Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5704

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
13/669036-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Politie wil weten wie gebruik maakt van duurdere huurwoning in Amsterdam, waar niemand staat ingeschreven. Doel van en indicatoren voor een zogeheten Spookburgeractie (ex. artikel 3 Politiewet), waarbij de politie met toestemming binnentreedt en zoekt. Geen discriminatie of misbruik van bevoegdheid. De verdachte, huurder van de woning, erkent in een verborgen ruimte ruim 5 kilo cocaïne, sealapparaat e.d. en € 92.000 te hebben verstopt. De rechtbank verklaart het geld verbeurd en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669036-17 (Promis)

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van de Venn en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 25 juli 2017 – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5,474 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- 6 pakketten inhoudende in totaal ongeveer 6 kilogram cocaïne en/of

- meerdere sealbags en/of

- een sealapparaat en/of

- diverse verpakkingsmaterialen en/of

- handschoenen en/of

- meerdere mobiele telefoons en/of

- een fles inhoudende azijnzuuranhydride

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij op of omstreeks 25 april 2017, te Amsterdam, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 92.000,00 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 92.000,00 euro, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 92.000,00 euro, voorhanden heeft gehad, althans een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 92.000,00 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag van in totaal ongeveer 92.000,00 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat enkele opvallende waarnemingen zijn gedaan in en rondom de [adres] te [plaats] . Na controle in de politiesystemen blijkt dat op het adres geen personen staan ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie terwijl er wel diverse mensen de woning in- en uitgaan. Tevens blijkt dat het pand eerder in verband is gebracht met aan de Opiumwet gerelateerde feiten. Daarop is een zogeheten Spookburgeractie georganiseerd om te onderzoeken wie er in de woning verblijven. Op 25 april 2017 is, na toestemming van verdachte, de woning door verbalisanten betreden. Binnen werden nog vier andere personen aangetroffen en meerdere mobiele telefoons. Deze feiten en omstandigheden, in combinatie met de eerdere waarnemingen, waren aanleiding om, na toestemming van verdachte, de woning te doorzoeken. In het appartement is vervolgens in een verborgen ruimte een grote hoeveelheid cocaïne, een sealapparaat, diverse verpakkingsmaterialen, een fles met azijnzuuranhydride en een geldbedrag van € 92.000,- aangetroffen. Gelet hierop en gezien de bekennende verklaring van verdachte bij de politie, kan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne en diverse stoffen en voorwerpen die bijdragen aan de handel in verdovende middelen, en het witwassen van € 92.000,- bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De rechtbank heeft het betoog van de raadsman, dat overigens niet op schrift is gesteld, als volgt begrepen.

De politie is tot ontdekking van de strafbare feiten gekomen door een “Spookburgeractie” te houden. Zo’n actie is gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet.

Het arrest van de Hoge Raad over de dynamische verkeerscontrole (ECLI:HR:2016:2454) dient in het onderhavige geval naar analogie te worden toegepast. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de politie bij de uitoefening van de controlebevoegdheid op de voet van artikel 160 Wegenverkeerswet de te controleren persoon of personen niet mag selecteren op een wijze die onverenigbaar is met het uitgangspunt dat personen niet worden gediscrimineerd wegens onder meer hun ras, godsdienst of levensovertuiging.

Volgens de raadsman was het Italiaans/Albanese uiterlijk van de personen die de politie in en uit de woning heeft zien komen, de aanleiding om de Spookburgeractie uit te voeren. De omstandigheden dat er blijkens de GBA-gegevens geen personen op het adres stonden ingeschreven, in 2015 bij de woning een persoon is aangehouden die drugs bij zich had en in 2016 een wietplantage in de woning is aangetroffen, doen daar niet aan af en vormen bovendien onvoldoende grondslag voor de uitvoering van de controlebevoegdheid. Daarom is bij het aanwenden van de controlebevoegdheid sprake geweest van discriminatie en dient de Spookburgeractie als onrechtmatig te worden aangemerkt.

