Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:57

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2894
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 125g Ambtenarenwet.

Aan eiser is een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering toegekend. Eiser werkte 32 uur per week en verdiende € 4.311,23 per maand. Eisers uitkering zou op grond van de NRGA hoger zijn en langer worden toegekend als hij € 4.375,- of meer verdiende.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser ongunstiger behandeld dan een voormalig collega die voltijds werkte. Verweerder heeft daarvoor een legitiem doel aangevoerd door aan te geven dat is beoogd het uitkeringsniveau ten opzichte van de oude wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te handhaven. Een groep ambtenaren wordt echter bevoordeeld, zodat geen sprake is van een geschikt middel om dat doel te bereiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. I.C. Holtkamp)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder

(gemachtigde: mr. R.L.J.J. Vereijken en mr. A. Boes).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiser vanaf 16 november 2015 een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWW) toegekend. Bij besluit van 3 februari 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder dit besluit herzien.

Bij besluit van 5 april 2016 (het bestreden besluit) heeft [betrokkene 1] , [functie] Personeel en Organisatieadvies, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om een reactie in te dienen op de beroepsgronden.

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft [betrokkene 2] , [functie 2] Juridische Zaken, het besluit van 5 april 2016 bekrachtigd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts is mr. K.N. Snels, adviseur arbeidsvoorwaarden gemeente Amsterdam, verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser werkte 32 uur per week bij de gemeente Amsterdam. Op 16 november 2015 werd eiser na een reorganisatieontslag werkloos.

2. Bij het primaire besluit I heeft verweerder bepaald dat eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) in het eerste jaar, van 16 november 2015 tot 16 november 2016, wordt aangevuld met een BWW, die 10% bedraagt van zijn gemiddelde bezoldiging over de laatste twaalf maanden voorafgaand aan de startdatum van zijn re‑integratietraject. Na het eerste jaar heeft eiser geen recht meer op een aanvullende uitkering omdat de gemiddelde bezoldiging dan € 4.375,- of meer moet bedragen. De gemiddelde bezoldiging van eiser is vastgesteld op € 3.526,49 bruto per maand.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder dat besluit herzien, in die zin dat rekening is gehouden met de bezoldiging in de periode van eisers onbetaalde verlof en de generieke salarisverhogingen van oktober 2014 en april 2015. De hoogte van de grondslag voor eisers aanvullende uitkering is nu vastgesteld op een bruto bedrag van € 4.311,23 per maand.

3. Bij brief van 22 maart 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft daarbij vermeld dat de termijn waarbinnen verweerder op het bezwaar hoorde te beslissen, was verstreken.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat de bedoeling van artikel 30a.10, derde lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) is dat een belanghebbende gedurende de werkloosheid ongeveer 70% tot 75% van zijn oude bezoldiging blijft ontvangen. De berekening moet een hogere aanvullende uitkering bewerkstelligen naarmate het loon stijgt. Des te hoger de bezoldiging, des te hoger de aanvullende uitkering moet zijn. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van de feitelijke bezoldiging als uitgangspunt om daarmee de deeltijdfactor op de regeling toe te passen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in dat geval ten opzichte van andere ex-medewerkers zou worden bevoordeeld.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Op grond van artikel 125g, eerste lid, van de Ambtenarenwet mag het bevoegd gezag geen onderscheid maken tussen ambtenaren op grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Op grond van artikel 1.11, eerste lid, van de NRGA hebben de in de rechtspositieregelingen omschreven aanspraken in beginsel betrekking op de ambtenaar die een volledige aanstelling heeft of heeft gehad.

Op grond van artikel 1.11, tweede lid, van de NRGA worden de rechten bij een deeltijdsaanstelling naar evenredigheid van de arbeidsduur bepaald, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Op grond van artikel 30a.10, eerste lid, van de NRGA, zoals dat luidde tot 1 juni 2016, kent de aanvullende uitkering twee fases. De aanvullende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de bezoldiging telkens naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

Op grond van het tweede lid bedraagt de aanvullende uitkering gedurende de eerste fase:

a. voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,- = 10%;

b. voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,- tot een bedrag van € 5.250,- = 20%;

c. voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,- = 30%.

Op grond van het derde lid bedraagt de aanvullende uitkering gedurende de tweede fase:

a. voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,- tot een bedrag van € 5.250,- = 10%;

b. voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,- tot een bedrag van € 6.560,- = 20%;

c. voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,- = 30%.

Op grond van artikel 9 van het Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie Amsterdam worden de in bijlage 4 opgenomen bevoegdheden door het college en de burgemeester rechtstreeks gemandateerd aan de daarbij genoemde functionarissen.

In bijlage 4 staat dat de Directeur Juridische Zaken in ieder geval met uitsluiting van andere functionarissen gemandateerd om beslissingen op bezwaar in rechtspositionele aangelegenheden te nemen, met uitzondering van besluiten die de gemeentesecretaris of de directeur DJZ persoonlijk betreffen.

Beoordeling beroep

Dwangsom

6. Niet is gebleken dat verweerder een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom heeft genomen. Het beroep heeft daarop dus geen betrekking. Wat eiser heeft aangevoerd over het verbeuren van een dwangsom, staat daarom niet ter beoordeling van de rechtbank.

Bevoegdheid

7.1

Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Daartoe heeft hij betoogd dat de Directeur Juridische Zaken op grond van het Bevoegdhedenbesluit van de gemeente Amsterdam bij uitsluiting bevoegd is te beslissen op bezwaar in rechtspositionele zaken.

7.2

Gelet op artikel 9, gelezen in samenhang met bijlage 4, van het Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie Amsterdam, was de Directeur Juridische Zaken bevoegd om een besluit op eisers bezwaar te nemen. Aangezien het bestreden besluit is genomen door de Directeur Personeel en Organisatieadvies, is het onbevoegd genomen.

7.3

Het bestreden besluit is, anders dan verweerder heeft betoogd, niet van rechtswege nietig, aangezien het bevoegdheidsgebrek niet zo evident is dat dit een ieder redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bestaat dan ook geen aanleiding.

7.4

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft de Directeur Juridische Zaken het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag gelegde motivering overgenomen en deze bekrachtigd.

Dat besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht van rechtswege onderwerp te zijn van dit geding.

7.5

Met het besluit van 12 oktober 2016 wordt het bestreden besluit geacht te zijn vervangen. Van een belang van eiser bij een verdere beoordeling van het bestreden besluit, nu het bekrachtigingsbesluit is genomen, is niet gebleken. Om deze reden wordt het beroep van eiser, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, niet‑ontvankelijk verklaard.

Uitleg artikel 30a.10 van de NRGA

8.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder artikel 30a.10, eerste lid, van de NRGA onjuist heeft toegepast. Volgens eiser geldt het bedrag van € 4.375,- voor een ambtenaar die een volledige aanstelling heeft gehad. Aangezien hij een deeltijdsaanstelling heeft gehad, moet dat bedrag naar rato worden toegepast. Eiser beroept zich daarbij op artikel 1.11, tweede lid, van de NRGA. Deze uitleg sluit volgens hem bovendien aan bij het onderhandelaarsakkoord voor de cao-onderhandelingen 2007-2009 en de brief van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden van 27 juni 2008.

8.2

De tekst van artikel 30a.10 van de NRGA biedt geen ruimte voor de door eiser voorgestane uitleg. In de tekst is immers een bedrag van € 4.375,- vermeld, zonder uitzonderingen voor ambtenaren die in deeltijd werken. De door eiser aangehaalde passages uit het onderhandelaarsakkoord voor de cao-onderhandelingen 2007-2009 en de brief van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden van 27 juni 2008 hebben betrekking op de mate van werkloosheid. Deze passages betreffen de zinsnede “naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is”. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de bedragen uit die artikel 30a.10, tweede en derde lid, moeten worden verlaagd als het gaat om ambtenaren die deeltijd hebben gewerkt. In de toelichting op artikel 30a.10 staat bovendien dat de genoemde bedragen feitelijke bezoldigingsbedragen zijn en dat hiermee dus niet de voltijdsbezoldiging wordt bedoeld, die omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Het bedrag van € 4.375,- is verder geen aanspraak van de ambtenaar die een volledige aanstelling heeft gehad. Dit bedrag wordt daarom niet op grond van artikel 1.11, tweede lid, van de NRGA naar evenredigheid van de arbeidsduur bepaald. Deze beroepsgrond faalt.

Artikel 125g van de Ambtenarenwet

9.1

Eiser heeft aangevoerd dat het besluit van 12 oktober 2016 in strijd is met artikel 125g, eerste lid, van de Ambtenarenwet. Het uitgaan van een bedrag van € 4.375,- aan feitelijk uitbetaalde bezoldiging leidt volgens eiser tot een onderscheid in arbeidsduur. Voor hem is er nadeel, omdat hij als gewezen ambtenaar met een deeltijdsaanstelling een aanmerkelijk lagere uitkering ontvangt. Bovendien is het onderscheid niet gerechtvaardigd door een legitiem doel. Er is volgens eiser geen steekhoudende reden om gewezen ambtenaren met een deeltijdsaanstelling te benadelen ten opzichte van gewezen ambtenaren met een volledige aanstelling. Ook is het door verweerder gehanteerde middel niet passend en noodzakelijk. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser gewezen op het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 13 september 2016, nr. 2016-93.

