Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5714

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
AWB 15/8010
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres ontvangt bijstand en heeft recht op kinderalimentatie van haar ex-echtgenoot. Zij ontvangt deze alimentatie niet regelmatig en volledig. Het landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) neemt de inning van kinderalimentatie daarom over. Verweerder rekent de over een latere periode via het LBIO ontvangen kinderalimentatie toe aan een eerdere periode waarover eiseres de kinderalimentatie niet volledig heeft ontvangen en aanvullende bijstand genoot. Volgens verweerder betreft de uitbetaling via het LBIO achterstallige alimentatie, die op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Participatiewet kan worden teruggevorderd. De rechtbank volgt dit betoog niet. Het LBIO heeft de inning van zowel de lopende als de achterstallige alimentatie overgenomen. Eiseres had in de latere periode nog steeds recht op kinderalimentatie en de betalingen die zij in die periode via het LBIO heeft ontvangen, zijn niet uitgestegen boven het bedrag waarop zij recht had. Niet gebleken is dat de in de latere periode uitbetaalde kinderalimentatie betrekking heeft op de eerdere periode, zodat verweerder niet bevoegd is de in de eerdere periode uitgekeerde aanvullende bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw terug te vorderen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/8010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amstelveen, eiseres

(gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.K. Denneboom).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken per 25 juni 2013. De door eiseres ten onrechte over de periode van 25 juni 2013 tot 1 november 2014 ontvangen bijstand ten bedrage van € 11.005,56 bruto, is in hetzelfde besluit van eiseres teruggevorderd.
Bij besluit van 5 november 2015 (het bestreden besluit), verzonden op 10 november 2015, heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor wat betreft de periode van intrekking en de brutering van de vordering. De bijstandsuitkering van eiseres wordt ingetrokken over de periode van 25 juni 2013 tot 1 maart 2014 en de door eiseres ten onrechte ontvangen bijstand ten bedrage van € 3.790,74 netto wordt van haar teruggevorderd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op door eiseres overgelegde stukken. Bij brieven van 23 mei 2016 en 2 juni 2016 heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd. Bij brief van 1 juli 2016 heeft de gemachtigde van eiseres gereageerd. De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 11 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde bijgestaan door [de persoon] . Het onderzoek is ter zitting wederom geschorst teneinde de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 18 oktober 2016 gereageerd. De gemachtigde van verweerder heeft bij brief van 7 november 2016 gereageerd. De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 19 mei 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.


Overwegingen

1. Aan eiseres is met ingang van 3 februari 2012 een bijstandsuitkering toegekend. Eiseres heeft drie kinderen met haar ex-partner, die bij haar woonachtig zijn. De ex-partner dient per 6 maart 2013 € 990,- kinderalimentatie per maand aan eiseres te betalen, maar komt deze verplichting niet altijd geheel en tijdig na. Per 25 juni 2013 verwerft eiseres enige inkomsten uit een dienstbetrekking. Vanaf 1 oktober 2013 int het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) voor eiseres de kinderalimentatie. De bijstandsuitkering van eiseres is vanaf 1 november 2014 geblokkeerd, omdat haar inkomsten vanaf die datum hoger liggen dan de bijstandsuitkering.

2. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit de bijstandsuitkering over de periode van 25 juni 2013 tot 1 maart 2014 ingetrokken, omdat uit een overzicht van het LBIO is gebleken dat met de inmiddels geinde kinderalimentatie de alimentatieverplichting over die periode volledig is voldaan. De ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering ter hoogte van € 3.790,74 netto kan dan ook volledig worden teruggevorderd. Omdat er geen sprake is van verwijtbaar gedrag van eiseres wordt dit bedrag niet gebruteerd. Uit de toelichting in het verweerschrift blijkt dat het teruggevorderde bedrag ziet op de periode van 1 september 2013 tot 1 maart 2014. In de periode van 25 juni 2013 tot 1 september 2013 is ook ten onrechte bijstand ontvangen, maar verweerders systeem kan de berekening van dit bedrag niet aan, omdat over de desbetreffende periode al te vaak herberekeningen zijn uitgevoerd. De in die periode ten onrechte uitgekeerde bijstand wordt dan ook niet teruggevorderd van eiseres.

3.1

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres in de periode dat zij bijstand ontving, al haar inkomsten uit dienstbetrekking en de van haar ex-partner ontvangen kinderalimentatie heeft doorgegeven aan verweerder. Niet gebleken is verder dat verweerder deze inkomsten niet op de juiste wijze heeft verrekend met de bijstandsuitkering. Voor zover eiseres heeft gesteld dat dat niet het geval is en dat zij juist te weinig bijstand zou hebben ontvangen, volgt de rechtbank dit standpunt niet omdat het onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank stelt verder vast dat uit het ‘saldo overzicht’ van het LBIO van 2 september 2015 blijkt, dat eiseres in de periode van 17 december 2013 tot en met 27 augustus 2015 via het LBIO in totaal € 5.605,92 aan kinderalimentatie heeft ontvangen. Dit betreft een betaling van € 50,- op 17 december 2013 en tussen 17 juli 2014 en 27 augustus 2015 tientallen betalingen van in totaal € 5.555,92.

3.2

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f sub 1, van de Pw kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

3.3

In geschil is of verweerder de door eiseres via het LBIO ontvangen kinderalimentatie ter hoogte van in totaal € 5.605,92, op grond van het bepaalde in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw, mag toerekenen aan de periode van 1 september 2013 tot 1 maart 2014. Wat betreft het op 17 december 2013 ontvangen bedrag van € 50,- overweegt de rechtbank dat dit in elk geval niet op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw mag worden teruggevorderd, omdat het niet naderhand maar ín de betreffende periode door eiseres is ontvangen. Bovendien is, zoals reeds is overwogen, niet gebleken dat verweerder dit bedrag aan kinderalimentatie niet reeds heeft verrekend met de bijstand waarop eiseres in die maand recht had. Wat betreft de tussen 17 juli 2014 en 27 augustus 2015 via het LBIO ontvangen kinderalimentatie oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het eerdergenoemde overzicht van het LBIO blijkt dat het LBIO per 1 oktober 2013 de inning van zowel de lopende alimentatieverplichting als de achterstallige alimentatiebetalingen heeft overgenomen. Eiseres had blijkens het overzicht in de periode van juli 2014 tot september 2015 nog steeds recht op ruim € 990,- kinderalimentatie per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de in die periode door eiseres via het LBIO ontvangen kinderalimentatie niet op die periode betrekking zou hebben, maar op de periode waarover verweerder de bijstand terugvordert. Dit blijkt ook niet uit de door eiseres overgelegde toelichting van het LBIO van 12 oktober 2016. Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien de in de periode tussen 17 juli 2014 en 27 augustus 2015 door eiseres via het LBIO ontvangen kinderalimentatie een hoger bedrag zou betreffen dan het bedrag aan kinderalimentatie waarop zij in die periode recht had. Nu dit echter niet het geval is, heeft verweerder de door eiseres in de periode van 17 juli 2014 tot en met 27 augustus 2015 via het LBIO ontvangen kinderalimentatie ten onrechte als achterstallige alimentatiebetalingen toegerekend aan de periode van 1 september 2013 tot 1 maart 2014. Verweerder was dan ook niet bevoegd om de in deze periode aan eiseres uitgekeerde bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw van haar terug te vorderen.



4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat aan het primaire besluit hetzelfde gebrek kleeft. Om het geschil finaal te beslechten zal zij het primaire besluit daarom herroepen en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 13 mei 2016, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 11 oktober 2016 en 19 mei 2017 met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Tax, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.