In de tweede plaats, aldus de raadsman, was blijkens het daarover opgemaakte proces-verbaal het doel van de Spookburgeractie het achterhalen van de personalia van de personen die in de woning verbleven. Toen dat doel bereikt was, hadden de verbalisanten niet aan verdachte mogen vragen of zij de woning mochten doorzoeken. Te minder, nu er op dat moment geen feiten en omstandigheden waren die aanleiding gaven tot een verdenking van het plegen van strafbare feiten. De raadsman heeft in dit kader verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2016:11482). Om die reden is de doorzoeking die heeft plaatsgevonden in de woning onrechtmatig geweest.

Tot slot heeft de raadsman gesteld dat de politie misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3 Politiewet door de Spookburgeractie aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, te weten ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten.

Er is volgens de raadsman sprake van een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Verdachte heeft nadeel geleden doordat zijn woning is doorzocht. De ernst van het verzuim is gelegen in het feit dat de politie de wettelijke regels niet naleeft en de schending van het huisrecht en de privacy van verdachte. Het vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen in de woning is aangetroffen. Bij gebrek aan ander bewijs, moet verdachte van de ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verbalisanten in het proces-verbaal van 25 april 2017 (pagina 001 e.v.) verslag hebben gedaan van de wijze waarop verdachte, de woning op de [adres] te [plaats] en de daarin aangetroffen goederen in beeld zijn gekomen. Kort samengevat, blijkt uit dit proces-verbaal dat door verbalisanten op basis van bepaalde feiten en omstandigheden, waarop hierna zal worden ingegaan, is besloten om een Spookburgeractie te organiseren. De politie heeft bij de woning aangebeld en is na toestemming van verdachte de woning binnengetreden.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de Spookburgeractie en de stelling dat de verbalisanten misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat er – anders dan “Het Blauwe Boekje” bij de verkeerscontrole op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet – geen handboek of naslagwerk is waarin de praktische toepassing van de Spookburgeractie nader is toegelicht en uitgewerkt. Er is derhalve geen schriftelijk vastgelegde definitie van de term ‘Spookburgeractie’.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 25 april 2017 (pagina 001 e.v.) blijkt dat het de ervaring van de politie is dat luxere woningen regelmatig worden gebruikt door criminelen die anoniem in Nederland willen verblijven. Op deze adressen staat blijkens de gemeentelijke basisadministratie niemand ingeschreven, maar er zijn wel duidelijke aanwijzingen dat het pand wordt bewoond. De bewoners zijn veelal afkomstig uit bijvoorbeeld Engeland, Italië, Albanië, voormalig Joegoslavië en Colombia die vaak op die manier gebruik maken van dergelijke woningen.

In deze woningen worden regelmatig verdovende middelen, grote geldbedragen, valse identiteitsdocumenten en/of wapens aangetroffen.

De rechtbank begrijpt (mede uit de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting) dat naast de zojuist genoemde omstandigheden ook andere omstandigheden kunnen leiden tot de beslissing om een Spookburgeractie te houden, zoals informatie dat het pand of de bewoners in het verleden in verband zijn gebracht met overtreding van bijvoorbeeld de Opiumwet. Uit die mondelinge toelichting blijkt bovendien dat het doel van de Spookburgeractie ziet op handhaving van de openbare orde en zich dus niet beperkt tot controle van de personalia van de personen die zich in de woning bevinden, zoals gesteld door de raadsman.

De rechtbank concludeert dat de politie tot een Spookburgeractie overgaat op basis van een combinatie van indicatoren en niet uitsluitend of in overwegende mate op basis van de etniciteit van bewoners of bezoekers van een perceel. Dit in ogenschouw genomen kan niet worden gezegd dat deze methode op zichzelf onrechtmatig is en dat de politie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid ex artikel 3 van de Politiewet.

In het onderhavige geval hebben verbalisanten verschillende mannen met een Italiaans/Albanees uiterlijk gezien die een luxe woning in- en uitlopen en schichtig om zich heen kijken. Na controle in de politiesystemen blijkt dat er geen personen op dit adres stonden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Bovendien zag de verbalisant in de politiesystemen dat op hetzelfde adres in 2016 een wietplantage was aangetroffen en dat in 2015 een Albanese man met een kilo cocaïne was aangehouden die kort voor zijn aanhouding deze woning had verlaten. Die Albanese man was huurder van een andere woning waar ook niemand stond ingeschreven en bovendien een kleine hoeveelheid verdovende middelen en circa € 296.380,- was aangetroffen.

De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat verbalisanten op basis van deze feiten en omstandigheden gerechtigd waren om actie te ondernemen en toestemming aan de bewoner(s) te vragen om de woning binnen te treden. De rechtbank stelt vast dat de hoofdbewoner – zijnde verdachte – de verbalisanten inderdaad (met tussenkomst van een tolk) toestemming heeft gegeven om binnen te treden. Dat betekent dat het binnentreden in de woning van de [adres] niet onrechtmatig was.

Door de raadsman is voorts bepleit dat verbalisanten, na het binnentreden, niet gerechtigd waren tot het overgaan van het doorzoeken van de woning nu het doel van de Spookburgeractie was bereikt door het vaststellen van de identiteit van de bewoner. Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank – anders dan de raadsman – van oordeel dat niet is gebleken dat het doel van een Spookburgeractie uitsluitend is tot vaststelling te komen van de personalia van degenen die in een woning verblijven. Hoewel op het eerste gezicht, na binnentreding, geen aanwijzingen waren van overtredingen van bijvoorbeeld de Opiumwet, mochten verbalisanten, gelet op hun eerdere waarnemingen, aan verdachte toestemming vragen om een doorzoeking te doen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het de verbalisanten, ook indien die waarnemingen zouden hebben ontbroken, vrij stond deze toestemming te vragen. Verdachte heeft vervolgens ondubbelzinnig toestemming gegeven voor de doorzoeking. Derhalve is ook de doorzoeking niet onrechtmatig te noemen.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De verweren worden daarom verworpen.

Nu bewijsuitsluiting niet aan de orde is, acht de rechtbank op basis van de in bijlage I genoemde bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte (bij de politie en ter terechtzitting) – inhoudende dat hij de hoofdbewoner is, de goederen in de woning allemaal van hem zijn, hij de cocaïne en het geld bewaarde voor een derde persoon van wie hij de naam niet wil noemen, en hij dit een en ander in de verborgen ruimte heeft verstopt – het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 25 april 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,474 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

2.

op 25 april 2017 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- 6 pakketten inhoudende in totaal 5,474 cocaïne en

- meerdere sealbags en

- een sealapparaat en

- diverse verpakkingsmaterialen en

- handschoenen en

- een fles inhoudende azijnzuuranhydride

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

3.

op 25 april 2017 te Amsterdam, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 92.000,00 euro, de vindplaats heeft verborgen terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de door de officier van justitie geëiste straf aanzienlijk te matigen en in de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft daarbij gewezen op de omstandigheden dat verdachte een ‘first offender’ is, openheid van zaken heeft gegeven en dat hij een ernstige ziekte heeft, dan wel een ernstige ziekte heeft gehad.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft ruim 5 kilo cocaïne voorhanden gehad en hij heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet doordat hij sealbags, een sealapparaat, diverse verpakkingsmaterialen, handschoenen en een fles met azijnzuuranhydride voorhanden heeft gehad. Cocaïne is een stof, waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar die ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een fors geldbedrag, zijnde € 92.000,00. Door zo te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Dat is kwalijk, omdat daardoor ook andere strafbare feiten worden verhuld en het voordeel dat is genoten door het plegen van delicten niet kan worden ontnomen. Het witwassen van criminele gelden vormt ook een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de goederen, zowel de cocaïne als het geldbedrag, zijn aangetroffen in een verborgen ruimte die professioneel was gemaakt. De ernst van voornoemde feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Door de rechtbank is tevens acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 juni 2017. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, maar ook dat hij in 2016 een transactie wegens witwassen heeft voldaan.

De rechtbank weegt ook mee dat verdachte geen leidende rol lijkt te hebben gespeeld en dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem begane feiten. De rechtbank ziet hierin aanleiding om bij de straftoemeting enigszins af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Nummer Voorwerp Waarde

1 Geld Euro 92.000,00

5376637

2 1 STK Zaktelefoon, kleur: zwart

APPLE iPhone

5376711

3 1 STK Zaktelefoon, kleur: zwart

BLACKBERRY Edge

5376715

4 1 STK Zaktelefoon, kleur: zwart

BLACKBERRY Pgp

5376717

5 1 STK Zaktelefoon, kleur: zilver

APPLE iPhone

5376718

6 1 STK Zaktelefoon, kleur: zilver

BLACKBERRY

5376720

7 1 STK Zaktelefoon, kleur: zilver

APPLE iPhone

5376721

8 1 STK Zaktelefoon, kleur: zilver

APPLE iPhone

5376724

9 1 STK Zaktelefoon, kleur: zilver

APPLE iPhone

5376725

10 1 STK Simkaart van zaktelefoon

5376560

11 1 STK Simkaart van zaktelefoon

5376628

12 1 STK Horloge

HUBLOT

5381290

13 1 STK Sleutel

AUDI auto

5377696

14 1 STK Sleutel, kleur: zwart

5377698

15 1 STK Sleutelbos

5377699 2 sleutels

16 1 STK Parkeerkaart

5377701

Verbeurdverklaring

Het geldbedrag onder 1 behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit geldbedrag het onder 3 bewezen geachte is begaan, wordt dit geldbedrag verbeurd verklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Nu het voorwerp onder 12 (vervalst horloge) van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15 en 16 genoemde voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- voorwerp 1, zijnde een geldbedrag van € 92.000, vallende onder goednummer 5376637.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp met nummer :

- voorwerp 12, zijnde een horloge, merk Dublot, vallende onder goednummer 5381290.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen met nummers:

  • -

    voorwerp 2, zijnde een Apple iPhone, vallende onder goednummer 5376711;

  • -

    voorwerp 3, zijnde een BlackBerry, vallende onder goednummer 5376715;

  • -

    voorwerp 4, zijnde een BlackBerry, vallende onder goednummer 5376717;

  • -

    voorwerp 5, zijnde een Apple iPhone, vallende onder goednummer 5376718;

  • -

    voorwerp 6, zijnde een BlackBerry, vallende onder goednummer 5376720;

  • -

    voorwerp 7, zijnde een Apple iPhone, vallende onder goednummer 5376721;

  • -

    voorwerp 8, zijnde een Apple iPhone, vallende onder goednummer 5376724;

  • -

    voorwerp 9, zijnde een Apple iPhone, vallende onder goednummer 5376725;

  • -

    voorwerp 10, zijnde een simkaart, vallende onder goednummer 5376560;

  • -

    voorwerp 11, zijnde een simkaart, vallende onder goednummer 5376628;

  • -

    voorwerp 13, zijnde een Audi autosleutel, vallende onder goednummer 5377696;

  • -

    voorwerp 14, zijnde een zware sleutel, vallende onder goednummer 5377698;

  • -

    voorwerp 15, zijnde een sleutelbos met twee sleutels, vallende onder goednummer 5377699;

  • -

    voorwerp 16, zijnde een parkeerkaart, vallende onder goednummer 5377701.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en R. Funke Küpper, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 augustus 2017.