Onderscheid

9.2

Eiser, die op basis van een werkweek van 32 uur een bezoldiging ontving van € 4.311,23, wordt naar het oordeel van de rechtbank ongunstiger behandeld dan een voormalige collega die voltijds werkte een bezoldiging ontving van € 4.375,- of meer. Eiser ontvangt immers een procentueel lagere BWW en over een kortere tijd dan die collega. De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van onderscheid op grond van een verschil in de arbeidsduur.

Legitiem doel

9.3

In zijn nadere stuk van 9 december 2016 heeft verweerder aangegeven dat ambtenaren sinds 1 januari 2001 onder de WW vallen. Tot 2001 werd aan gewezen ambtenaren bij werkloosheid een wachtgelduitkering toegekend, die 80% van het laatstverdiende salaris bedroeg en waarvan de duur werd bepaald op grond van de lengte van de diensttijd. Omdat de WW beperkingen kent ten aanzien van zowel de hoogte als de duur van de uitkering, viel bij veel ambtenaren de hoogte en de duur van de werkloosheidsuitkering onder de WW (veel) lager uit ten opzichte van de oude wachtgeldregelingen. Om het uitkeringsniveau ten opzichte van de oude wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te handhaven is door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties een bovenwettelijke regeling overeengekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee op zichzelf een legitiem doel aangevoerd.

Middel geschikt en proportioneel

9.4

Verweerder heeft gesteld dat voor alle gewezen ambtenaren ongeveer dezelfde achteruitgang in inkomen wordt bewerkstelligd en heeft hiertoe berekeningen overgelegd. Ter zitting heeft verweerder echter, na kritiek daarop van eiser, erkend dat deze berekeningen niet juist zijn.

9.5

Geen aansluiting is gezocht bij het maximale dagloon uit de WW, dat halfjaarlijks wordt bezien. Als het maximumdagloon hoger wordt en het bedrag in artikel 30a.10, tweede en derde lid, gelijk blijft, wordt een groep ambtenaren bevoordeeld. Zij ontvangen 70%-75% van hun laatstverdiende loon als WW-uitkering én een BWW van 20% van het salaris in de eerste fase en 10% van het salaris in de tweede fase. Op deze manier wordt niet bereikt dat alle gewezen ambtenaren ongeveer 80% van het laatstverdiende salaris ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is hier dan ook geen sprake van een geschikt middel om bovenstaand doel te bereiken. Het verschil in behandeling is niet objectief gerechtvaardigd. Aan de vraag naar proportionaliteit wordt niet toegekomen. Verweerder heeft bij het besluit van 12 oktober 2016 dan ook gehandeld in strijd met artikel 125g van de Ambtenarenwet door zich te baseren op artikel 30a.10, tweede en derde lid, van de NRGA. Deze beroepsgrond slaagt.

10. Aan hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, wordt, gelet op het voorgaande, niet toegekomen.

Conclusie

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit van 12 oktober 2016. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent niet dat verweerder een BWW moet toekennen op de wijze die eiser heeft bepleit, alleen dat verweerder zich niet mag baseren op artikel 30a.10, tweede en derde lid, van de NRGA. Omdat nog niet duidelijk is of aan eiser een hogere en/of langere uitkering wordt toegekend, wijst de rechtbank eisers verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat verweerder 8 augustus 2016 niet ter zitting is verschenen en de zaak daardoor niet adequaat kon worden behandeld. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD7395.

Voor de door eiser op eigen naam ingediende (aanvullende) beroepschriften kan geen vergoeding worden toegekend, ook niet als deze geschriften, zoals eiser stelt, in nauw overleg met zijn gemachtigde tot stand zouden zijn gekomen. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, gelezen in samenhang met de Bijlage bij het Bpb, wordt slechts een vergoeding toegekend voor verrichte proceshandelingen. Het opstellen van een beroepschrift als zodanig is geen proceshandeling. Vergoeding zou slechts mogelijk zijn geweest indien de beroepschriften door of mede door zijn gemachtigde in kenbare hoedanigheid zouden zijn ingediend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het verzoek om vergoeding voor het indienen van deze geschriften in te willigen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5242.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 12 oktober 2016, gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 12 oktober 2016;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is geoordeeld;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.