Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:56

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
C/13/611433 / HA RK 16-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair bestuurder; afwijzing verzoeken om billijke vergoeding en transitievergoeding; redelijke grond voor ontslag, geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen werkgever; geen opvolgend werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/349
AR-Updates.nl 2017-0092
OR-Updates.nl 2017-0056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/611433 / HA RK 16-267

Beschikking van 12 januari 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. C.C. Oberman te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FEDERACION NACIONAL DE CAFETEROS DE COLOMBIA B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerster,

advocaat mr. J.D. Uding te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoekster] en FNC BV genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit: het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2016, met de daarin genoemde stukken.

1.1.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is al lange tijd werkzaam in de koffiesector.

2.2.

De Federación Nacional De Cafeteros (hierna: FNC Colombia) zet zich in voor het welzijn van de Colombiaanse koffieboeren. FNC Colombia is enig aandeelhouder van FNC BV.

2.3.

Vanaf januari 1999 verrichtte [verzoekster] werkzaamheden voor FNC Colombia als Director International Cooperation op basis van achtereenvolgende overeenkomsten van opdracht. Daarbij initieerde zij namens FNC Colombia samenwerkingsprojecten met overheden en ngo’s en was zij verantwoordelijk voor de versterking van de internationale positie van FNC Colombia. Voor deze werkzaamheden verdiende zij naast een vaste vergoeding commissie, afhankelijk van de omvang en het succes van de door haar tot stand gebrachte projecten.

2.4.

Op initiatief van FNC Colombia werd in 2010 de volgende overeenkomst van opdracht - van 31 maart 2010 - niet meer met [verzoekster] zelf maar met haar ( [verzoekster] ’) daartoe opgerichte buitenlandse vennootschap Admundi ID S.A. (hierna: Admundi) gesloten. Dit contract en de aanvullingen daarop zijn geëindigd op 31 december 2011. Op grond van dit contract zijn ook nadien nog commissiebetalingen aan [verzoekster] gedaan met betrekking tot de periode tot 1 september 2010, de datum waarop zij zoals hierna is vermeld bij FNC BV in dienst trad.

2.5.

Op grond van een daartoe op 30 augustus 2010 gesloten arbeidsovereenkomst is [verzoekster] per 1 september 2010 aangesteld als Director Europe en gelijktijdig benoemd als statutair bestuurder van FNC BV tegen een netto maandsalaris van € 10.000,-.

2.6.

Vanwege haar goede functioneren is [verzoekster] in de zomer van 2015 benaderd door het bestuur van FNC Colombia met het verzoek om zich kandidaat te stellen voor de positie van Chief Executive Officer (CEO) van FNC Colombia. Na een zware selectie bleef zij uiteindelijk over met [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Uiteindelijk heeft [verzoekster] zich teruggetrokken als kandidaat en is [naam 1] benoemd als CEO.

2.7.

[naam 1] wilde als nieuwe CEO nieuwe mensen benoemen op een aantal sleutelposities, waaronder die van statutair bestuurder van FNC BV, waardoor hij [verzoekster] op die positie niet langer wilde handhaven. Dit vernam [verzoekster] op 29 oktober 2015 van de Chief Operating Officer (COO) van FNC Colombia, [naam 2] .

2.8.

[verzoekster] is wel voor FNC BV blijven werken. Partijen zijn in verkennend overleg getreden over wanneer en onder welke voorwaarden het vertrek van [verzoekster] zou plaatsvinden. In dat kader heeft FNC Colombia [verzoekster] gevraagd om een voorstel te doen voor een minnelijke regeling ter beëindiging, ook wel severance agreement (hierna: het beëindigingsvoorstel).

2.9.

In een e-mailbericht van 13 december 2015 bevestigt [naam 2] de met [verzoekster] gemaakte afspraken over de voorbereiding van de ontbinding van zowel het contract tussen FNC Colombia en Admundi als de arbeidsovereenkomst tussen FNC BV en [verzoekster] . Ook bevestigt hij dat de kwestie van de commissiebetalingen uit hoofde van het contract tussen FNC Colombia en Admundi nog ‘pending’ is; daarover moet nog overeenstemming worden bereikt.

2.10.

Op 23 december 2015 hebben [verzoekster] en [naam 3] , die laatste als officemanager en vertegenwoordiger van FNC BV, een verklaring ondertekend over het aantal openstaande vakantie- en compensatiedagen van [verzoekster] , met bijgevoegde specificaties.

2.11.

Op 4 februari 2016 heeft [verzoekster] haar beëindigingsvoorstel per e-mail aan [naam 2] toegestuurd. Dit voorstel luidt - al dan niet in Nederlandse vertaling en voor zover hier relevant - als volgt.

“(…)

Naar aanleiding van onze gesprekken over deze zaak, heb ik aan de advocaat en boekhouders gevraagd om een geactualiseerde versie te sturen van het wettelijk overzicht met de bedragen van de schatting Severance Agreement.

Het schattingsconcept dat wij in december hebben ontvangen was een referentie en toen deze getoetst werd aan de in Nederland geldende boekhoudkundige bepalingen, werd geconstateerd dat in de toegepaste schattingsvorm, aangezien er in het salaris geen rekening werd gehouden met de inflatie, welk de werkgever verplicht is om door te voeren in het salaris.

Daarom doe ik u hierbij in de bijlage toekomen drie documenten:

Advice on the possible Settlement Agreement; Memo from the lawyer concerning the details around the rational and legal grounds for the calculation.

Detailed Calculations for the Severance Agreement; shows all the points which are to be considered regarding the severance agreement.

Salary [verzoekster] : shows the detailed calculation of the base salary to be considered with the inflation Correction (Official rates conforming Dutch Law).

(…)

[Bijlage: Memo advocaat:]

(…)

3. Inflation correction

(…) As I understand it, the FNC has confirmed they will in principle compensate you for this. A detailed calculation as per the actual official rates in the attached document. (…)

[Bijlage: Detailed Calculations]

Gross amounts

(…)

4 Inflation corrections Jan 2011 – Dec 2015 € 68,769.42

(…)

Note: Numerals 1, 2, 3, 4 and 5 are the minimum obligations as per Dutch Law.

(…)”

2.12.

Op 12 april 2016 vond in Colombia een bijeenkomst plaats tussen [verzoekster] , [naam 2] en het hoofd juridische zaken van FNC Colombia, mevrouw [naam 4] . Tijdens deze bijeenkomst hadden partijen nagenoeg overeenstemming over een beëindigingsregeling bereikt. [verzoekster] werd vervolgens gevraagd of zij ook afstand wilde doen van haar rechten onder Colombiaans recht met betrekking tot haar werkzaamheden voor FNC Colombia tot aan september 2010 (hierna: de aanspraak op FNC Colombia). [verzoekster] heeft uitstel gevraagd voor deze beslissing.

2.13.

Op 25 april 2016 heeft [verzoekster] FNC Colombia laten weten dat zij met de beëindigingsregeling akkoord wilde gaan, maar geen afstand wilde doen van de aanspraak op FNC Colombia.

2.14.

Op 30 april 2016 ontving [verzoekster] een oproep voor een algemene vergadering van aandeelhouders van FNC BV op 6 mei 2016, waarin haar ontslag als statutair directeur was geagendeerd. Deze oproep luidt - voor zover hier relevant - als volgt.

“(…)

Summary explanation regarding your intended dismissal

(…)

FNC Colombia has tried to reach an amicable settlement with you. Early February 2016 you sent an itemized calculation for the severance payment to the federation, accompanied by a memo of Mr. Oberman, in which he addresses the different topics that come into play when an employer wishes to terminate the employment agreement with its managing director.

During the past months FNC Colombia has come to the unfortunate, inevitable conclusion that in order to receive as high a compensation amount as possible, you presented an inaccurate representation of the obligations of the employer under Dutch law. (…) You write that all calculations have been made in accordance with official Dutch rates and regulations; however, we are of the opinion that these calculations do not follow the parameters provided for in our legislation.

In your e-mail of February 4, 2016 to Mr. [naam 2] you claim once more that the inflation

correction is a statutory obligation for the employer as a result whereof the calculations have to be adjusted. (…)

The shareholder is very disappointed by your above mentioned assertions and claims.

(…)

More recently, the discussions between you and FNC Colombia resulted in the drafting of a

settlement agreement whereby the parties decided on the conditions of the termination of your labour relationship with FNC B.V., and on the amount of a severance payment. This agreement was meant to address all issues in a balanced, just manner, and as such was accepted by you (although never signed) in an e-mail of April 20th. We have been recently informed that you have refused to sign; a bad faith sequence of actions that has damaged FNC B.V. and its sole shareholder, FNC Colombia.

These reasons explain FNC Colombia’s intention to terminate your labour agreement and your role as director of FNC B.V. (…)”

2.15.

Tijdens de aandeelhoudersvergadering op 6 mei 2016 heeft [verzoekster] een verklaring overgelegd, die - voor zover hier relevant - als volgt luidt.

“(…) Inflation correction

(…)

FNC seemed to have left out that in November 2015, when I had the conversation with [naam 5] (COO) to discuss a smooth exit and a generous settlement package (…). One of the things I said was that I never even complained about not having had any offer for an annual salary increase during the last 5½ years in my job as Director Europe. I wasn’t even offered a yearly price inflation correction on my salary. His respond was that that was not a proof of good employership. His words were that an inflation correction should be appropriate and taken into account when conducting the total compensation package.

Of course my lawyer confirmed that indeed, good employer ship would have included an evaluation on yearly salary increases, and a minimum compensation based on inflation correction would have been appropriate. But he also informed me that there is no law in the Netherlands that offers you the right to claim as such afterwards. But it wasn’t a claim! It was the result of what I was offered bij FNC.

(…)”

2.16.

Tijdens de aandeelhoudersvergadering op 6 mei 2016 is [verzoekster] onmiddellijk ontslagen als statutair bestuurder per 7 mei 2016.

2.17.

[verzoekster] heeft in juni 2016 een salarisspecificatie ontvangen, op basis waarvan FNC BV haar een vergoeding heeft uitgekeerd. Deze specificatie luidt - voor zover hier relevant - als volgt.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt om FNC BV bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te veroordelen:

  1. om binnen 2 dagen na betekening van de beschikking de resterende transitievergoeding te betalen van € 118.221,30,

  2. om binnen 2 dagen na betekening van de beschikking een billijke vergoeding te betalen in verband met het ontbreken van een redelijke grond van € 100.000,- bruto,

  3. om binnen 2 dagen na betekening van de beschikking een billijke vergoeding te betalen in verband met ernstig verwijtbaar handelen door FNC BV van
    € 50.000,- bruto,

  4. tot betaling van de volledige opzegtermijn ad € 35.599,20, vermeerderd met de wettelijke verhoging,

  5. tot betaling van € 42.413,80 bruto, ten behoeve van niet genoten vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke verhoging,

  6. tot betaling van de kosten rechtsbijstand ad € 10.000,- exclusief BTW,

  7. tot betaling van alle redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte,

  8. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, IV, V genoemde vorderingen en de onder VI en VII genoemde kosten,

  9. de proceskosten.

3.2.

FNC BV voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover nodig - nader ingegaan.

4 De beoordeling

Redelijke grond voor ontslag

4.1.

[verzoekster] heeft in de eerste plaats verzocht om een billijke vergoeding nu FNC BV haar heeft ontslagen als statutair bestuurder zonder dat daarvoor een redelijke grond was als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). FNC BV heeft dit betwist en heeft gesteld dat sprake is geweest van een redelijke grond als bedoeld in sub g en h van het derde lid van het genoemde artikel.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat het ontslag van een statutair bestuurder van een vennootschap uit zijn vennootschapsrechtelijke positie als regel tevens opzegging van zijn arbeidsovereenkomst meebrengt. Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. De eerste door FNC BV ter zake (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g, hierna: de g-grond) aangevoerde grond luidt: een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een redelijke grond in de hiervoor bedoelde zin stelt de rechtbank het volgende voorop. Iedere bestuurder van een onderneming en zekere degene die eindverantwoordelijk is, moet te allen tijde handelen in het belang van de onderneming waarvan hij bestuurder is en aan hem of haar mogen hoge eisen worden gesteld wat betreft integriteit. In dit geval kan het volgende worden vastgesteld. [verzoekster] heeft FNC Colombia per e-mail een voorstel gedaan voor een minnelijke beëindigingsregeling (het beëindigingsvoorstel, rov. 2.11), onder bijvoeging van (onder meer) een memo en een calculatie van haar advocaat. In haar voorstel heeft [verzoekster] geschreven dat naar Nederlands recht een verplichting voor de werkgever bestaat om bij het salaris (van werknemers) rekening te houden met inflatie. Dit terwijl zij reeds voordien - na consultatie van haar advocaat (rov. 2.15) - wist dat het Nederlands recht een dergelijke verplichting niet kent. Aldus staat vast dat [verzoekster] de enig aandeelhouder van de onderneming waar zij bestuurder van was niet alleen bewust onjuist heeft voorgelicht maar daaraan ook een juridische legitimering heeft gegeven door daarbij te verwijzen naar door haar advocaat opgestelde bijlagen. Dit heeft het vertrouwen dat de onderneming in haar moet kunnen stellen zoals hiervoor is vooropgesteld en dat de basis is voor haar functioneren als statutair bestuurder, ernstig beschaamd. Daaraan kan niet afdoen dat zij de onjuiste informatie verstrekte in het kader van onderhandelingen waarin zij ook haar persoonlijke belang behartigde. Deze vertrouwensbreuk rechtvaardigt op zichzelf het besluit tot haar ontslag en levert aldus de g-grond op die FNC BV als reden heeft aangevoerd. Dat FNC BV ook nog andere, nevengeschikte en voor haar minder zwaarwegende feitelijke gronden voor het ontslag heeft aangevoerd, maakt deze grond niet geconstrueerd. Gelet op dit oordeel kunnen die andere gronden onbesproken blijven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn niet in de rede lag. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft FNC BV terecht gesteld dat een vertrouwensbreuk tussen FNC BV en [verzoekster] is ontstaan. Nu deze vertrouwensbreuk zich op managementniveau heeft afgespeeld behoort herplaatsing - nog daargelaten of er binnen de organisatie van FNC BV een andere plek voor [verzoekster] beschikbaar zou zijn, nu dit door [verzoekster] ook niet is aangevoerd - reeds om die reden niet tot de mogelijkheden. Immers, op welke andere (per definitie: lagere) plek in de organisatie [verzoekster] ook herplaatst zou worden, zij zou daarmee altijd, direct of indirect, onder het management vallen waarmee door haar eigen toedoen een vertrouwensbreuk is ontstaan. In het licht hiervan bezien kan de omstandigheid dat FNC BV geen herplaatsingsmogelijkheden heeft onderzocht, zoals door [verzoekster] is aangevoerd, niet alsnog de redelijkheid aan het ontslag ontnemen. Nu aldus voor het ontslag van [verzoekster] een redelijke grond aanwezig was, moet het eerste verzoek van [verzoekster] worden afgewezen.

Ernstig verwijtbaar handelen

4.4.

[verzoekster] heeft daarnaast verzocht om een vergoeding op grond van ernstig verwijtbaar handelen van FNC BV ex artikel 7:682 lid 3 sub b BW. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde. [verzoekster] heeft immers ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat FNC BV uitlatingen zou hebben gedaan over haar vertrek en over haar disfunctioneren, maar deze stelling heeft zij na de betwisting door FNC BV niet nader onderbouwd, ook niet door middel van producties. Daarop stuit toewijzing van het verzoek af.

Transitievergoeding

4.5.

[verzoekster] heeft eveneens verzocht om betaling van de volledige wettelijke transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. Daartoe heeft zij aangevoerd dat FNC BV bij de reeds betaalde transitievergoeding niet de vanaf 1 januari 1999 verrichte werkzaamheden voor FNC Colombia heeft meegerekend, terwijl dit op grond van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in lid 4 sub b van artikel 7:673 BW wel was aangewezen nu die werkzaamheden naar Colombiaans recht als een dienstverband kwalificeren. De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap onder meer is vereist dat werkzaamheden gelijk of vergelijkbaar zijn. Dat daarvan sprake is heeft [verzoekster] evenwel onvoldoende gesteld noch is daarvan gebleken. In het bijzonder heeft [verzoekster] niet toegelicht dat en waarom haar eerdere werkzaamheden taken en verantwoordelijkheden met zich brachten die vergelijkbaar zijn met die van een statutair bestuurder. Ook dit verzoek moet dan ook worden afgewezen.

Opzegtermijn

4.6.

Ook heeft [verzoekster] verzocht om een vergoeding voor de volledige opzegtermijn, omdat FNC BV bij de reeds betaalde vergoeding slechts een deel van deze termijn in acht zou hebben genomen. Wat daar ook van zij, FNC BV heeft gesteld dat zij reeds onder de noemer ‘severance payment’ onverplicht een bedrag heeft betaald dat het hier verzochte bedrag ruimschoots overstijgt. Nu [verzoekster] noch deze betaling noch het onverplichte karakter daarvan heeft betwist, kan van de juistheid daarvan worden uitgegaan en ontbeert zij een rechtens te respecteren belang bij haar verzoek, wat reeds tot afwijzing daarvan leidt.

Vakantiedagen

4.7.

[verzoekster] heeft nog verzocht om een vergoeding voor door haar opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. Ook voor dit verzoek geldt evenwel dat de daaraan door [verzoekster] ten grondslag gelegde stellingen door FNC BV gemotiveerd zijn betwist (zie randnummers 52 e.v. van het verweerschrift), waarop [verzoekster] vervolgens niet is ingegaan. Ook dit verzoek moet derhalve als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Kosten rechtsbijstand

4.8.

In het verlengde van de hiervoor besproken verzoeken van [verzoekster] moet ook haar laatste verzoek, tot vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand, worden afgewezen. In het standpunt van FNC BV ten aanzien van de proceskosten ziet de rechtbank aanleiding om geen kostenveroordeling uit te spreken. De proceskosten zullen daarom tussen partijen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzochte af,

5.2.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M. de Vries, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.