Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
13/684209-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging proeftijd TUL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/684209-13

BESLISSING NA VEROORDELING

TOT VOORWAARDELIJKE STRAF

Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van

7 maart 2017, betreffende een onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van

31 december 2014, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( Marokko ) op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en feitelijk verblijvende op het adres

[GBA-adres] .

[verdachte] zal hierna ook worden aangeduid als: veroordeelde of betrokkene.

Bij voormeld vonnis van 31 december 2014 (hierna: het vonnis) is [verdachte] onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de daarbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet heeft nageleefd de bij dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarden, inhoudende:

Meldplicht

- veroordeelde moet zich melden bij Reclassering Nederland gevestigd aan de [adres] te Amsterdam wanneer hij wordt opgeroepen voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze periode moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel. Met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt;

Behandelverplichting

- veroordeelde wordt verplicht deel te nemen aan een behandeling gericht op zijn PTSS en onderliggende psychische problematiek bij Mentrum Amsterdam of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zolang de reclassering dit nodig acht.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt er toe dat deze niet ten uitvoer gelegde staf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het vonnis;

  • -

    een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde per post is toegezonden;

  • -

    een advies van GGZ Reclassering Inforsa Zuid-Oost te Amsterdam d.d. 28 februari 2017, aan de officier van justitie, waarin is vermeld dat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden en dat het mogelijk is om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.

Het geschrift van 28 februari 2017 vermeldt voorts het volgende. Het toezicht werd op 11 april 2014 toebedeeld aan Reclassering Nederland, maar bleef op de plank liggen en is in maart 2016 overgedragen aan Reclassering Inforsa . Het eerste gesprek met veroordeelde vond plaats op 24 maart 2016. De daaropvolgende afspraken kwam veroordeelde niet opdagen. In overleg met het Openbaar Ministerie is besloten om toch nog te proberen contact te krijgen met veroordeelde, te meer omdat hij behoort tot de Top600. De daarop volgende maanden is er met enige regelmaat contact met veroordeelde geweest. Dit echter enkel na zeer outreachend werken van de toezichthouder. Gewoonlijk ging de toezichthouder op huisbezoek, waarbij betrokkene dan toch soms de deur niet opendeed. Omdat deze “zachte aanpak” niet tot tevredenheid bij de toezichthouder leidde, besloot die in december 2016 het over een andere boeg te gooien en de verantwoordelijkheid voor de meldplichten bij veroordeelde zelf te leggen, in de hoop dat dit tot verbetering zou leiden. Dit bleek ijdele hoop. Omdat betrokkene zijn telefoon niet meer opnam, kon hij enkel schriftelijk benaderd worden.

Er liggen verschillende factoren aan de basis van het mislukken van de hulpverlening. Eén van die factoren, naast factoren die buiten verdachte liggen, is dat veroordeelde zelf niet in staat bleek zich te houden aan gemaakte afspraken. Onduidelijk is of dit te wijten is aan onwil of onvermogen, maar de toezichthouder neigt naar het tweede. Veroordeelde wordt niet of nauwelijks aangestuurd door zijn ouders en lijkt zeer beïnvloedbaar. Hij beweegt zich in groepjes leeftijdgenoten waarbij hij aangezet wordt tot het plegen van strafbare feiten.

Omdat er thans toch weer contact is met veroordeelde, is er een beetje hoop dat voortzetting van hulpverlening mogelijk is, en dat de kans op recidive in delictgedrag afneemt, zodat een verlenging van het toezicht voor de reclassering een mogelijke optie is, waarbij begeleid wonen, inkomen en dagbesteding speerpunten zouden moeten

zijn.

Bij e-mail van 11 juli 2017 heeft [medewerker 1 reclassering] , werkzaam bij Reclassering Inforsa, na overleg met zijn collega [medewerker 2 reclassering] , aan de officier van justitie bericht dat het voornoemde advies van 28 februari 2017 achterhaald is, in die zin dat Reclassering Inforsa in ambulant kader niet beschikt over meer mogelijkheid om veroordeelde optimaal te begeleiden.

De rechtbank heeft op 13 juli 2017 ter openbare terechtzitting gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsman mr. L.M.A. Schwartz, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [medewerker 2 reclassering] , reclasseringswerker.

De deskundige [medewerker 2 reclassering] heeft in aanvulling op voornoemd advies van 28 februari 2017 en in aanvulling op de e-mail van 11 juli 2017 in openbare raadkamer verklaard thans geen meerwaarde meer te zien in reclasseringsbegeleiding en dus ook niet in een verlenging van de proeftijd. Er zijn geen nieuwe afspraken van de grond gekomen en veroordeelde heeft recent de vervangende hechtenis van een aan hem opgelegde taakstraf moeten uitzitten. Zowel de zachte als de harde hand hebben geen enkel effect gehad. Het advies van 28 februari 2017 is opgesteld op het moment dat veroordeelde een opleving had. Echter, na die opleving kwam een terugval en die heeft nadien stand gehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in openbare raadkamer gepersisteerd in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 (vier) maanden. Veroordeelde heeft genoeg kansen gehad, maar heeft deze niet weten te benutten, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de proeftijd met één jaar te verlengen dan wel de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het wellicht niet geheel aan veroordeelde te wijten is dat de hulpverlenging niet van de grond is gekomen. Het toezicht heeft één jaar op de plank gelegen en er zijn steeds personele wisselingen geweest, hetgeen zijn motivatie niet ten goede is gekomen. Er is eerder sprake van onmacht bij veroordeelde dan onwil. Veroordeelde is beïnvloedbaar en de gevangenis zal hem dan ook geen goed doen. Aldus nog steeds de raadsman.

De beoordeling

Gebleken is dat de veroordeelde vóór het einde van de proeftijd genoemde bijzondere voorwaarde van de meldplicht niet heeft nageleefd, zoals hiervoor in het advies van Reclassering Inforsa van 28 februari 2017 is weergegeven.

Gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank daarom, en mede gezien de na het advies namens Reclassering Inforsa gegeven toelichting, termen aanwezig de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten. Veroordeelde heeft voldoende kansen gehad en Reclassering Inforsa heeft naar het oordeel van de rechtbank genoeg inspanningen verricht om het contact goed te laten verlopen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de proeftijd te verlengen of om de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, zoals door de raadsman verzocht. Veroordeelde heeft recent een in een andere strafzaak opgelegde taakstraf wegens het niet verrichten daarvan moeten uitzitten.

Beslissing

De rechtbank gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf, te weten een gevangenisstraf van

4 (vier) maanden, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

Deze beslissing is genomen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. L.R. Wisse en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2017.

De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam brengt vorenstaande beslissing ter kennis van voornoemde persoon, alsmede ter kennis van de Reclassering Nederland, GGZ Reclassering Inforsa Zuid-Oost te Amsterdam, belast met het verlenen van hulp en steun aan de veroordeelde.

Amsterdam,

de officier van justitie voornoemd,