Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5638

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
AWB 16/ 6744
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Voor verweerder bestaat de verplichting om op zodanige wijze kenbaar te maken dat er parkeerbelasting verschuldigd is, dat er bij de parkeerder geen misverstand over kan bestaan. In dit geval is daar niet aan voldaan. Op Google Streetview is te zien dat het bord op de toegangsweg slecht zichtbaar was door voorhangende takken. Uit de borden in de nabije omgeving van het parkeren bleek niet duidelijk dat er in het gehele gebied – dus ook voor de plek waar eiser stond – parkeerbelasting verschuldigd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6744

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Zuiderwoude, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: A. van Beek).

Procesverloop

Op 21 september 2016 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 september 2016 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De auto van eiser, met [kenteken] stond op 16 september 2016 om 13:15 uur ter hoogte van de [straat 1] te Amsterdam geparkeerd. Op die parkeerplek en dat tijdstip was parkeerbelasting verschuldigd. Bij controle heeft de parkeercontroleur geen geldig parkeerrecht voor de auto aangetroffen. Om die reden is er een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 38,53 bestaande uit € 0,43 parkeerbelasting en € 38,10 kosten van de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag in stand gelaten.

2. Uit het dossier en ter zitting is gebleken dat eiser geparkeerd stond op de [straat 2] met als dichtstbijzijnde huisadres [straat 1] .

Standpunten van partijen

3. Eiser voert in beroep aan dat hij heeft rondgelopen om te kijken of er voor het parkeren ter plaatse betaald moest worden, maar dat hij geen parkeerautomaten of borden heeft gezien waaruit hij kon opmaken dat hij parkeerbelasting verschuldigd was. Volgens eiser is het een feit van algemene bekendheid dat in Amsterdam-Noord op enkele plekken na vrij kan worden geparkeerd. Er stonden geen parkeerautomaten aan de weg. Op een zijweg richting het winkelcentrum, het buikslotermeerplein, en verderop op de [straat 2] zag hij wel borden maar die borden wekten bij hem de indruk dat het gebied waar voor het parkeren moet worden betaald daar begon. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij via de IIdoornlaan de [straat 2] is opgereden. Achteraf is hem gebleken dat er op deze toegangsweg wel een bord stond dat vanaf daar voor het parkeren moest worden betaald. Dat bord was echter niet goed zichtbaar en voordat hij op 16 september 2016 heeft geparkeerd, heeft hij dat bord niet gezien.

4. Verweerder stelt dat op straat voldoende kenbaar is dat er ter plaatse parkeerbelasting betaald moest worden. Verweerder heeft ter onderbouwing een kaartje en foto’s overgelegd waaruit blijkt dat er bebording staat op de toegangswegen, waaronder ook op de IJdoornlaan waarlangs eiser is gereden, en dat er bebording staat in de buurt van de plaats waar de auto van eiser geparkeerd stond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het eiser daarom kenbaar had kunnen en moeten zijn dat er parkeerbelasting betaald moest worden en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Wat vindt de rechtbank?

5. Niet in geschil is dat de auto van eiser op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag geparkeerd stond op een plaats waar volgens de ter plaatse geldende Verordening Parkeerbelastingen Amsterdam 2016 parkeerbelasting verschuldigd was en dat eiser geen parkeerrecht heeft gekocht. Tussen partijen is in geschil of het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij ter plaatse voor het parkeren parkeerbelasting was verschuldigd.

6. Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een bepaalde plaats en tijd te voldoen blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, of uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, op een zodanige wijze dat redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat er parkeerbelasting verschuldigd is voor de parkeerplaats.1 Verder blijkt uit de rechtspraak dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet verschuldigd zijn van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht.2

7. De rechtbank overweegt dat het in eerste instantie aan verweerder is om op zodanige wijze duidelijk te maken dat er parkeerbelasting verschuldigd is dat daar redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan. Niet in geschil is dat er in de directe nabijheid van de parkeerplaats van eiser geen parkeerapparatuur aanwezig was. Volgens verweerder staat er wel een bord op de toegangsweg waarover eiser is gereden - de IJdoornlaan - waaruit blijkt dat vanaf daar parkeerbelasting is verschuldigd. Niet in geschil is dat dit bord er inderdaad staat. Uit een op Google Streetview geplaatste foto van juni 2016 blijkt echter dat dit bord op dat moment zeer slecht zichtbaar was omdat er takken met bladeren voor het bord hingen. De rechtbank voegt ter verduidelijking hiervan de betreffende foto toe.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de situatie op 16 september 2016 niet anders was en dat eiser daardoor het bord niet heeft gezien. Verder is aannemelijk dat het eiser in ieder geval vanaf dat moment niet zodanig duidelijk was dat hij zich bevond in een gebied waarbinnen er voor het parkeren betaald diende te worden er daar geen misverstand over kon bestaan.

8. Voorts is niet in geschil dat eiser tot aan de plaats waar hij parkeerde geen borden of parkeerautomaten is gepasseerd waaruit de plicht tot betaling van parkeerbelasting kon worden opgemaakt. De aanwezigheid van een bord aan het begin van een zijstraat van de [straat 2] richting het Buikslotermeerplein en de aanwezigheid van een bord aan de rechterzijde van de [straat 2] na de plaats waar eiser zijn auto heeft geparkeerd, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat ook op de plaats waar eiser geparkeerd stond betaald diende te worden. Hiervoor was het eerder genoemde bord aan de IJdoornlaan cruciaal. Nu aannemelijk is dat dat bord niet voldoende zichtbaar was, is de rechtbank - mede in aanmerking genomen dat er in Amsterdam-Noord slechts twee gebieden zijn waar parkeerbelasting verschuldigd is - van oordeel dat niet op zodanige wijze is aangegeven dat voor het parkeren betaald moest worden dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting op die plaats redelijkerwijze geen misverstand kon bestaan.

9. Gelet op al het voorgaande is het beroep gegrond. De uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag zullen worden vernietigd.

10. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van Douwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 9 november 2005 (ECLI:NL:GHSGR:2005:59).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 september 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:3962).