Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5618

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
13/741192-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 180, 311 en 416 Wetboek van Strafrecht, 11 en 107 Wegenverkeerswet 1994. Voorwaardelijk opzet diefstal auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/741192-16

Datum uitspraak: 27 juli 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en feitelijk verblijvende op het adres

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.F. Zaagsma, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (kenteken [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die weg te nemen (personen)auto heeft verschaft en/of die weg te nemen (personen)auto onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel, in elk geval een sleutel tot het gebruik, waarvan hij, verdachte niet is/was gerechtigd;

2.

hij te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of omstreeks 17 september 2016 opzettelijk wederrechtelijk een (personen)auto (kenteken [kenteken 1] ), toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de [straat] , in elk geval op een weg;

3.

hij op of omstreeks 17 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straat] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

(Gevoegde zaak 746.045-16)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 mei 2016 tot en met 27 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motorfiets ( [kenteken 2] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

(Gevoegde zaak 746.047-16)

hij op of omstreeks 10 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen de aldaar dienstdoende [opsporingsambtenaar] en/of [opsporingsambtenaar 2] en/of [opsporingsambtenaar 3] en/of [opsporingsambtenaar 4] , brigadiers en/of hoofdagenten en/of aspirant van politie eenheid Amsterdam, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 107 Wegenverkeerswet 1994, in elk geval op verdenking van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast hadden, zich met geweld heeft verzet tegen voornoemde opsporingsambtenaren,

werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door zich opzettelijk gewelddadig los te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of door om zich heen te trappen;

6.

(Gevoegde zaak 702.663-15)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een snorfiets (scooter) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

7.

(Gevoegde zaak 746.082-16)

hij op of omstreeks 8 juni 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, een snorfiets (Piaggio Zip) met het oorspronkelijke kenteken [kenteken 3] (welke op het betreffende moment was voorzien van de valse kentekenplaat [kenteken 4] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde snorfiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een)

door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

8.

(Gevoegde zaak 746.083-16)

hij op of omstreeks 12 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bromfiets (kenteken [kenteken 5] ) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 4 en 6 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde niet kan worden bewezen dat verdachte de motorfiets heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad nu onvoldoende vast staat dat verdachte op de motorfiets heeft gereden, laat staan dat bewezen kan worden dat hij wist dan wel redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de motorfiets gestolen was.

Ten aanzien van de onder 6 ten laste gelegde heling is er eveneens sprake van onvoldoende bewijs. Niet is komen vast te staan dat de getuige [getuige 1] met “ [naam verdachte] ”, die hij op de snorfiets zag rijden, verdachte bedoelt. Daar komt bij dat de fotoherkenning van verdachte door de getuige [getuige 2] dubieus is, gelet op zijn eerder opgegeven signalement van de dader.

4.2.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

1.

op 17 september 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, kenteken [kenteken 1] , toebehorende aan [benadeelde partij 1] , waarbij hij, verdachte, die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, in elk geval een sleutel tot het gebruik, waarvan hij, verdachte niet was gerechtigd;

2.

te Amsterdam op 17 september 2016 opzettelijk wederrechtelijk een personenauto, kenteken [kenteken 1] , toebehorende aan [benadeelde partij 1] , als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de [straat] ;

3.

op 17 september 2016 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straat] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

5.

(Gevoegde zaak 746.047-16)

op 10 juli 2016 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [opsporingsambtenaar] en/of [opsporingsambtenaar 2] en/of [opsporingsambtenaar 3] en/of [opsporingsambtenaar 4] , brigadier en/of hoofdagenten en/of aspirant van politie eenheid Amsterdam, verdachte op verdenking van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, zich met geweld heeft verzet tegen voornoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door zich opzettelijk los te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en door om zich heen te trappen;

7.

(Gevoegde zaak 746.082-16)

op 8 juni 2014 te Amsterdam een snorfiets, Piaggio Zip, met het oorspronkelijke kenteken

[kenteken 3] , welke op het betreffende moment was voorzien van de valse kentekenplaat

[kenteken 4] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde snorfiets wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof;

8.

(Gevoegde zaak 746.083-16)

op 12 mei 2016 te Amsterdam een bromfiets, kenteken [kenteken 5] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4.3.

Overweging ten aanzien van het bewijs en het verweer terzake het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde en bewezenverklaarde diefstal in het bijzonder dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de sleutel van de auto van een vriend had gekregen om de auto op verzoek van die vriend te verplaatsen en dat hij (verdachte) wist dat die vriend zich ‘niet met goede dingen bezighield’, maar dat hij (verdachte) niet wist dat het om diefstal van de auto ging. Uit het feitencomplex dat verdachte desondanks midden in de nacht, terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, op verzoek van die vriend in die auto is gestapt en ermee is weggereden, kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich op dat moment schuldig maakte aan diefstal en dit risico bewust op de koop toe heeft genomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak wegens gebrek aan bewijs op opzet op wederrechtelijke toe-eigening.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, en dat ten aanzien van het door haar onder 3 bewezen geachte feit aan verdachte zal worden opgelegd een geldboete van € 340,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie bij requisitoir gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] (feit 6) en [benadeelde partij 3] (feit 8) geheel zullen worden toegewezen en dat voorts de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van beide vorderingen zal worden opgelegd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 5, 7 en 8:

De rechtbank is ten aanzien van de feiten 1, 2, 5, 7 en 8 van oordeel dat in de gegeven omstandigheden een gevangenisstraf van nagenoemde duur passend is. Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan kwalijke feiten waarvan anderen bovendien overlast en/of schade hebben ondervonden. Verdachte heeft midden in de nacht, op het moment dat de eigenaar van de auto in bed lag, een auto gestolen en is daarmee gaan rijden. Het is niet aan verdachte te danken dat de auto tot een halt is gekomen en dat de eigenaar de beschikking over de (inmiddels beschadigde) auto heeft teruggekregen. Verdachte heeft voorts het ambtelijk gezag ondermijnd door zich tegen zijn aanhouding te verzetten. Ook heeft hij een snor- alsmede een bromfiets voorhanden gehad, terwijl hij wist die gestolen waren. Het is een feit van algemene bekendheid dat heling het plegen van diefstallen in de hand werkt en in stand houdt.

Verdachte heeft deze reeks aan strafbare feiten gepleegd in een tijdsbestek van slechts vijf maanden. De rechtbank weegt dit mee als strafverzwarende factor. Ditzelfde geldt voor het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juni 2017 in de afgelopen vijf jaren reeds meermalen voor diefstal en/of heling is veroordeeld. Kennelijk hebben de toen aan hem opgelegde straffen verdachte niet doen inzien dat het plegen van dergelijke feiten verwerpelijk is, anderen overlast en schade berokkend en dat het plegen van delicten moet stoppen.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte meegewogen zijn jeugdige leeftijd, dat de feiten om en nabij één jaar geleden zijn begaan en dat verdachte in de tussentijd voor andere strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op het feit dat zij in tegenstelling tot de officier van justitie tot vrijspraak van het onder 4 en 6 ten laste gelegde komt, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht het opleggen van een taakstraf, zoals door de raadsman bepleit, een gepasseerd station. Verdachte is diverse keren eerder, al dan niet voorwaardelijk, tot het verrichten van een taakstraf veroordeeld, maar hij heeft deze kansen niet benut. Reclassering Nederland achtte verdachte in december 2016 bovendien, blijkens het opgestelde advies van 9 december 2016, wegens zijn psychische of psychiatrische problematiek niet in staat om een werkstraf te verrichten. Voorts blijkt uit de toelichting van [naam] namens Reclassering Inforsa ter terechtzitting dat elke vorm van begeleiding van verdachte strandt. Naast de ernst van de gepleegde feiten, gezien in onderlinge samenhang, ziet de rechtbank ook in het voorgaande aanleiding om thans niet tot oplegging van (deels) een taakstraf te komen.

Ten aanzien van de feit 3:

Ten aanzien van het rijden zonder rijbewijs door verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Doordat verdachte in een auto is gestapt en deze heeft bestuurd zonder dat hij op dat moment over een op zijn naam gesteld rijbewijs beschikte, heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Verdachte heeft hiermee risico’s en gevaren, voor zichzelf én voor anderen, op de koop toegenomen. Voor het rijden zonder rijbewijs dient op grond van de wet een aparte straf te worden opgelegd, aangezien dit, in tegenstelling tot de overige strafbare feiten die alle misdrijven zijn, een overtreding is. Verdachte is voor een soortgelijk feit niet eerder veroordeeld. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hetgeen overigens hiervoor is vermeld, in deze redelijk en ziet geen reden om daarvan af te wijken.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 953,00 (negenhonderddrieënvijftig euro) aan materiële schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voornoemd niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 958,00 (negenhonderdachtenvijftig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is betwist. De raadsman heeft betoogd dat uit het dossier blijkt dat het stuurslot van de bromfiets is opengebroken en dat dit schade ten gevolge van de diefstal en niet van de heling betreft, zodat deze schade niet op verdachte kan worden verhaald. De overige gevorderde schade vindt volgens de raadsman geen steun in het dossier. Bovendien is er slechts een offerte overgelegd en blijkt niet dat de reparaties daadwerkelijk zijn verricht. Evenmin is duidelijk of de schade door de verzekering is vergoed, aldus de raadsman.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voornoemd niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 8 bewezen verklaarde feit, de heling van de bromfiets. Deze schade kan ook door de diefstal of op andere wijze zijn ontstaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 57, 62, 63, 180, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 11, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 5, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Diefstal waarbij de schuldige zich het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

Wederspannigheid.

Ten aanzien van het onder 7 en 8 ten laste gelegde:

Opzetheling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1, 2, 5, 7 en 8 ten laste gelegde:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 340,00 (driehonderdveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 (zes) dagen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. L.R. Wisse en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2017.