [eiser] er op gewezen dat hij al ruim twee jaar niet meer werkzaam is op deze school en dat hij derhalve buiten eventuele spanningen staat. Er is een groep docenten die [eiser] graag ziet terugkeren naar het [naam school 1] . Dat zou volgens ZAAM leiden tot onrust. Volgens [eiser] zou zijn terugkeer naar het [naam school 1] juist tot meer rust kunnen leiden. De kantonrechter kan in dit kader niet beoordelen, wie hier gelijk heeft; aangenomen wordt dat een eventuele tijdelijke toename van de spanning onder de hier geschetste omstandigheden voor lief moet worden genomen.

Ad e. ZAAM voert enerzijds aan dat het conflict tussen [eiser] en mevrouw [naam collega] niet is opgelost, anderzijds acht zij mediation niet meer zinvol. Voorshands is de kantonrechter van oordeel dat dit argument van ZAAM veel aan kracht inboet door deze tweeslachtigheid.

Ad f. De kantonrechter wil best aannemen dat ZAAM het heimelijk maken van bandopnames of het doen circuleren van anonieme brieven niet wil accepteren. Echter, zolang zij [eiser] niet als dader kan aanwijzen, kan zij hem een en ander niet tegenwerpen in het kader van de gedwongen overplaatsing

17. De onder 15 genoemde klacht kan geen gewicht in de schaal leggen. ZAAM heeft de aard en zwaarte van deze klacht onvoldoende onderbouwd, terwijl deze voorts in het overplaatsingsbesluit niet wordt genoemd, zodat de klacht reeds op die grond buiten beschouwing moet blijven.

17. Al met al heeft ZAAM naar voorlopig oordeel niet aannemelijk gemaakt dat de terugkeer van [eiser] naar zijn oude functie dusdanige problemen oplevert, dat van ZAAM niet gevergd kan worden hem in die functie terug te plaatsen. Het zwaarwegend belang aan de zijde van ZAAM ontbreekt, terwijl het belang van [eiser] zonder meer vast staat.

19. Bij het bovenstaande dient ook nog mee te wegen de omstandigheid dat artikel 18.4 van de CAO een vrijwillige overplaatsing als regel beschouwt en een onvrijwillige overplaatsing als uitzondering. Met ander woorden: de werkgever moet wel van zeer goede huize komen om, na een belangenafweging, te besluiten tot een gedwongen overplaatsing.

20. Gelet op al het bovenstaande zal de vordering van [eiser] worden toegewezen.

21. Zaam dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Zaam om [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als LB docent op het [naam school 1] te hervatten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat ZAAM daaraan niet voldoet, met maximering van de te verbeuren dwangsom op € 100.000,-;

veroordeelt ZAAM in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot op heden begroot op

vastrecht € 223,-

explootkosten € 103,11

salaris gemachtigde € 400,-

--------- +

in totaal € 726,11

inclusief eventuele btw;

veroordeelt ZAAM tot betaling van een bedrag van € 50,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en ZAAM niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter