Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5571

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
C/13/603517 / HA ZA 16-225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Periode voorarrest overschrijdt uiteindelijke strafrechtelijke veroordeling. Verzoek om schadevergoeding door veroordeelde afgewezen. Geen beroep op egalitébeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4093
PS-Updates.nl 2017-0639
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/603517 / HA ZA 16-225

Vonnis van 26 juli 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat voorheen mr. M.K. Rack te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen zullen hierna (ook) [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit

  • -

    het tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2016 in de zaak met zaak- en rolnummer C/09/497165 / HA ZA 15-1109, waarin de zaak op de voet van artikel 46b Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling naar de rechtbank Amsterdam is verwezen, en de daarin vermelde stukken;

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2016, waarbij [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot wraking van de rolrechter en de leden van de meervoudige civiele kamer;

  • -

    het bericht van mr. N. Heijkant dat hij zich op 16 maart 2016 als advocaat van [eiser] onttrekt;

  • -

    het bericht van mr. I.M.C.A. Reinders Folmer dat zij zich op 30 maart 2016 als advocaat van [eiser] stelt;

  • -

    het bericht van mr. M.K. Rack dat hij zich op 26 oktober 2016 als advocaat van [eiser] stelt ter vervanging van mr. I.M.C.A. Reinders Folmer;

  • -

    het bericht van de rechtbank van 26 oktober 2016, waarin is meegedeeld dat een comparitie van partijen is bepaald op 11 mei 2017;

  • -

    het bericht van mr. M.K. Rack dat hij zich op 11 mei 2017 als advocaat van [eiser] onttrekt;

  • -

    de rolverwijzing voor het stellen van een nieuwe advocaat aan de zijde van [eiser] , waarna zich op de rol van 31 mei 2017 voor [eiser] geen nieuwe advocaat heeft gesteld;

  • -

    het verzoek van de Staat op de rol van 14 juni 2017 om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op dinsdag 21 september 2010 maakte de toenmalige Koningin van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: de koningin) samen met de toenmalige kroonprins en zijn echtgenote (hierna: de kroonprins en zijn echtgenote) ter gelegenheid van Prinsjesdag een rijtoer door Den Haag in de Gouden Koets. De Gouden Koets werd geflankeerd door lakeien. [eiser] stond op de route tussen het publiek. Hij heeft toen een glazen waxinelichthouder in de richting van de Gouden Koets gegooid. Bij het gooien van de waxinelichthouder heeft [eiser] de woorden “oplichters”, “fascisten”, “dieven”, “nazi’s” en “verraders” naar de inzittenden van de Gouden Koets geroepen.

2.2.

[eiser] is daarop aangehouden en in verzekering gesteld. [eiser] heeft gedurende zijn strafzaak 716 dagen in voorlopige hechtenis verbleven. De verlenging van deze hechtenis is steeds door de strafrechter getoetst en geaccordeerd.

2.3.

De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 16 september 2011 opzettelijke belediging van de koningin, de kroonprins en zijn echtgenote bewezen verklaard. Ook heeft de rechtbank poging tot zware mishandeling (van twee lakeien) bewezen verklaard, alsmede vernieling (van de gouden koets). Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling en met brandstichting richting zijn broer. De rechtbank heeft [eiser] niet strafbaar verklaard omdat hij ten tijde van de het plegen van de bewezen verklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar moest worden geacht, hem ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar gelast.

2.4.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) bij arrest van 1 februari 2013 het vonnis van de rechtbank Den Haag vernietigd. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan (opzettelijke) belediging van de koningin, de kroonprins en zijn echtgenote en dat [eiser] daarbij de Gouden Koets heeft beschadigd. Ook heeft [eiser] zich volgens het hof schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn broer. Het hof heeft [eiser] vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Anders dan de rechtbank Den Haag achtte het hof [eiser] niet volledig ontoerekeningsvatbaar. Het hof heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van vijf maanden, waarbij is bevolen dat de tijd die door [eiser] in voorarrest heeft doorgebracht daarop in mindering zal worden gebracht.

2.5.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 november 2014 het door [eiser] ingestelde cassatieberoep verworpen.

2.6.

Vanaf zijn aanhouding heeft [eiser] 716 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis gezeten.

2.7.

[eiser] heeft op 20 januari 2015 bij het hof op de voet van artikel 89 Wetboek van Strafvordering (Sv) een verzoek ingediend tot vergoeding “voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de door hem ten onrechte ondergane hechtenis en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis”.

2.8.

Bij beschikking van 18 maart 2015 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek. In de beschikking staat vermeld, dat gelet op het arrest van het hof van 1 februari 2013, niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 89 Sv, nu de zaak niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en evenmin met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

2.9.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te leiden schade op grond van onrechtmatige daad. De Staat heeft aansprakelijkheid bij brief van 11 juni 2015 afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

  2. primair: de Staat veroordeelt om aan [eiser] te vergoeden alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van de Staat, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

subsidiair: de Staat veroordeelt om aan [eiser] te vergoeden een door de rechtbank in goede justitie ex aequo et bono te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

de Staat veroordeelt in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.

3.2.

[eiser] voert hiertoe samengevat onder meer het volgende aan. Er is sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat [eiser] 566 dagen ten onrechte (voorlopige) hechtenis heeft ondergaan. Hij is immers veroordeeld tot vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf (omgerekend 150 dagen), terwijl hij 716 dagen in voorarrest heeft gezeten, waaronder bijna een half jaar onder verzwarende omstandigheden in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught. Er is sprake van een dermate onevenredig groot verschil tussen de ondergane en opgelegde detentie, dat de (rechtmatige) toepassing van het dwangmiddel van voorlopige hechtenis in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. De omstandigheid dat de toepassing van de dwangmiddelen op zichzelf rechtmatig was, vormt geen rechtvaardigingsgrond voor de toegebrachte schade, omdat de schade in dit geval zo exceptioneel is en een zo beperkte groep burgers treft, dat deze buiten het normale maatschappelijke risico van een verdachte valt. [eiser] is veroordeeld voor belediging, vernieling en bedreiging, terwijl het feitencomplex relatief overzichtelijk en eenvoudig was. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de periode die [eiser] in voorarrest is verbleven tot aan de datum van het vonnis in eerste aanleg, en de periode daarna, toen hij in het Huis van Bewaring in Vught is verbleven in afwachting van de behandeling van de zaak in hoger beroep en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Voor deze laatste periode is in ieder geval geen sprake van rechtmatige toepassing van een dwangmiddel. Er is sprake van een dermate flagrante, disproportionele en exceptionele overschrijding van de opgelegde detentie, dat sprake is van een aantasting van de rechtstaat. Een schadevergoeding dient de ontstane onevenredigheid te herstellen, aldus steeds [eiser] .

3.3.

De Staat voert verweer. De Staat voert in dit verband samengevat en voor zover van belang, het volgende aan. De hechtenis is rechtmatig geweest. Nu de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis vaststaat, dient daarvan gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen ook in deze civiele procedure te worden uitgegaan. Artikel 89 Sv biedt geen grondslag voor een vordering tot schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis in een zaak die – zoals hier – (wel) met oplegging van een straf of maatregel is geëindigd. Ook naar civiel recht is geen grondslag aanwezig voor vergoeding van de beweerdelijk geleden schade. De twee uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgende gronden (zie r.ov. 4.1) tot vergoeding van schade in verband met het strafrechtelijk optreden doen zich hier niet voor.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover nodig nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar vaste rechtspraak kan een voormalige verdachte in een civiele procedure op grond van onrechtmatige overheidsdaad van de Staat in twee situaties vergoeding van de schade vorderen die hij heeft geleden als gevolg van het strafrechtelijk optreden van politie en justitie. Dit betreft ten eerste de situatie dat van aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden, beoordeeld naar het tijdstip waarop het plaats heeft, in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van aanvang af een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken. Ten tweede betreft dit de situatie dat (achteraf) blijkt van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop dat optreden berustte en hij aldus ten onrechte als verdachte is aangemerkt (het gebleken-onschuld-criterium). Het hiervoor geschetste kader volgt uit het Begaclaim-arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV6956).

4.2.

Anders dan bij derden (vgl. Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, Staat/Lavrijsen), geldt dat bij gewezen verdachten de aanspraak op schadevergoeding bij de civiele rechter niet wordt beheerst door het égalité-beginsel. Dit beginsel geldt niet in het geval van onschuld is gebleken, aangezien dan in principe recht bestaat op vergoeding van de geleden schade en niet (zoals bij het égalité-beginsel het geval) slechts vergoeding van onevenredige schade. Ook geldt dit beginsel niet in het geval van onschuld niet is gebleken. Het gelijkheidsbeginsel, waarvan het égalité-beginsel onderdeel uitmaakt, rechtvaardigt dan namelijk niet de gewezen verdachte gelijk te behandelen als andere burgers ten aanzien van wie niet een redelijke vermoeden van schuld is gerezen. Indien een redelijk vermoeden van schuld is gerezen, behoort kort gezegd het strafvorderlijk optreden tot het maatschappelijk risico van de verdachte. Het voorgaande betekent dat het beroep van [eiser] op het gelijkheidsbeginsel hem niet kan baten.

4.3.

Voor zover de rechtbank de argumenten van [eiser] mede dient op te vatten als een beroep op het hiervoor onder 4.1 geschetste gebleken-onschuld-criterium slaagt dit niet. Aan dit criterium is in deze zaak namelijk niet voldaan. Van gebleken onschuld is alleen sprake indien uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken over de strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop dat optreden berustte. Aangezien [eiser] strafrechtelijk is veroordeeld, is hier niet gebleken van de onschuld van [eiser] . Daarom wordt ervan uitgegaan dat de verdenking tegen [eiser] aan de in artikel 27 Sv neergelegde maatstaf beantwoordde en dat strafvorderlijke maatregelen op grond van die verdenking niet onrechtmatig waren.

4.4.

De vraag is dus of het strafvorderlijk overheidsoptreden in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht. Dit ziet op overheidsoptreden waarvan de rechtmatigheid vanaf het begin ontbreekt, de zogeheten zuivere onrechtmatige daad.

4.5.

[eiser] , op wie ter zake de stelplicht en de bewijslast rust, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het overheidsoptreden jegens hem in strijd was met de wet of heeft plaatsgevonden met veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen. In deze zaak was niet de situatie aan de orde dat van aanvang af een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken. Evenmin is gebleken dat de voorlopige hechtenis is ondergaan op grond van een bevel dat (anderszins) in strijd met de wet is verleend. De Staat wijst er terecht op dat aan de tijd die [eiser] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht telkens een bevel van de strafrechter ten grondslag heeft gelegen. Deze hechtenis is telkens door de strafrechter getoetst en geaccordeerd. Gegeven de desbetreffende achtereenvolgende oordelen van de strafrechter is op dit punt in beginsel geen plaats voor een nader, eigen oordeel van de burgerlijke rechter. Dat is slechts anders indien de strafrechter beslissingen heeft genomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van artikel 6, eerste lid, Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), terwijl daartegen bovendien geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan. Een dergelijke (uitzonderlijke) situatie doet zich hier niet voor.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis veel langer heeft geduurd dan de uiteindelijk opgelegde straf en deels is doorgebracht in het Huis van Bewaring in Vught in afwachting van het hoger beroep en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet tot civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat kan leiden. De vorderingen van [eiser] zijn niet toewijsbaar.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 452,00 (1 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.065,00

4.8.

De door de Staat gevorderde wettelijke rente (naar de rechtbank begrijpt) als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de proceskosten is toewijsbaar op de wijze als hierna vermeld.

4.9.

Verder zal [eiser] in de nakosten worden veroordeeld, op de wijze als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.065,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, mr. B. Brokkaar en mr. C. Bakker en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.1

1 type: CB coll: