Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5530

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
13/731063-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachten waren werkzaam als advocaat. De verdenking was dat zij en andere medewerkers van hun advocatenkantoor in ruil voor giften en gratis diensten van een politievrijwilligster vertrouwelijke informatie over verkeersongevallen hebben gekregen. De politievrijwilligster mocht die informatie niet verstrekken en schond door het verstrekken haar geheimhoudingsplicht.

De verdachten worden vrijgesproken van omkoping omdat niet vastgesteld kan worden dat de giften en diensten tot doel hadden om de informatie van de politievrijwilligster te ontvangen. Die giften en diensten waren voor de politievrijwilligster ook niet de reden om de informatie aan de advocaten te verstrekken.

Verdachten hebben zich wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van de politievrijwilligster. Dit hebben zij gedaan als feitelijk leidinggever van het advocatenkantoor en als medepleger.

De verdachten worden vrijgesproken van de ten laste gelegde heling en witwassen.

De rechtbank volstaat met de vaststelling dat de verdachten de bewezen verklaarde feiten hebben gepleegd en legt hun verder geen straf op.

Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang. Het advocatenkantoor heeft maar zeer beperkt voordeel gehad van de bewezen verklaarde feiten. Ook blijkt niet dat verdachte met ‘boos opzet’ heeft gehandeld. Deze strafzaak heeft voor verdachte in elk geval grote zakelijke gevolgen; het uiteenvallen van het advocatenkantoor. Ook komt de forse transactie die door het advocatenkantoor is geaccepteerd deels voor rekening van verdachte. De rechtbank weegt deze gevolgen in het voordeel van verdachte mee, omdat die mede zijn afgestemd op het zware verwijt van omkoping en een verondersteld ‘boos opzet’ en de berichtgeving in de media is daar ook op gebaseerd. De rechtbank komt op beide punten tot een ander oordeel. Dat betekent dat het beeld dat van verdachte in de media is geschetst genuanceerd zou moeten worden. De ervaring leert evenwel dat een eenmaal geschetst negatief beeld – ook als de rechtbank tot een gunstiger oordeel komt – verdachte, zowel privé als op zakelijk gebied, nog zal blijven achtervolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/731063-13 (Promis)

Datum uitspraak: 3 augustus 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 21, 26 en 28 juni en 20 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. R.A. Kloos en N.T. Voorhuis (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. R. Croes-Hoogendoorn, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat zij

1. in de periode van 1 maart 2010 tot en met 11 september 2012 feitelijk leiding heeft gegeven aan [naam B.V.] . bij het omkopen van [naam]

en/of

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 11 september 2012 samen met anderen [naam] heeft omgekocht

subsidiair:

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 11 september 2012 feitelijk leiding heeft gegeven aan [naam B.V.] . bij het samen met [naam] schenden van het ambtsgeheim van [naam]

en/of

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 11 september 2012 samen met [naam] en anderen het ambtsgeheim van [naam] heeft geschonden;

2. in de periode van 1 maart 2010 tot en met 17 september 2012 feitelijk leiding heeft gegeven aan [naam B.V.] . bij de heling van politiegegevens

en/of

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 17 september 2012 samen met anderen politiegegevens heeft geheeld

subsidiair:

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 17 september 2012 feitelijk leiding heeft gegeven aan [naam B.V.] . bij het witwassen van politiegegevens

en/of

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 17 september 2012 samen met anderen politiegegevens heeft witgewassen.

Op de zitting van 19 juni 2017 is de dagvaarding voor een gedeelte nietig verklaard. De tenlastelegging is op de terechtzittingen van 21 en 28 juni 2017 gewijzigd.

De tekst van de volledige tenlastelegging zoals die nu geldt, is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. De beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces vereisen dat professionele partijen bij een strafproces niet moedwillig onwaarheden verkondigen. De verdediging komt tot de conclusie dat door de officier van justitie wel onwaarheden zijn verkondigd, in het bijzonder bij requisitoir, en dat dit bewust is gedaan.

Die onwaarheden hebben betrekking op een declaratie (hierna: de declaratie) van [naam B.V.] . (hierna: [naam B.V.] ) aan [naam Stichting] (hierna: [naam Stichting] ) waarin door [naam B.V.] betaalde bedragen ten behoeve van [naam Stichting] aan [naam Stichting] in rekening worden gebracht. De officier van justitie stelde ten onrechte dat de verdediging de digitale versie van de declaratie niet heeft aangeleverd en dat die declaratie niet werd aangetroffen tijdens de doorzoeking bij [naam B.V.] .

Vanaf het moment dat de verdediging deze declaratie inbracht, trok de officier van justitie de aanmaakdatum in twijfel. Het is daarom ongeloofwaardig dat het e-mailbericht van 18 maart 2015, dat in cc aan beide officieren van justitie is verstuurd, hen niet opviel. Ook is het ongeloofwaardig dat het onderzoeksteam van de politie de declaratie niet opmerkte toen het de bij [naam B.V.] in beslag genomen documenten onderzocht. Uit het bovenstaande leidt de verdediging af dat de officier van justitie onjuiste mededelingen heeft gedaan met de opzet de rechtbank te misleiden, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.1.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat zij ontvankelijk is in de strafvervolging. De officier van justitie stelt dat uit het dossier volgt dat de declaratie tijdens de doorzoeking bij [naam B.V.] in september 2012 niet is aangetroffen. De officier van justitie betwist niet dat de verdediging in 2015 het digitale bestand van de declaratie heeft verstuurd. De officier van justitie stelt alleen dat het onderzoeksteam het stuk niet aantrof in de digitale bestanden van [naam B.V.] en ook niet in de administratie van [naam] (hierna: [naam] ). Er zijn dan ook geen onwaarheden verkondigd, zodat er geen aanleiding is de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.

3.1.3.

Oordeel van de rechtbank

De kern van het verweer van de verdediging is dat de officier van justitie de rechtbank heeft willen misleiden door opzettelijk onjuiste mededelingen te doen. In het bijzonder zou het gaan om standpunten die bij requisitoir zijn ingenomen. Voor het antwoord op de vraag of door de officier van justitie onjuiste mededelingen zijn gedaan en – zo ja – of die opzettelijk zijn gedaan met het doel de rechtbank te misleiden, moeten die mededelingen tegen de achtergrond van het dossier worden beoordeeld. De rechtbank komt tot de conclusie dat het verweer moet worden verworpen. Daarvoor is het volgende van belang.

Allereerst moet er onderscheid gemaakt worden tussen de Word-versie van de declaratie en de elektronische boekhouding van [naam B.V.] , bijgehouden in het boekhoudprogramma Fidura. De officier van justitie had dat onderscheid tijdens het requisitoir mogelijk niet goed voor ogen.

Het staat vast dat de verdediging de Word-versie van de declaratie aan het onderzoeksteam verstrekte. De officier van justitie voegde ook een proces-verbaal in het dossier, waaruit blijkt dat het onderzoeksteam deze Word-versie onderzocht en dat de conclusie was dat het bestand is gedateerd op 2 januari 2012.1 Het kan zijn dat de officier van justitie bij requisitoir – ten onrechte – stelde dat de aanmaakdatum van dit bestand niet was vastgesteld. Dat is echter onvoldoende om daaruit ook af te kunnen leiden dat de onjuiste mededeling door de officier van justitie is gedaan met de bedoeling om de rechtbank te misleiden. Dat is in dit geval helemaal onvoldoende, omdat die onjuistheid blijkt uit een proces-verbaal dat de officier van justitie zelf eerder in het dossier voegde.

Ten aanzien van het antwoord op de vraag of de declaratie ook aanwezig was in de digitale administratie van [naam B.V.] , bestaat meer onduidelijkheid. De verdediging overhandigde een schriftelijke verklaring van [naam advocaat-partner] , advocaat-partner bij [naam B.V.] en tevens verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken binnen het kantoor. Tijdens de doorzoeking in het kantoor van [naam B.V.] in september 2012 was hij aanwezig. Uit het overgelegde verslag van [naam advocaat-partner] kan worden afgeleid dat de bewuste declaratie tijdens de doorzoeking is aangetroffen en in beslag is genomen. Verder overhandigde de verdediging stukken uit Fidura die erop wijzen dat de declaratie op 2 januari 2012 is opgemaakt en in de digitale administratie van [naam B.V.] is verwerkt. Aan de andere kant is door het onderzoeksteam een proces-verbaal opgemaakt waarin staat dat de declaratie niet is aangetroffen tijdens de doorzoeking van de elektronische administratie van [naam B.V.] .2 Op basis van de gehanteerde zoeksleutels had de declaratie volgens verbalisanten wel aangetroffen moeten worden als die ten tijde van de doorzoeking in de digitale administratie aanwezig was.3

Wat het gestelde aantreffen van de declaratie bij de doorzoeking bij [naam B.V.] betreft, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de politie (later) bij de beschrijving van de resultaten van de doorzoeking (ten onrechte) heeft gedacht dat de declaratie niet relevant was voor het onderzoek, of dat zij deze simpelweg over het hoofd heeft gezien. In ieder geval blijkt uit het de rechtbank ter beschikking staand dossier niet dat de vondst van de declaratie bij de resultaten van de doorzoeking bij [naam B.V.] is beschreven. Uit het verslag van [naam advocaat-partner] lijkt overigens te volgen dat de declaratie niet, in elk geval niet in Fidura, kon worden opgevraagd en de factuur enkel in hard copy is meegegeven. Dat verklaart wellicht dat de factuur niet bij een latere digitale zoekslag naar voren is gekomen. Dat de politie de hard copy opzettelijk buiten de beschreven onderzoeksresultaten heeft gehouden is niet aannemelijk geworden. Bij die gang van zaken kan de officier van justitie geen verwijt gemaakt worden dat zij op basis van de opgemaakte processen-verbaal ervan uitging, en ook op die manier aan de rechtbank heeft gepresenteerd, dat de verdediging de declaratie pas later inbracht. Dat de officier van justitie onder die omstandigheden vragen stelt met betrekking tot de authenticiteit van de declaratie is ook begrijpelijk.

Op basis van het voorgaande is het mogelijk dat (gedeeltelijk als feit gepresenteerde) standpunten van de officier van justitie met betrekking tot de declaratie onjuistheden bevatten. Het biedt echter geen aanknopingspunten om vast te stellen dat de officier van justitie door middel van die onjuistheden de rechtbank heeft proberen te misleiden. Die mogelijk onjuiste mededelingen maken dan ook niet dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2.

Beslissing op de voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

4.1.

Algemeen

Verdachte is advocaat en houdt zich bezig met letselschadezaken. In de ten laste gelegde periode was zij werkzaam bij [naam B.V.] . De beschuldiging houdt kort gezegd in dat verdachte en haar kantoorgenoten politiegegevens over verkeersongevallen van [naam] zouden hebben ontvangen die [naam] niet mocht verstrekken. In ruil voor die gegevens zouden verdachte en haar kantoorgenoten [naam] geholpen hebben met het oprichten van [naam Stichting] (waarvan [naam] enig bestuurder werd) door het verlenen van gratis diensten, het voorschieten van rekeningen en het betalen van een vergoeding naar aanleiding van verstrekte politiegegevens.

De politie beschikt over informatie van verkeersongevallen, wanneer zij in het kader van een verkeersongeval op de een of andere manier werkzaamheden verrichtte. Het kan daarbij gaan om kleine overtredingen waardoor geen of nauwelijks schade is veroorzaakt, maar ook om ernstige verkeersmisdrijven met fors letsel als gevolg. Wanneer sprake is van een slachtoffer met (fysiek) letsel, kan het slachtoffer of zijn advocaat belang hebben bij het ontvangen van de gegevens die de politie over het ongeval heeft. De politie mag die gegevens onder bepaalde omstandigheden ook rechtsgeldig verstrekken.

4.2.

Wettelijk kader gegevensverstrekking verkeersongevallen

Wanneer de politie die politiegegevens4 mag verstrekken, werd ten tijde van het ten laste gelegde met name geregeld in de Wet politiegegevens (verder: Wpg), het Besluit politiegegevens (verder: Bpg) en de Aanwijzing informatieverstrekking verkeersongevallen (verder: de Aanwijzing). Die regelgeving kwam in het kort op het volgende neer.

Een politieambtenaar is tot geheimhouding van politiegegevens verplicht, tenzij de verstrekking van die gegevens is verplicht, de wet de verstrekking toelaat of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Een ontvanger van politiegegevens is ook verplicht tot geheimhouding, tenzij hij op basis van de wet verplicht is de politiegegevens te verstrekken of zijn taak tot verstrekking noodzaakt.5

De politiegegevens mogen op structurele basis onder meer verstrekt worden aan daartoe aangewezen instellingen. Voor deze zaak is van belang dat ten tijde van de ten laste gelegde periode de [naam organisatie] (hierna: [naam organisatie] ) als enige organisatie die slachtoffers ondersteunt, was aangewezen als instantie waaraan op structurele basis politiegegevens konden worden verstrekt6, [naam Stichting] is nimmer als zodanig aangewezen. Aan [naam organisatie] mochten en mogen alleen gegevens worden verstrekt voor zover deze noodzakelijk zijn voor het behartigen van belangen van slachtoffers van strafbare feiten of verkeersongevallen.

Daarnaast kunnen op incidentele basis politiegegevens worden verstrekt, waarbij geldt dat de gegevensverstrekking ten behoeve van verkeersslachtoffers in beginsel loopt via de Stichting Processen Verbaal (verder: SPV). SPV krijgt van de politie processen-verbaal, maar alleen voor zover het gegevens betreft inzake aanrijdingen of aanvaringen. Uit de Aanwijzing volgt verder dat SPV processen-verbaal inzake aanrijdingen en aanvaringen mag verstrekken aan bij het voorval betrokken belanghebbenden, voor zover die processen-verbaal geen betrekking hebben op misdrijven. Wanneer een proces-verbaal betrekking heeft op een misdrijf, dient de verstrekking te gaan via het Openbaar Ministerie. Wanneer een belanghebbende een proces-verbaal via SPV kan krijgen, moet de politie in principe het proces-verbaal aan SPV beschikbaar stellen. Alleen bij dringende redenen kan hiervan worden afgeweken en kan een proces-verbaal rechtstreeks door de politie aan [naam organisatie] of een benadeelde van een strafbaar feit worden verstrekt. Wat dit laatste betreft mogen politiegegevens slechts rechtstreeks door de politie verstrekt worden aan benadeelden van strafbare feiten, voor zover zij deze gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen. Daarnaast kan de korpsbeheerder beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen of instanties voor onder andere het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, maar alleen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang.

Deze regelgeving brengt mee dat een individuele politieambtenaar in bepaalde omstandigheden aan derden politiegegevens mag verstrekken. Maar (anders dan door de verdediging gesteld) kan daar niet uit worden afgeleid dat elke politieambtenaar in alle gevallen politiegegevens aan derden mag verstrekken. In de eerste plaats kunnen politiegegevens alleen rechtstreeks door de politie aan derden worden verstrekt als een proces-verbaal nog niet is ingezonden aan het Openbaar Ministerie. Dat mag ook wanneer het gaat om politiegegevens met betrekking tot een verkeersongeval die niet zijn opgenomen in een proces-verbaal. Tot slot mag dit alleen wanneer sprake is van een dringende reden.

De korpschef is de verantwoordelijke die beslist over de verstrekking van politiegegevens. Deze taak wordt feitelijk uitgevoerd door het Bureau Juridische Zaken (hierna: BJZ). Wanneer medewerkers van andere afdelingen van de politie in het kader van hun politietaak betrokken zijn, kan vanuit die taak ook informatie worden verstrekt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afdeling Dienst Controle Infrastructuur en Vervoer (hierna: [afdeling] ) of de wijkteams. In al die gevallen geldt dat aan benadeelden niet meer verstrekt mag worden dan nodig is voor de benadeelden om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.

4.3.

Gegevensverstrekking verkeersongevallen in de praktijk

Deze zaak laat zien dat de praktijk van gegevensverstrekking weerbarstiger was dan de hierboven beschreven regelgeving doet vermoeden. Zo komt uit de verhoren van de medewerkers en leidinggevenden bij [naam organisatie] een opvallend beeld naar voren. De leidinggevenden spraken over strikte naleving van de regels en beperkte gegevensverstrekking. De medewerkers die in de praktijk contact hadden met slachtoffers en letselschadeadvocaten gaven aan dat zij regelmatig meer informatie verstrekten. Het lijkt in elk geval aannemelijk dat in concrete gevallen – waarschijnlijk goedbedoeld – meer gegevens zijn verstrekt dan was toegestaan. Die verstrekkingen lijken ook betrekking te hebben op stukken die in eerste instantie al niet door de politie aan [naam organisatie] beschikbaar gesteld hadden mogen worden.

Uit het dossier komt verder naar voren dat medewerkers van [naam organisatie] in de ten laste gelegde periode bij de doorverwijzing van cliënten naar advocatenkantoren soms een zekere adviserende rol speelden. Het lijkt er daarbij op dat de medewerkers bij het doorverwijzen van cliënten persoonlijke voorkeuren kregen voor bepaalde kantoren, gebaseerd op hun ervaringen met betrekking tot de rechtsbijstand van die kantoren. [naam B.V.] was één van de kantoren die goed aangeschreven stond bij [naam] en andere medewerkers van [naam organisatie] , op grond waarvan [naam B.V.] relatief veel zaken doorverwezen kreeg via [naam] en andere medewerkers van [naam organisatie] .

4.4.

Vrijwilligerswerk van [naam]

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond zijn de verschillende posities die [naam] had van belang. In 2003 begon zij als vrijwilliger bij [naam organisatie] en daar werkte zij totdat zij (min of meer gedwongen) op 22 maart 2010 haar dienstverband heeft beëindigd. [naam] verrichtte haar werkzaamheden bij de afdeling verkeerszaken. Verschillende getuigen hebben verklaard dat [naam] zeer begaan was met slachtoffers, gedreven en voor hun belangen alles in het werk stelde.

Vanaf 31 juli 2008 was [naam] ook als volontair in dienst bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Dienst Executieve Ondersteuning. Tussen 30 maart 2009 en 13 januari 2011 handelde zij (binnenkomend) mobilofoon-, portofoon- en telefoonverkeer af voor de [afdeling] . Vanaf 13 januari 2011 tot aan het einde van haar dienstverband als volontair verrichtte [naam] op het politiebureau Amstelveen-Noord werkzaamheden aan de publieksbalie. Daar belde [naam] ook met aangevers om terug te koppelen welke werkzaamheden de politie naar aanleiding van de aangifte had ondernomen.

De afdeling verkeerszaken van [naam organisatie] hield aan het begin van het dienstverband van [naam] kantoor op het politiebureau aan de [adres 1] in [plaats] , waar ook de verkeerspolitie was gevestigd. Daardoor waren de lijntjes tussen [naam organisatie] en de verkeerspolitie kort. In die periode werd een start gemaakt met de samenwerking tussen de verkeerspolitie en [naam organisatie] wat betreft de uitwisseling van politiegegevens van verkeersongevallen. Voor [naam organisatie] was het voor de uitoefening van haar werkzaamheden namelijk van belang dat zij informatie kreeg over de personen die als slachtoffer betrokken waren bij een verkeersongeval.

Op enig moment verhuisde de afdeling verkeerszaken van [naam organisatie] naar Diemen. Daardoor kwam er fysiek een grotere afstand tussen [naam organisatie] en de verkeerspolitie. Bovendien was de administratie van de verkeerspolitie in die periode onderbezet. Dat zorgde voor problemen in de informatievoorziening vanuit de politie aan [naam organisatie] . Omdat [naam] zowel vrijwilliger was bij de politie als bij [naam organisatie] , werd zij als een soort [functie] aangesteld om de politiegegevens die bestemd waren voor [naam organisatie] over te brengen.

4.5.

Contact tussen [naam] en [naam B.V.]

Verdachte kreeg in 2005 contact met [naam] . In die tijd werkte verdachte nog als (letselschade)advocaat bij de voorgangster van [naam B.V.] , [naam kantoor] (hierna: [naam kantoor] ). Het contact tussen [naam] en verdachte bleef bestaan nadat in 2007, als gevolg van een opsplitsing van [naam kantoor] , [naam B.V.] werd opgestart. Na verloop van tijd werden de contacten van [naam B.V.] met [naam] en [naam organisatie] meer en meer overgenomen door [medeverdachte] . Ook na het vertrek van [naam] bij [naam organisatie] bleven [medeverdachte] en [naam B.V.] met [naam] contact houden.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vooraf

De discussies in deze zaak richten zich voornamelijk op twee onderdelen. In de eerste plaats op de vraag welke politiegegevens [naam] mocht verstrekken en in hoeverre de advocaten van [naam B.V.] , en in het bijzonder verdachte en [medeverdachte] , daarvan op de hoogte waren. Daarnaast gaat het er met name om met welk doel betrokkenen van [naam B.V.] betalingen en werkzaamheden verrichtten ten behoeve van [naam Stichting] of [naam] en in hoeverre verdachte en [medeverdachte] op de hoogte waren van de verrichte betalingen en werkzaamheden. Voordat de rechtbank die vragen zal beantwoorden, zal kort ingegaan worden op de vraag wat er feitelijk wel en niet gebeurd is.

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. [naam] bleef na haar vertrek bij [naam organisatie] politiegegevens verstrekken aan de advocaten van [naam B.V.] . Aan de andere kant verrichtten advocaten en medewerkers van [naam B.V.] werkzaamheden ten behoeve van de slachtofferstichting van [naam] , [naam Stichting] . Ook werden door [naam B.V.] diverse betalingen gedaan aan of ten behoeve van [naam Stichting] . Die betalingen hadden in de eerste plaats betrekking op kosten in het kader van de oprichting van [naam Stichting] . Verder deed [naam B.V.] betalingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van [naam Stichting] en [naam B.V.] betaalde facturen die [naam] vanuit [naam Stichting] verstuurde op basis van de door [naam] verstrekte politiegegevens. Tot slot betaalde [naam B.V.] facturen van [naam eenmansbedrijf] (verder: [naam eenmansbedrijf] ), een eenmansbedrijf van [naam] . Die facturen van [naam eenmansbedrijf] hadden betrekking op chauffeursdiensten die [naam eenmansbedrijf] verrichtte ten behoeve van verdachte.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [naam] politiegegevens opzocht en verstrekte met als doel het werven van nieuwe cliënten voor [naam B.V.] . [naam] kreeg verzoeken om informatieverstrekking van advocaten van [naam B.V.] en van één andere, niet bij [naam B.V.] werkzame advocaat (maar zij was destijds wel de partner van [medeverdachte] ) met betrekking tot slachtoffers die al cliënt waren van één van die advocaten. [naam] verstrekte vervolgens de gevraagde gegevens aan de desbetreffende advocaat.

Dat [naam B.V.] de door [naam] verstrekte gegevens gebruikte voor het zogenaamde ‘cherry picking’ (het uitkiezen van de lucratiefste zaken) is ook niet gebleken. Er kan namelijk niet worden vastgesteld dat [naam B.V.] naar aanleiding van de verstrekte gegevens afzag van het behartigen van de belangen van een slachtoffer, of dat [naam B.V.] alsnog een cliëntrelatie beëindigde nadat zij de gegevens van [naam] ontving. Laat staan dat dit gebeurde, omdat de advocaat op basis van de verkregen informatie tot de conclusie kwam dat de zaak te weinig lucratief was voor [naam B.V.] .

Aan het begin van de ten laste gelegde periode, te weten van 1 maart 2010 tot en met 21 maart 2010, was [naam] zowel vrijwilliger bij [naam organisatie] als bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Als [naam] in die korte periode van drie weken al politiegegevens aan [naam B.V.] verstrekte, kan niet worden vastgesteld dat zij dit als politieambtenaar verstrekte (en niet als [naam organisatie] -vrijwilliger). Omdat op basis van het dossier ook duidelijk is dat de verdenkingen tegen verdachte zijn gebaseerd op de periode nadat [naam] bij [naam organisatie] vertrok, hetgeen door de officier van justitie op de terechtzitting is bevestigd, zal de rechtbank bij het beoordelen van de zaak de periode van de tenlastelegging tot en met 21 maart 2010 buiten beschouwing laten en – voor zover tot een bewezenverklaring wordt gekomen – die periode niet bewezen achten.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat feit 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief (actieve ambtelijke omkoping), en feit 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief (gewoontewitwassen), is bewezen. De officier van justitie acht steeds bewezen dat verdachte de feiten als feitelijk leidinggever van [naam B.V.] en als medepleger pleegde. Daarvoor is volgens de officier van justitie het volgende van belang.

[naam] en [naam Stichting] maakten geen deel uit van de personen en instanties die op basis van het wettelijke kader politiegegevens mochten ontvangen of mochten verstrekken aan derden. Bovendien verstrekte [naam] veel meer informatie dan dat de advocaten van [naam B.V.] ten behoeve van slachtoffers mochten ontvangen. Het dossier bevat verder een groot aantal aanwijzingen dat alle letselschadeadvocaten van [naam B.V.] , waaronder verdachte, wisten of konden vermoeden dat [naam] in strijd met haar plicht handelde.

Volgens de officier van justitie is [naam] door [naam B.V.] en haar advocaten bewogen tot het snel en (te) ruim verstrekken van politiegegevens en heeft [naam B.V.] een voorkeursrelatie willen doen ontstaan en/of laten voortbestaan. Door die voorkeursrelatie kon [naam B.V.] sneller gegevens krijgen en [naam] zou in de toekomst (vanuit [naam Stichting] ) cliënten naar [naam B.V.] kunnen doorverwijzen. Aan de andere kant verstrekten [naam B.V.] en haar advocaten giften en verrichtten zij diensten ten behoeve van [naam] en (meer in het bijzonder) ten behoeve van [naam Stichting] . Op basis van de uiterlijke verschijningsvormen van die giften en diensten kan het niet anders zijn dan dat die giften en diensten zijn gedaan om [naam] gunstig te stemmen, zodat zij haar werkzaamheden voor [naam B.V.] zou blijven continueren. Daarmee kan de als feit 1 primair ten laste gelegde omkoping worden bewezen.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat omkoping niet bewezen is, acht de officier van justitie het subsidiair ten laste gelegde schenden van het ambtsgeheim bewezen. [naam] verstrekte in strijd met haar plicht politiegegevens en [naam] en verdachte moesten dat ook weten of redelijkerwijs vermoeden.

Ten aanzien van feit 2 is volgens de officier van justitie de primair ten laste gelegde helingsvarianten niet bewezen, omdat de politiegegevens afkomstig zijn van een door haar zelf gepleegd misdrijf. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde gewoontewitwassen wel bewezen. In de ten laste gelegde periode maakte [naam B.V.] frequent en stelselmatig gebruik van de onrechtmatig verkregen politiegegevens, waardoor zij de criminele opbrengsten veilig stelde.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging acht geen van de feiten bewezen en verzoekt verdachte van alle feiten vrij te spreken. Daarvoor is volgens de verdediging het volgende van belang.

Op basis van de wet- en regelgeving mocht [naam] net zo goed als andere politiemedewerkers (betaalde agenten en vrijwilligers) politiegegevens verstrekken. Politiegegevens mochten op basis van de regels ook verstrekt worden aan advocaten van slachtoffers. Uit de regels volgt dat politiemedewerkers ook processen-verbaal mochten verstrekken. Dit brengt mee dat de verstrekkingen van [naam] aan [naam B.V.] en haar advocaten rechtmatig waren. Alleen daarom al kunnen alle ten laste gelegde feiten niet worden bewezen.

Ook als de rechtbank zou vaststellen dat de verstrekkingen van [naam] in strijd met de geldende wet- en regelgeving waren, dan nog zijn de feiten niet bewezen. Verdachte wist namelijk niet dat die verstrekkingen onrechtmatig waren en verdachte hoefde dat ook niet te vermoeden. Ook om die reden moet verdachte van alle ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

Daarnaast vindt de verdediging met betrekking tot de verdenking van omkoping (feit 1 primair) het volgende van belang. Van een groot deel van de betalingen en werkzaamheden geldt dat dit geen giften of diensten zijn in de zin van de omkopingsbepalingen.7 De bedragen op de specificatie van de declaratie zijn geen giften, omdat [naam Stichting] die bedragen aan [naam B.V.] moet terug betalen. [naam Stichting] moet ook de werkzaamheden betalen die [naam partner] (hierna: [naam partner] ), partner bij [naam B.V.] , in het kader van het oprichten van [naam Stichting] verrichtte. Een groot aantal van de overige werkzaamheden is niet verricht vanuit [naam B.V.] . Ook de betalingen aan [naam eenmansbedrijf] zijn niet aan te merken als gift, omdat hier feitelijke werkzaamheden vanuit [naam eenmansbedrijf] tegenover staan.

Van een aantal betalingen of werkzaamheden kan wel worden vastgesteld dat die vanuit [naam B.V.] zijn verricht. Daarvan kan echter niet worden vastgesteld dat die zijn verricht met het oogmerk om [naam] te bewegen politiegegevens te verstrekken.

Met betrekking tot feit 1 voert de verdediging tot slot aan dat verdachte niet de voor opdracht geven, feitelijk leidinggeven of medeplegen vereiste betrokkenheid of wetenschap had. In de eerste plaats wist verdachte niet dat [naam] bij de politie werkte en zij hoefde dit ook niet te weten, omdat haar contact met [naam] al vanaf 2008 minder werd. Daarnaast had verdachte geen betrokkenheid of wetenschap bij de vermeende giften, met uitzondering van de betalingen aan [naam eenmansbedrijf] . Met betrekking tot de diensten wist verdachte wel dat [naam partner] bezig was met het oprichten van [naam Stichting] en dat [naam student-medewerker] , destijds student-medewerker bij [naam B.V.] , bezig was met folders voor [naam Stichting] , maar daar had verdachte verder geen betrokkenheid bij. Van de overige diensten had verdachte geen wetenschap, laat staan dat zij daarbij betrokken was.

Met betrekking tot feit 2 voert de verdediging het volgende aan. Als de rechtbank feit 1 in enige vorm bewezen oordeelt, dan zijn de politiegegevens die verdachte voorhanden had, afkomstig van een eigen misdrijf. Dat maakt dat feit 2 primair (heling) niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Feit 2 subsidiair (witwassen) kan om die reden niet worden gekwalificeerd, zodat verdachte daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Rechtmatigheid van de verstrekking

5.4.1.1 Verstrekte [naam] rechtmatig?

De rechtbank zette hiervoor in de inleiding het wettelijk kader rondom het verstrekken van politiegegevens uiteen. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat de verstrekkingen door [naam] aan [naam B.V.] onrechtmatig waren.

[naam] kan als privépersoon of als vertegenwoordiger van [naam Stichting] op geen enkele manier rechtmatig politiegegevens hebben versterkt. De enige hoedanigheid van waaruit [naam] in de periode van 22 maart 2010 tot en met 11 september 2012 überhaupt rechtmatig politiegegevens kan hebben verstrekt, is die van politievolontair.

Uit het wettelijk kader volgt dat de politie onder omstandigheden politiegegevens mag verstrekken. Of een individuele politiemedewerker dat in een concreet geval mag doen, hangt af van de taken die die medewerker heeft. Voor [naam] geldt dat zij sinds haar vertrek bij [naam organisatie] nooit de taak heeft gehad om politiegegevens te verstrekken aan derden. Zij werkte niet bij BJZ en zij was ook niet om een andere reden door (het bevoegde gezag binnen) de politie aangesteld om politiegegevens aan derden te verstrekken. Vanuit de taken die [naam] had, was zij niet betrokken bij verkeersongevallen. Zij was dus op basis van een normale taakuitoefening ook niet bevoegd om politiegegevens aan [naam B.V.] te verstrekken.

Mogelijk kan gedacht worden dat [naam] rechtmatig politiegegevens mocht verstrekken, omdat zij daarvoor eerder was aangesteld door de politie. Die aanstelling was echter beperkt. [naam] was gedurende enkele maanden – voorafgaand aan de ten laste gelegde periode – bevoegd om politiegegevens van de politie aan [naam organisatie] te verstrekken, ten behoeve van de taakuitoefening van [naam organisatie] . Die aanstelling creëerde geen bevoegdheid om meer of andere politiegegevens te verstrekken dan [naam organisatie] nodig had. Ook creëerde dit geen bevoegdheid om politiegegevens aan anderen dan [naam organisatie] te verstrekken. Die aanstelling creëerde dus in het bijzonder geen bevoegdheid om politiegegevens aan [naam B.V.] of haar advocaten te verstrekken. Mogelijk kon en mocht [naam] als vrijwilliger van [naam organisatie] in die periode wel informatie verstrekken aan [naam B.V.] of haar advocaten, voor zover [naam organisatie] ten aanzien van cliënten van [naam B.V.] relevante informatie had, maar die positie kan geen grondslag bieden voor rechtstreekse verstrekkingen van politiegegevens aan [naam B.V.] vanaf 22 maart 2010, de dag waarop [naam] haar dienstverband bij [naam organisatie] beëindigde.

Nog los van het feit dat [naam] in het geheel niet bevoegd was om politiegegevens te verstrekken, verstrekte [naam] ook meer informatie aan [naam B.V.] dan [naam B.V.] nodig had voor het in rechte bijstaan van slachtoffers. Informatie die [naam B.V.] daarvoor niet nodig had, mocht [naam B.V.] niet ontvangen. Die informatie mocht [naam] ook daarom niet aan [naam B.V.] verstrekken.

De verdediging heeft uitvoerig stilgestaan bij de praktijk ten tijde van de ten laste gelegde periode (en voordien) en heeft betoogd dat [naam] niet meer gegevens heeft verstrekt dan vele anderen. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat in die tijd door vele verschillende betrokkenen meer gegevens werden verstrekt dan volgens de regels was toegestaan. Zij wijst daarbij op informatie die verstrekt is door de politie of door andere medewerkers van [naam organisatie] dan [naam] en heeft een en ander onderbouwd met een grote hoeveelheid bewijsstukken.

De rechtbank is van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of [naam] rechtmatig politiegegevens verstrekte, niet van belang is of anderen, bijvoorbeeld (andere) medewerkers van de politie of van [naam organisatie] meer informatie verstrekten dan zij volgens de regels mochten verstrekken. Uitgangspunt is immers dat [naam] in het geheel geen informatie meer mocht verstrekken sinds haar vertrek bij [naam organisatie] op 22 maart 2010, terwijl dat niet geldt voor de personen waarmee de verdediging wil vergelijken; zij waren uit hoofde van hun functie bij de politie en hun betrokkenheid bij bepaalde ongevallen of uit hoofde van hun functie bij [naam organisatie] in beginsel wel bevoegd te verstrekken en de onrechtmatigheid in die gevallen was hooguit gelegen in het feit dat die personen te veel gegevens verstrekten.

Als anderen rechtsgeldig politiegegevens mochten verstrekken maar wel eens te veel gegevens verstrekten, is daar niet uit af te leiden dat [naam] ook rechtsgeldig politiegegevens mocht verstrekken.

Conclusie: de verstrekkingen door [naam] waren onrechtmatig

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [naam] niet bevoegd was om de verstrekte politiegegevens aan de advocaten van [naam B.V.] te verstrekken.

5.4.1.2. In hoeverre wisten of hadden verdachte en [medeverdachte] moeten weten dat [naam] onrechtmatig verstrekte?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat [naam] onrechtmatig politiegegevens verstrekte aan [naam B.V.] en haar advocaten, moet de vraag worden beantwoord in hoeverre verdachte en [medeverdachte] dat wisten of hadden moeten weten. Daarvoor is in de eerste plaats van belang welke wetenschap uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] afgeleid kan worden.

Verklaring verdachte

Verdachte kende volgens haar zeggen [naam] via [naam organisatie] en had in het verleden politiegegevens ontvangen van [naam] als medewerker van [naam organisatie] . Verdachte wist dat [naam] wegging bij [naam organisatie] , maar daardoor veranderde er volgens verdachte niets wat betreft het opvragen van informatie bij [naam] . Verdachte zegt niet geweten te hebben dat [naam] bij de politie werkte, maar zij heeft zich niet afgevraagd hoe [naam] dan aan politiegegevens kon komen nadat zij bij [naam organisatie] wegging. Verdachte kende de Wpg en de Aanwijzing inhoudelijk niet. Zij vindt dat zij de wet niet hoefde te kennen. Voor haar was voldoende dat zij wist waar zij de politiegegevens kon krijgen.

Verklaring [medeverdachte]

wist volgens zijn afgelegde verklaringen dat [naam] vrijwilliger bij de politie was. Hij had begrepen dat [naam] door de politie was aangesteld om politiegegevens aan [naam organisatie] te verstrekken. [medeverdachte] wist ook dat [naam] bij [naam organisatie] wegging, maar haar vertrek betekende volgens [naam] – zo zou zij [medeverdachte] hebben laten weten – niet dat er iets hoefde te veranderen in de informatieverstrekking. [medeverdachte] zegt de regelgeving over het verstrekken van politiegegevens niet te kennen en zich daarin niet te hebben verdiept.

Feitelijke gang van zaken

Naast de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] kan de wetenschap van de verdachten ook afgeleid worden uit de feitelijke gang van zaken rondom het opvragen van politiegegevens bij [naam] . Van die feitelijke gang van zaken is het volgende gebleken.

Zowel verdachte als [medeverdachte] waren bekend met de gebruikelijke bronnen voor politiegegevens: BJZ, SPV en het Openbaar Ministerie. Toch vroegen zij voornamelijk politiegegevens op bij [naam] . Zij vroegen die politiegegevens niet schriftelijk op bij genoemde aangewezen bronnen voor politiegegevens, maar meestal benaderden zij [naam] op haar privételefoon of haar privé-e-mailadres. [naam] verstuurde de politiegegevens ook niet per post of via een fax of e-mailadres van de politie, maar zij bracht de uitgeprinte informatie in persoon langs op het kantoor van [naam B.V.] . [naam] maakte in geen enkel geval gebruik van de politie-fax voor het verstrekken van politiegegevens aan [naam B.V.] en haar politie-e-mailaccount heeft zij slechts hoogst zelden in dit verband gebruikt, alleen om de op haar privémail ontvangen informatieverzoeken naar haar politiemailadres door te sturen.

De stukken die [naam] verstrekte, verschilden ook wat betreft de vorm en omvang van de stukken die SPV en andere politieambtenaren verstrekten. Zo verstrekte [naam] ongetekende processen-verbaal. Ook verstrekte [naam] alle informatie die zij kon vinden over een verkeersongeval. Zij selecteerde daarbij niet maar printte gewoon alles uit, zoals [naam] zelf ook heeft verklaard. [naam] verstrekte daarmee ook politiegegevens waarvan het voor de advocaten duidelijk moet zijn geweest dat zij die niet nodig hadden voor hun werkzaamheden. Dat is van belang, omdat aan benadeelden en hun advocaten alleen politiegegevens verstrekt mogen worden, voor zover zij die nodig hebben om in rechte voor de belangen van de benadeelde op te komen.

De verstrekkingen door [naam] verschilden duidelijk van de verstrekkingen door politiemedewerkers van de wijkteams. Die politiemedewerkers waren vanuit hun functie en taak betrokken bij een verkeersongeval en hadden daarom bijzondere kennis van de specifieke zaak waarin zij gegevens verstrekten. Verdachte en [medeverdachte] vroegen de gegevens echter op bij een ogenschijnlijk willekeurige medewerker ( [naam] ) die vanuit haar functie in het geheel niet betrokken was bij verkeersongevallen, laat staan het concrete ongeval waarover zij informatie opvroegen.

Voor zover de verdachten meenden dat [naam] de politiegegevens verstrekte vanuit [naam Stichting] is het volgende van belang. Het enkel oprichten van een slachtofferstichting betekent niet dat die stichting ook zonder meer bevoegd is om politiegegevens te ontvangen, laat staan verder te verspreiden. Daar komt bij dat [naam] geen informatie verstrekte met betrekking tot slachtoffers die door [naam Stichting] werden bijgestaan of in het verleden werden bijgestaan. Integendeel, [naam] verstrekte juist informatie aan [naam B.V.] over cliënten van [naam B.V.] , waar [naam Stichting] geen enkele betrokkenheid bij had (gehad).

Conclusie

Het voorgaande laat zien dat voor zowel verdachte als [medeverdachte] sprake was van een groot aantal aanwijzingen dat de verstrekkingen van [naam] aan [naam B.V.] onrechtmatig waren. Gelet op die aanwijzingen hadden verdachte en [medeverdachte] in ieder geval moeten vermoeden dat [naam] haar ambtsgeheim schond door onrechtmatig politiegegevens te verstrekken. Dat was voor verdachte en [medeverdachte] echter geen reden om geen politiegegevens meer op te vragen bij [naam] . Zij bleven die informatie opvragen, zonder zich te verdiepen in de geldende regelgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank hadden verdachte en [medeverdachte] zich in de gegeven situatie wel moeten verdiepen in de geldende regelgeving. Daarvoor is allereerst van belang dat zij zich – ook zonder specifiek onderzoek naar de regelgeving – gerealiseerd moeten hebben dat de politiegegevens die [naam] aan hen verstrekte, vertrouwelijke informatie betrof. Zij hadden zich ook moeten realiseren dat die gegevens niet vrij verstrekt mochten worden, maar dat daar regels voor gelden. Door dan toch politiegegevens op te vragen zonder te onderzoeken of de verstrekkingen daarvan rechtmatig zijn, wordt de kans aanvaard dat die verstrekkingen onrechtmatig zijn. Gezien de aanwijzingen dat sprake was van onrechtmatige verstrekkingen, was de kans dat die verstrekkingen onrechtmatig waren aanmerkelijk. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte] in elk geval voorwaardelijk opzet hadden op de onrechtmatigheid van de verstrekkingen door [naam] en het door [naam] schenden van haar ambtsgeheim.

5.4.2.

Feit 1

5.4.2.1. Was sprake van omkoping (feit 1 primair)?

De rechtbank stelde hiervoor vast dat [naam] politiegegevens aan [naam B.V.] en haar advocaten verstrekte en dat die verstrekkingen onrechtmatig waren. De rechtbank stelde ook vast dat verdachte in elk geval moest vermoeden dat die verstrekkingen onrechtmatig waren. Tot slot stelde de rechtbank vast dat [naam B.V.] en haar medewerkers betalingen en werkzaamheden verrichtten ten behoeve van [naam] , [naam Stichting] en [naam eenmansbedrijf] .

Op basis van alleen deze vaststellingen kan nog niet worden bewezen dat [naam B.V.] en/of verdachte zich hebben schuldig gemaakt aan omkoping. Daarvoor is vereist dat [naam B.V.] en haar medewerkers die betalingen en werkzaamheden verrichtten om (uiteindelijk) [naam] te (blijven) bewegen om onrechtmatig politiegegevens aan [naam B.V.] en haar advocaten te verstrekken.

De betalingen en werkzaamheden die zijn verricht, zijn te onderscheiden in drie categorieën. Het gaat om betalingen aan [naam eenmansbedrijf] (5e gedachtestreepje op de tenlastelegging), de betaling van 86 facturen aan [naam Stichting] (4e gedachte streepje) en de betalingen en werkzaamheden ten behoeve van [naam Stichting] (de overige gedachtestreepjes). De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat ten aanzien van geen van die categorieën vastgesteld kan worden dat die betalingen en werkzaamheden werden verricht om [naam] te bewegen politiegegevens te (blijven) verstrekken. Daarvoor is het volgende van belang.

Betalingen aan [naam eenmansbedrijf]

Tegenover de betalingen van [naam B.V.] aan [naam eenmansbedrijf] staan feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, namelijk het verlenen van taxidiensten aan verdachte. Dat wijst erop dat sprake is van een zakelijke transactie. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat die betalingen daarnaast tevens tot doel hadden om ervoor te zorgen dat [naam B.V.] ook in de toekomst politiegegevens van [naam] zou ontvangen. De betalingen zijn daarom niet aan te merken als giften in de zin van de omkopingsbepalingen.

Betalingen en werkzaamheden [naam Stichting]

Volgens [naam partner] ondersteunde [naam B.V.] de oprichting van [naam Stichting] op een commerciële basis. De werkzaamheden die vanuit [naam B.V.] zijn verricht wijken echter af van een gebruikelijk te achten, zakelijke, dienstverlening door een advocatenkantoor. Medewerkers van [naam B.V.] verrichtten juridische werkzaamheden ten behoeve van de oprichting van [naam Stichting] , maar daarnaast ook aanzienlijke werkzaamheden ten behoeve van het op gang krijgen van de stichting, zoals het maken van teksten voor folders en een persbericht, het aanvragen van de ANBI-status en het aanvragen van subsidies. Veel van die laatste werkzaamheden waren niet-juridisch van aard. Medewerkers van de letselschadeafdeling van [naam B.V.] verrichtten de meeste van die werkzaamheden, terwijl het dossier met betrekking tot de oprichting van [naam Stichting] zelf op naam stond van [naam partner] , die zich niet bezighield met letselschadezaken.

Ook is vastgesteld dat [naam B.V.] een aantal betalingen ten behoeve van [naam Stichting] verrichtte. Een deel van die betalingen is aan te merken als traditionele verschotten in het kader van de oprichting van de stichting. Een groter deel van het totaalbedrag had echter betrekking op niet-juridische ondersteuning, zoals de kosten voor de reclamefolders en de website. Het is daarbij zeer opmerkelijk dat [naam B.V.] een deel van die betalingen niet zo zeer voorschoot, maar dat [naam B.V.] kosten vergoedde aan [naam Stichting] / [naam] die [naam Stichting] / [naam] eerst zelf had betaald.

[naam B.V.] stelde met betrekking tot die verrichte betalingen wel een declaratie op, maar ook als er met de verdediging vanuit wordt gegaan dat die declaratie begin 2012 is opgemaakt en dat deze in de administratie van [naam B.V.] was opgenomen, kan uit het dossier niet worden afgeleid dat [naam B.V.] die declaratie ook daadwerkelijk aan [naam Stichting] / [naam] heeft verzonden. Het feit dat de declaratie niet bij [naam Stichting] / [naam] is aangetroffen, terwijl [naam] de administratie van [naam Stichting] zeer goed had geordend, wijst er eerder op dat dit niet het geval is geweest. Ook blijkt niet dat [naam B.V.] activiteiten ondernam die ertoe moesten leiden dat [naam Stichting] de declaratie daadwerkelijk zou betalen. In elk geval betaalden [naam Stichting] of [naam] de declaratie niet. Dit leidt tot de vaststelling dat [naam B.V.] [naam Stichting] op een niet-zakelijke wijze steunde.

Daarmee komt de rechtbank bij de vraag met welk doel [naam B.V.] [naam Stichting] steunde.

Het standpunt van de officier van justitie is – zoals hiervoor al verkort uiteengezet – dat de steun van [naam Stichting] in wezen steun was aan [naam] en dat deze steun, in combinatie met – kort gezegd – het onderhouden van amicale banden tussen de advocaten van [naam B.V.] en [naam] , geen ander doel kan hebben gehad dan een financiële en emotionele afhankelijkheid van [naam] te doen ontstaan richting de medewerkers van [naam B.V.] met als gevolg dat er een voorkeursrelatie ontstond en werd onderhouden. Die voorkeursrelatie zorgde ervoor dat [naam B.V.] op aanvraag snel en (te) ruim politiegegevens kon verkrijgen en dat [naam] in de toekomst (via [naam Stichting] ) slachtoffers van verkeersongevallen als cliënten naar [naam B.V.] zou doorverwijzen.


Ten aanzien van de beantwoording van de vraag met welk doel [naam B.V.] [naam Stichting] steunde, stelt de rechtbank voorop dat [naam] met [naam Stichting] een alternatief voor [naam organisatie] wilde oprichten van waaruit zij slachtoffers kon bijstaan. Die (potentiële) cliënten wilde [naam] bereiken door contacten met de politie in te zetten en door bijvoorbeeld folders van haar stichting te verspreiden op politiebureaus en in ziekenhuizen. [naam] verrichtte ook werkzaamheden om die doelstelling te verwezenlijken. De door [naam B.V.] verrichte betalingen en werkzaamheden hielden eveneens grotendeels verband met activiteiten die gericht waren op het vergroten van de (naams)bekendheid van [naam Stichting] , en in het verlengde daarvan, het (op termijn) verkrijgen van cliënten voor [naam Stichting] . Het is tegen deze achtergrond goed mogelijk dat [naam B.V.] [naam] hielp met [naam Stichting] in de hoop of met als doel, zoals de officier van justitie ook heeft betoogd, om in de toekomst via [naam Stichting] nieuwe cliënten te krijgen.

Wanneer een advocatenkantoor om die reden een slachtofferorganisatie steunt, kunnen daar vraagtekens bij gezet worden. Dit verklaart waarschijnlijk ook waarom [naam B.V.] niet wilde dat haar betrokkenheid bij [naam Stichting] bekend zou worden, in welke context ook het woord ‘belangenverstrengeling’ is gebruikt in (onder meer) de correspondentie met betrekking tot de door medewerkers van [naam B.V.] uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van [naam Stichting] .

Voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten is echter niet van belang of [naam B.V.] [naam Stichting] mocht ondersteunen in de hoop via [naam Stichting] in de toekomst cliënten doorverwezen te krijgen. Daarvoor is alleen van belang of de gegeven steun tot doel had dat door de ambtenaar [naam] onrechtmatig politiegegevens werden gedeeld. Gezien de genoemde mogelijke andere doelstelling van het ondersteunen van [naam Stichting] kan niet als reële mogelijkheid worden uitgesloten dat met de steun enkel dát doel beoogd werd en niet (ook) om [naam] te bewegen door te gaan met het verstrekken van politiegegevens.


Hier komt bij dat [naam] aanvankelijk als vrijwilliger van [naam organisatie] politiegegevens aan [naam B.V.] verstrekte en dat daar volgens haar, na haar vertrek bij [naam organisatie] , niets in hoefde te veranderen. Feitelijk is [naam] ook doorgegaan met het verstrekken van politiegegevens. Dat deed zij ook in de periode tussen haar vertrek bij [naam organisatie] en de oprichting van [naam Stichting] . Aan die verstrekkingen lagen geen afspraken ten grondslag, waarin [naam B.V.] [naam] betalingen of diensten in het vooruitzicht stelde. Het is aannemelijk dat [naam] in haar gedrevenheid voor slachtoffers op vrijwillige basis politiegegevens gaf aan de advocaten van [naam B.V.] die de slachtoffers in een letselschadeprocedure bijstonden. [naam] verlangde daarvoor geen vergoeding of tegenprestatie van [naam B.V.] . Om die reden is het ook aannemelijk dat [naam] in de toekomst politiegegevens zou zijn blijven verstrekken, los van de vraag of [naam B.V.] haar daarvoor een vergoeding of tegenprestatie zou geven.

Onder deze omstandigheden kan niet worden bewezen dat [naam] door de betalingen en werkzaamheden van [naam B.V.] ten behoeve van [naam Stichting] is bewogen tot het verstrekken van politiegegevens en dat [naam B.V.] die betalingen en werkzaamheden ook met dat oogmerk verrichtte. Er bestaat – kort gezegd – onvoldoende causaal verband tussen de hulp vanuit [naam B.V.] aan [naam Stichting] en de door [naam] aan [naam B.V.] geleverde politiegegevens. Dat causale verband ontbreekt in beide richtingen. De ontvangen politiegegevens waren niet de reden dat [naam B.V.] [naam Stichting] hielp en de hulp van [naam B.V.] was voor [naam] niet de reden om politiegegevens aan [naam B.V.] te verstrekken.

86 facturen van [naam Stichting]

In december 2011 en januari 2012 werden door [naam B.V.] in totaal 86 facturen van [naam Stichting] betaald. Die facturen hebben betrekking op dossiers waarin [naam] politiegegevens aan de advocaten van [naam B.V.] verstrekte in de jaren 2010 en 2011. Daarmee lijkt sprake van een duidelijk verband tussen de verstrekkingen en de betalingen.

