Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:570

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
C/13/620606 / KG ZA 16-1498
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

'Mijn gevecht', de biografie over een oud-wielrenner, hoeft niet uit de handel te worden genomen. Ook hoeft het boek niet te worden gerectificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/638
TvS&R 2017, afl. 1, p. 15

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/620606 / KG ZA 16-1498 CB/MV

Vonnis in kort geding van 2 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 23 december 2016,

advocaat mr. L.H.A.M. Andriessen te Breda,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OVERAMSTEL UITGEVERS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. S.F. Dikhoff te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en Overamstel worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 5 januari 2017 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Ter zitting heeft hij zijn eis gewijzigd, overeenkomstig de eveneens in kopie aan dit vonnis gehechte akte.

[gedaagde sub 1] en Overamstel hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig [eiser] , mr. Andriessen, [gedaagde sub 1] , [naam 1] van Overamstel en mr. Dikhoff.

Na verder debat is de zaak twee weken aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een oplossing te bereiken. Bij faxbericht van mr. Andriessen van 18 januari 2017 is de voorzieningenrechter bericht dat partijen hierin niet zijn geslaagd en is verzocht vonnis te wijzen. Bij dit faxbericht heeft mr. Andriessen een (tweede) akte wijziging eis gevoegd. Bij faxbericht van 19 januari 2017 heeft mr. Dikhoff hiertegen geprotesteerd. Mr. Andriessen heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 20 januari 2017. Bij faxbericht van diezelfde datum heeft mr. Dikhoff hierop gereageerd. Hierna zal aan de orde komen of en zo ja in hoeverre de desbetreffende wijziging van eis zal worden toegelaten.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] heeft het boek “Mijn gevecht” geschreven waarin over het leven van wielrenner [de wielrenner] in de ik-vorm wordt verteld. Het boek, dat is uitgegeven door Overamstel, is op 15 november 2016 gepresenteerd.

2.2.

[eiser] , die in de periode 1981-1994 zelf professioneel wielrenner is geweest, is de voormalig manager van [de wielrenner] en komt meerdere keren voor in het boek. Over hem is onder meer opgenomen dat hij in het verleden zelf met doping heeft geëxperimenteerd en dat hij [de wielrenner] heeft aangezet tot dopinggebruik door hem in contact te brengen met de Spaanse arts [naam 2] .

2.3.

Voorafgaand aan de publicatie van het boek, op 12 oktober 2016, heeft [gedaagde sub 1] [eiser] een sms-bericht gestuurd met de volgende inhoud:
Beste [eiser] , ik probeerde je zojuist te bereiken, maar ik kreeg je niet te pakken. Ik schrijf de biografie van [de wielrenner] . Daarin vertelt hij vrij uitvoerig dat jij hem in contact hebt gebracht met [naam 2] en met hem mee bent gegaan naar Madrid voor de eerste ontmoeting. In het kader van hoor en wederhoor wil ik je de kans geven om erop te reageren. Ben je daarin geïnteresseerd? Met vriendelijke groet, [gedaagde sub 1]

2.4.

Naar aanleiding hiervan is er kort telefonisch contact geweest tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft hierin ontkend [de wielrenner] in contact te hebben gebracht met [naam 2] .

2.5.

In de epiloog van het boek is (op pagina 219) onder meer het volgende opgenomen:
Dit boek is het verhaal van [de wielrenner] . Dit zijn gebeurtenissen van zíjn leven door zíjn ogen. Maar dat wil niet zeggen dat de getuigenissen van [de wielrenner] de enige bron zijn. Het boek is óók tot stand gekomen door talloze uren research. Ik heb de afgelopen jaren gesproken met zoveel mogelijk betrokkenen en verder heb ik het verhaal van [de wielrenner] gecontroleerd aan de hand van rechtbankpapieren en de politiedossiers van Operatie Puerto.
Niet iedereen die wordt genoemd in dit boek wilde meewerken. Sommigen reageerden niet op contactpogingen, anderen onthielden zich van commentaar, enkele artsen beriepen zich op hun medisch beroepsgeheim. Anderen herkenden zich niet in de door [de wielrenner] geschetste situaties. [de wielrenner] ’ voormalige manager [eiser] ontkende dat hij [de wielrenner] in contact heeft gebracht met [naam 2] , maar wilde verder niet ingaan op vragen of details. (…)

2.6.

Bij brief van 17 november 2016 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde sub 1] – kort gezegd – aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] lijdt en zal lijden als gevolg van onrechtmatige passages in het boek. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:
In het boek worden lichtvaardig ernstige beschuldigingen gedaan, waardoor cliënt in zijn eer en goede naam wordt aangetast. De beschuldigingen vinden geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Cliënt heeft nooit doping gebruikt en is nooit met doping in verband gebracht. Evenmin heeft cliënt [de wielrenner] aangezet tot doping noch dopinggebruik goedgekeurd. Van u als journalist mag worden verwacht dat u een grote mate van terughoudendheid en zorgvuldigheid in acht neemt alvorens u dit soort beschuldigingen publiceert. U heeft dit nagelaten.

2.7.

Bij e-mail van 19 december 2016 heeft Overamstel de raadsman van [eiser] onder meer het volgende bericht:
Ik begrijp dat u met de heer Dikhoff gesproken hebt de afgelopen week. Tijdens dat gesprek is door de heer Dikhoff voorgesteld om te kijken of een gedetailleerde reactie van de heer [eiser] op te nemen in de epiloog van de volgende druk een mogelijkheid is om tot elkaar te komen en zo bij de rechtbank weg te blijven. De heer [eiser] gaf eerder aan de heer [gedaagde sub 1] aan niet te willen reageren (zolang een andere rechtszaak loopt) anders dan dat hij bepaalde zaken ontkent, maar nu toch wel graag inhoudelijk op een aantal punten wil reageren begrijp ik. Ik sta daar samen met de heer [gedaagde sub 1] zeer voor open. Zou de heer [eiser] mij of de heer [gedaagde sub 1] willen mailen wat hij graag nader kwijt wil en dat we vervolgens overleggen daarover?

2.8.

Ter zitting is door de uitgever verklaard dat op dat moment de vierde druk van het boek in de winkels lag en dat er waarschijnlijk ook een vijfde druk komt. In totaal zijn (tot heden) (ongeveer) 60.000 exemplaren van het boek verkocht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – kort gezegd – en na wijziging van zijn eis ter zitting het volgende:

I. primair [gedaagde sub 1] en Overamstel te verbieden het boek met de huidige tekst in de handel te brengen of op andere wijze te publiceren en [gedaagde sub 1] en Overamstel te gebieden alle boeken die in de winkels liggen uit de handel te nemen;
subsidiair alle boeken te voorzien van een inlegkaart met daarop een tekst die erop neerkomt dat ten aanzien van [eiser] onvoldoende wederhoor heeft plaatsgevonden en dat de beschuldigingen aan zijn adres van dopinggebruik, van het aanzetten tot dopinggebruik en van zijn vermeende contacten met [naam 2] geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal;

een en ander op straffe van dwangsommen;
II. [gedaagde sub 1] en Overamstel op straffe van dwangsommen hoofdelijk te veroordelen tot het plaatsen van de hiervoor bedoelde tekst in de papieren en digitale versie van de Volkskrant, het NRC Handelsblad, het Algemeen Dagblad en de Telegraaf;
III. [gedaagde sub 1] en Overamstel hoofdelijk te veroordelen tot betaling van

€ 25.000,- aan (een voorschot op) schadevergoeding;
met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en Overamstel in de kosten van dit geding en in de nakosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] en Overamstel hebben verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst wordt beoordeeld of en zo ja in hoeverre de eiswijziging die door [eiser] is verzocht bij faxbericht van 18 januari 2017 (twee weken na de zittingsdatum) kan worden toegelaten. Op grond van het Procesreglement dient een eisverandering of eisvermeerdering uiterlijk ter zitting te worden ingediend. [gedaagde sub 1] en Overamstel hebben hiertegen dan ook terecht bezwaar gemaakt. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter, in het kader van het te starten minnelijk overleg tussen partijen, medegedeeld dat het [eiser] vrijstaat, als het overleg daar aanleiding toe geeft, zijn eis geheel óf gedeeltelijk in te trekken, maar dit geeft [eiser] geen vrijbrief zijn eis na de zitting in de door hem voorgestane zin te wijzigen. Er zal dan ook worden beslist op de onder 3.1. weergegeven eis.
De voorzieningenrechter zal gezien het faxbericht van 18 januari 2017 de beoordeling in dit geschil overigens beperken tot “het vermeende aanzetten tot doping door cliënt, zijn vermeende eigen dopinggebruik en zijn vermeende contacten met [naam 2]” zoals in dat faxbericht is opgenomen, omdat daarin ook staat: “Onjuiste passages in het boek die zien op andere onderwerpen heb ik niet in de vordering meegenomen”. Dit kan als een verduidelijking en beperking van de eis worden aangemerkt, hetgeen wel na de zitting is toegestaan. De beoordeling van de voorzieningenrechter zal derhalve gaan over de volgende in het faxbericht van 18 januari 2017 geciteerde passages uit het boek:

Hoofdstuk 12 blz. 65 t/m 67

“En dan, tussen twee happen door, legt hij het onderwerp op tafel ‘Ik wil het

even ergens met jullie over hebben.’ Hij zegt het achteloos, alsof hij het

over een film heeft die hij gisteravond zag, of over de nieuwe buurtsuper op

de hoek. [eiser] zegt dat ik heel veel talent heb, en dat ik een geweldig

eerste seizoen heb gereden, maar dat er méér voor nodig is om de top te

halen. Hij vertelt dat alle toprenners een spel spelen voor grote mensen, en

dat ik daar ook aan mee ga doen. Hij zegt: ‘Iedereen doet het. Het hoort er

bij.’ Hij noemt het woord doping niet; in plaats daarvan omschrijft hij het elke

keer cryptisch. Ik zeg niks. Ik wist al dat [eiser] dit gaat zeggen tegen mijn

ouders. We hebben er een paar weken eerder samen over gesproken. Hij

zei dat het tijd was voor de volgende stap – en ik was niet moeilijk over te

halen (…) Terwijl [eiser] praat, kijk ik naar het gezicht van mijn moeder. Ze

fronst en perst haar lippen samen. De paniek druipt uit haar ogen. Als

[eiser] is uitgesproken, kijkt ze me aan. Ze ziet dat ik mijn keuze al lang

en breed gemaakt heb. Als mijn ouders hadden gezegd dat ik geen doping

zou mogen gebruiken, dan had ik ze uitgelachen. Mijn vader weet niet wat

hij moet zeggen. Mijn moeder fluistert: ‘Ik hoop dat het allemaal goed komt.’

Na het etentje stapte [eiser] weer in zijn auto. De rekening laat hij voor

ons liggen. De hele avond is achteraf nogal bizar. Het was alsof [eiser]

mijn ouders om toestemming vroeg. Alsof hij ergens besefte dat hij niet

zomaar, zonder één mededeling vooraf, een renner van eenentwintig aan de dope

kon helpen.”

Hoofdstuk 13 blz. 69 t/m 72

“ [eiser] heeft verstand van doping. Hij weet wat er op de markt is; hij weet

wat werkt en wat niet. En hij weet welke vorm van doping de kleinste

pakkans met zich meebrengt: bloedzakken. Hij zegt tegen me dat de grote

jongens in het peloton het al jaren doen – en dat hij er zelf als renner ook

mee heeft geëxperimenteerd. Epo, CERA, Aranesp: het is allemaal min of

meer opspoorbaar – maar je eigen bloed is je eigen bloed. Dat kan geen

enkele dopingjager zien, volgens [eiser] . Hij vertelt over [naam 3] , die in

de Tour van 2003 bloedzakken gebruikte. Eerst probeert [eiser] een

Nederlandse arts te vinden die mijn bloed wil aftappen en invriezen, maar

dat lukt niet. In Nederland worden bloedzakken allemaal gemarkeerd en

geadministreerd – het is moeilijk om ze achterover te drukken. En dus

contact [eiser] een oude bekende [naam 2] . Die hielp [naam 3]

in de tijd dat hij bij [eiser] in de ploeg reed ook aan bloedzakken (...)

Als ik de lobby van het hotel binnenkom zitten [naam 2] en [eiser] al op

me te wachten (...) Hij spreekt gebrekkig Engels. Een begroeting gaat nog

wel, een gesprekje over koetjes en kalfjes lukt ook nog net, maar als hij

uitlegt welke vormen van doping hij kan regelen, schakelt hij over in het

Spaans. Dat spreek ik niet, maar [eiser] wel. Ze spreken op kalme toon

met elkaar; ik zit erbij en ik kijk ernaar. Af en toe vertaalt [eiser] iets voor

me (...) Maar [eiser] en ik zijn alleen geïnteresseerd in bloedzakken (...)

Terwijl [naam 2] en [eiser] het plan doornemen, af en toe iets voor me

vertalend, dwaal ik af en kijk ik een beetje om me heen.”

Hoofdstuk 14 blz. 75

“Alleen [eiser] weet dat ik een afspraak heb met [naam 2] .”

Hoofdstuk 19 blz. 110-111

“Op 23 december 2007 vlieg ik vanaf Brussel naar Oostenrijk. Ik heb ‘s

morgens vroeg op Zaventem afgesproken met [eiser] om hem

te vertellen wat ik ga doen. Onze relatie is zo hecht dat ik hem erbij betrek.

[eiser] is tevreden met [naam 4] . Hij is blij dat ik een nieuw adresje heb

waar ik bloedzakken kan laten invriezen. ‘Goed geregeld,’ zegt hij.”

Hoofdstuk 21 blz. 125-126

“Een deel van mij wil van hem af omdat met hem alle ellende begon, een

ander deel houdt vast aan de ouderwetse wielercultuur van spuiten, slikken,

wheelen en dealen. En als iemand kan wheelen en dealen, dan is het

[eiser] wel.”

Hoofdstuk 21 blz. 129

“Ik schrik. Spanje? Wat krijgen we nou? Hoe weet hij van [naam 2] ? Heeft

[eiser] zijn mond voorbijgepraat? (...) Ik ga niet naar Vacansoleil, want er

komt een andere optie uit de lucht vallen: het Belgische Silence-Lotto. De

manager van die ploeg, [naam 5] , heeft [eiser] opgebeld

omdat hij denkt dat hij nog steeds mijn zaken behartigt. Dat stoort me. Ik wil

eigenlijk zo min mogelijk met [eiser] te maken hebben:; met wat hij weet

kan hij me kapot maken, en ik hem.”

Hoofdstuk 27 blz. 171-174

“Het is te belachelijk voor woorden: hij ligt zelf nota bene aan de basis van

mijn dopinggebruik (...) Ik vertel over [eiser] (…)”

Epiloog blz. 219

“Maar ( [eiser] , vrz) wilde verder niet ingaan op vragen of details.”

4.2.

Toewijzing van het door [eiser] gevorderde zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde sub 1] en Overamstel op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, indien de uitlatingen van [gedaagde sub 1] en Overamstel onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [gedaagde sub 1] en Overamstel is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden (zoals dopinggebruik in de sport) die de samenleving raken. Het belang van [eiser] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat zijn goede naam niet onnodig wordt aangetast. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. Een van die omstandigheden is de mate waarin de uitlatingen van [de wielrenner] zoals die zijn opgetekend door [gedaagde sub 1] (en gepubliceerd door Overamstel) steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Verder kan van [gedaagde sub 1] als journalist worden verwacht dat hij voldoende zorgvuldig onderzoek verricht en waar nodig toepassing geeft aan het beginsel van hoor en wederhoor. In dit kader heeft [eiser] zich beroepen op de regels opgenomen in de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.

4.3.

In de kern genomen komen de beschuldigingen aan het adres van [eiser] erop neer dat hij [de wielrenner] , door hem in contact te brengen met dopingarts [naam 2] , heeft aangezet tot het gebruik van doping en dat hij zelf in het verleden heeft geëxperimenteerd met doping. Hiervoor wordt verwezen naar de onder 4.1 geciteerde passages uit het boek. [eiser] ontkent deze beschuldigingen en stelt bovendien [naam 2] nooit te hebben ontmoet. Het gaat in deze zaak met name om de vraag in hoeverre [gedaagde sub 1] en Overamstel aannemelijk kunnen maken dat de beschuldigingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. In dit kader hebben zij de volgende producties in het geding gebracht:
(1) Een verklaring van [de wielrenner] waarin hij – zakelijk weergegeven – heeft opgenomen dat alles wat hij aan [gedaagde sub 1] heeft verteld, waar is. Samengevat komt dat op het volgende neer. Hij heeft naar eer en geweten en openhartig verteld wat hem allemaal is overkomen. Hij wilde de waarheid vertellen over hoe het er echt aan toegaat in de wielerwereld en over het massale gebruik van doping. In 2005 heeft [eiser] hem verteld dat verschillende toprenners bloedzakken gebruiken en dat hij er zelf vroeger als renner ook mee heeft geëxperimenteerd. In 2005 heeft [eiser] [de wielrenner] geïntroduceerd bij de Italiaanse trainer [naam 6] , die niet zo’n goede naam had omdat hij in verband werd gebracht met doping. Hij is ook trainer geweest van [naam 3] , die een jaar in de ploeg van [eiser] heeft gefietst. In de winter van 2005-2006 vond een etentje plaats met [eiser] , [de wielrenner] en zijn ouders. [eiser] zei toen dat [de wielrenner] een stap verder moest gaan en meer moest doen dan hard trainen om de top te halen. Het woord doping viel niet, maar alle aanwezigen wisten waar hij het over had. Op 10 februari 2006 heeft [eiser] een ontmoeting geregeld met [naam 2] . Volgens [eiser] was [naam 3] ook cliënt bij [naam 2] . [eiser] en [naam 2] wachtten op [de wielrenner] in de lobby van een hotel. Zij praatten Spaans met elkaar en af en toe vertaalde [eiser] iets voor [de wielrenner] . Na een tijdje gingen [naam 2] en [de wielrenner] naar een hotelkamer waar hij bloed in een zak gaf en waarop [de wielrenner] zijn nummer 24 schreef. Wanneer het netwerk van [naam 2] wordt opgerold is [de wielrenner] bang dat zijn naam uitlekt. Hij belt [eiser] die hem adviseert om stil te zitten en zijn mond te houden. Daarna zoekt hij zijn toevlucht in andere vormen van doping. Wanneer hij hiervoor naar [naam 4] gaat en dit aan [eiser] vertelt, zegt [eiser] : “Goed geregeld”.
(2) Een verklaring van de ouders van [de wielrenner] waarin de gang van zaken tijdens het etentje in de winter 2005-2006 wordt bevestigd en waarin zij verklaren dat [de wielrenner] aan hen heeft verteld dat [eiser] hem met [naam 2] in contact heeft gebracht.
(3) Een verklaring van de zus van [de wielrenner] waarin eveneens de gang van zaken tijdens het etentje in de winter van 2005-2006 wordt bevestigd en waarin ook zij verklaart dat [de wielrenner] aan haar heeft verteld dat [eiser] hem met [naam 2] in contact heeft gebracht.

(4) Een verklaring van oud-wielrenner [naam 7] die ook heeft samengewerkt met [eiser] als zijn manager. [eiser] heeft aan hem verteld dat hij zelf aan bloeddoping heeft gedaan en dat hij met mensen in contact stond die prestatie bevorderende middelen konden leveren. [eiser] heeft hem verteld dat [de wielrenner] via hem bij [naam 2] kwam.
(5) Een verklaring van de ex-vriendin van [de wielrenner] waarin zij verklaart dat zij al in 2007 van [de wielrenner] heeft gehoord dat hij bij [naam 2] kwam, dat [eiser] [de wielrenner] bij alles hielp en hem ook in contact had gebracht met [naam 2] .

(6) Een bladzijde uit het dossier Puerto waaruit blijkt dat de eerste bloedtransfusie van [de wielrenner] op 10 februari (jaartal onvermeld) plaatsvond.
(7) Een verklaring van oud-wielrenner [naam 8] aan wie [de wielrenner] in 2007 heeft verteld dat hij doping had gebruikt via [naam 2] en dat hij in die wereld was beland via [eiser] .

4.4.

Op grond van het door [gedaagde sub 1] en Overamstel aangevoerde, in samenhang met de overgelegde verklaringen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door [de wielrenner] geuite beschuldigingen aan het adres van [eiser] voldoende door [gedaagde sub 1] zijn geverifieerd en voldoende steun vinden in het thans beschikbare feitenmateriaal. Daarbij is uitdrukkelijk meegewogen dat het gaat om een biografie van [de wielrenner] , die als eerste verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn beweringen. Hierbij dient verder te worden aangetekend dat van [gedaagde sub 1] als journalist, zoals hij terecht heeft aangevoerd, niet kan worden verwacht dat hij aantoont dat de door [de wielrenner] geuite beschuldigingen onomstotelijk vaststaan.

4.5.

Daarnaast is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde sub 1] zijn journalistiek onderzoek voldoende zorgvuldig heeft gedaan. Volgens zijn eigen verklaring heeft hij in vier jaar tijd bijna 300 mensen gesproken. Ook heeft hij – naar eigen zeggen – politiedossiers van dopingzaken uit binnen- en buitenland in handen gekregen (waaronder dat van Operacion Puerto) en was hij als enige niet-Spaanse journalist aanwezig bij de processen tegen [naam 2] . Niet is gebleken dat de beweringen van [gedaagde sub 1] over zijn onderzoek onjuist zouden zijn. De juistheid van de stelling van [eiser] dat sprake is van een zakelijk conflict tussen hem en [de wielrenner] over onbetaalde rekeningen en dat [gedaagde sub 1] om die reden niet neutraal ten opzichte van [eiser] stond, is niet aannemelijk geworden. Dat de inhoud van het boek niet overeenstemt met het boek “Schoon genoeg” uit 2011 (een eerder boek over [de wielrenner] , waar [gedaagde sub 1] niks mee van doen had), wil niet zeggen dat het boek van [gedaagde sub 1] op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Een verklaring hiervoor kan liggen in de omstandigheid dat [de wielrenner] er naar eigen zeggen in het boek van [gedaagde sub 1] voor heeft gekozen de gehele waarheid te vertellen, met name over zijn dopinggebruik, en dat hij dit in 2011 (toen iedereen nog zweeg over doping) niet heeft willen doen.

4.6.

Ook heeft [gedaagde sub 1] – in de gegeven omstandigheden – voldoende invulling gegeven aan het beginsel van wederhoor. Hij heeft [eiser] door middel van het sms-bericht van 12 oktober 2016 (zie 2.3) uitgenodigd commentaar te geven op de beschuldiging dat hij [de wielrenner] met [naam 2] in contact heeft gebracht. Dat het boek toen al bij de drukker lag, zoals [eiser] heeft gesteld, is gezien productie 15 van [gedaagde sub 1] en Overamstel niet juist. Hieruit blijkt immers dat het boek pas op 26 oktober 2016 bij de drukker is aangeboden. Het sms-bericht heeft echter, zo is ook ter zitting gebleken, slechts geleid tot een kort telefoongesprek, waarin [eiser] niet op vragen van [gedaagde sub 1] wenste in te gaan en alle beschuldigingen simpelweg heeft ontkend. [eiser] heeft er niet voor gekozen zijn kant van het verhaal te vertellen (bijvoorbeeld over hoe volgens hem [de wielrenner] dan bij [naam 2] is beland). [eiser] kan hiertoe weliswaar niet worden verplicht, maar dit leidt ertoe dat hij zich niet op een gebrek aan wederhoor kan beroepen. Hier komt bij dat [gedaagde sub 1] zich volgens zijn niet weersproken verklaring ter zitting al jarenlang bezighoudt met deze materie (onder andere voor artikelen in het NRC-Handelsblad) en dat hij [eiser] voor een artikel in 2013 al heeft verzocht om wederhoor en dat [eiser] hier ook toen niet inhoudelijk op inging. Tot slot geldt dat in de epiloog van het boek (zie 2.5) is opgenomen dat [eiser] heeft ontkend [de wielrenner] met [naam 2] in contact te hebben gebracht. In zoverre is dus aan de belangen van [eiser] tegemoetgekomen. Bij e-mail van Overamstel van 19 december 2016 (zie 2.7) is nog het aanbod gedaan de epiloog (in de komende drukken van het boek) in overleg met [eiser] aan te passen. Ook op die manier is geprobeerd aan het belang dat [eiser] heeft bij wederhoor tegemoet te komen. [eiser] is niet op dat aanbod ingegaan.

4.7.

De conclusie is dat [gedaagde sub 1] voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, voldoende gelegenheid voor wederhoor heeft geboden en dat de onder 4.2 bedoelde belangenafweging in het voordeel van [gedaagde sub 1] en Overamstel uitvalt. Dit oordeel spreekt zich er niet over uit of de beschuldigingen van [de wielrenner] aan het adres van [eiser] onomstotelijk vast staan, maar houdt wel in dat [gedaagde sub 1] binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting is gebleven. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen en hij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en Overamstel worden begroot op:

- griffierecht € 1.929,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.745,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] en Overamstel tot op heden begroot op € 2.745,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.1

1 type: MV coll: mb