De wijze waarop de lijst van 86 dossiers waarin is gefactureerd tot stand is gekomen, vormt daarvoor echter een sterke contra-indicatie. De betrokken advocaten gingen eind 2011 hun letselschadedossiers door om te kijken in welke zaken [naam] informatie aan hen had verstrekt en die resultaten dienden als basis voor de facturen. Wanneer voorafgaand aan de verstrekkingen het doel al was dat daarvoor betaald zou worden, dan zou ten tijde van de verstrekkingen door de advocaten, of in elk geval door [naam] , geregistreerd zijn welke verstrekkingen plaatsvonden. Het is dan ook niet aannemelijk dat [naam] de politiegegevens in deze 86 zaken heeft verstrekt, omdat zij daarvoor een vergoeding zou ontvangen. Ook is niet gebleken dat [naam] eind 2011 wilde stoppen met het verstrekken van politiegegevens, zodat deze betalingen nodig waren om [naam] te bewegen ook in de toekomst politiegegevens te verstrekken.

Tegen deze achtergrond is de verklaring van [medeverdachte] hierover van belang. Die houdt in dat hij aan [naam] voorstelde om [naam B.V.] te laten betalen voor de geleverde informatie, zodat [naam] niet meer in de avonduren hoefde schoon te maken om de kosten van [naam Stichting] te kunnen betalen. Die verklaring past bij de hiervoor beschreven reële mogelijkheid dat [naam B.V.] betalingen en werkzaamheden verrichtte ten behoeve van [naam Stichting] , zodat [naam B.V.] in de toekomst via [naam Stichting] mogelijk nieuwe cliënten zou kunnen krijgen. Die mogelijkheid zou wegvallen wanneer [naam Stichting] het hoofd financieel niet boven water kon houden.

Onder deze omstandigheden kan ook niet worden bewezen dat [naam] door de betaling van de 86 facturen is bewogen tot het verstrekken van politiegegevens en dat [naam B.V.] die betalingen ook met dat oogmerk verrichtte.

Verklaringen [naam]

Uit onderdelen van de verklaringen van [naam] zou afgeleid kunnen worden dat [naam B.V.] wel bewoog tot het verstrekken van politiegegevens door de steun aan [naam Stichting] en de betalingen aan [naam eenmansbedrijf] . Bij het trekken van conclusies uit de verklaringen van [naam] moet echter voorzichtig te werk worden gegaan. Het lijkt er vooral op dat zij achteraf, en tegen de achtergrond van haar inverzekeringstelling en de diverse verhoren in korte tijd, de motieven en intenties vanuit [naam B.V.] in twijfel is gaan trekken. Daarbij lijkt ook mee te spelen dat [naam] als gevolg van haar aanhouding is gaan nadenken over wat er allemaal gebeurd is. Op basis van de verklaringen van [naam] kan niet worden vastgesteld dat zij, voorafgaand aan haar aanhouding, zelf dacht dat [naam B.V.] [naam Stichting] steunde en [naam eenmansbedrijf] betaalde om te zorgen dat zij politiegegevens zou (blijven) leveren. Dat maakt dat de verklaringen van [naam] onvoldoende aanknopingspunten bieden om toch wel tot een bewezenverklaring van omkoping te komen.

Conclusie: er is geen sprake van omkoping

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ten laste gelegde betalingen en diensten door [naam B.V.] niet zijn verricht met het oogmerk om [naam] te bewegen om aan [naam B.V.] en haar advocaten politiegegevens te verstrekken. Daarom zal verdachte van feit 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, worden vrijgesproken.

5.4.2.2. Werd het ambtsgeheim van [naam] geschonden (feit 1 subsidiair)?

Schenden van het ambtsgeheim

De rechtbank stelde hiervoor vast dat [naam] de politiegegevens onrechtmatig verstrekte aan [naam B.V.] en haar advocaten. Zij moest op grond van de Wpg deze informatie geheim houden. Ook behoorde het verstrekken van politiegegevens niet tot haar taak. Doordat zij deze informatie wel verstrekte, schond zij haar ambtsgeheim. De rechtbank stelde hiervoor ook vast dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de verstrekkingen door [naam] onrechtmatig waren. Dit gold in de gegeven omstandigheden voor [naam] evenzeer, te meer nu zij bij haar indiensttreding op 31 juli 2008 onder meer een geheimhoudingsverklaring had ondertekend. Dat brengt de rechtbank bij de vraag in hoeverre verdachte als feitelijk leidinggever van [naam B.V.] dan wel als medepleger zich aan het schenden van het ambtsgeheim van [naam] heeft schuldig gemaakt.

Medeplegen door [naam B.V.] (eerste cumulatief/alternatief)

De rechtspersoon [naam B.V.] kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt als strafbare gedragingen redelijkerwijs aan [naam B.V.] kunnen worden toegerekend. Wanneer sprake is van een gedraging die wordt verricht in de sfeer van de rechtspersoon, kan die in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.8

De advocaten van [naam B.V.] verzochten [naam] structureel om gegevens te verstrekken die [naam] niet mocht verstrekken. [naam] zocht deze gegevens op in de systemen en vervolgens namen de advocaten van [naam B.V.] deze gegevens in ontvangst. Onder die omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de advocaten van [naam B.V.] en [naam] bij het schenden van het ambtsgeheim van [naam] . [naam] schond haar ambtsgeheim immers op verzoek en ten behoeve van advocaten van [naam B.V.] .

De relevante gedraging voor het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van [naam] is het opvragen van politiegegevens bij [naam] . Binnen de letselschadeafdeling van [naam B.V.] was het staande praktijk om politiegegevens op te vragen bij [naam] . Dit werd door de partners, medewerkers en advocaat-stagiairs gedaan. Daarmee is sprake van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon die in redelijkheid aan [naam B.V.] kan worden toegerekend.

Dit betekent dat [naam B.V.] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van [naam] .

Feitelijk leidinggeven door verdachte aan het medeplegen van [naam B.V.]

Nu is vastgesteld dat [naam B.V.] een strafbaar feit heeft begaan, komt de rechtbank toe aan het beantwoorden van de vraag of verdachte als feitelijk leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Daarvoor is het volgende van belang.

Verdachte was degene die de letselschadepraktijk van eerst [naam kantoor] en later [naam B.V.] opstartte. Zij hield zich gedurende de ten laste gelegde periode (vrijwel) uitsluitend bezig met letselschadezaken. Zij was de patroon van [medeverdachte] en leerde hem het vak van letselschadeadvocaat. De andere advocaten van [naam B.V.] die zich met letselschadezaken bezighielden, leerden het vak weer van verdachte en [medeverdachte] . Dat had ook betrekking op het opvragen van politiegegevens bij [naam] . Verdachte wist ook dat [naam] op enig moment in 2010 was vertrokken bij [naam organisatie] . Gedurende de gehele ten laste gelegde periode was verdachte als partner van [naam B.V.] verantwoordelijk voor de letselschadeafdeling binnen het kantoor. Zij gaf hier samen met [medeverdachte] , die vanaf 1 januari 2011 ook partner werd, leiding aan.

Vanuit haar positie binnen de letselschadeafdeling van [naam B.V.] was verdachte in staat en bevoegd om wijzigingen in het werkproces te initiëren of zelfs op te leggen. Zeker omdat verdachte zelf andere medewerkers een werkproces (politiegegevens opvragen bij [naam] ) aanleerde dat inmiddels was achterhaald, was zij ook redelijkerwijs gehouden dat te doen.

Verdachte betwist dat zij wist dat deze gewijzigde situatie van invloed moest zijn op de bevoegdheden van [naam] om politiegegevens te verstrekken. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vertrek van [naam] bij [naam organisatie] daarop wel van invloed was. Van verdachte mag dan ook verwacht worden dat zij ten behoeve van haar eigen zaken en die van haar medewerkers had onderzocht of liet onderzoeken of de verstrekkingen van [naam] rechtmatig bleven na haar vertrek bij [naam organisatie] . Nu verdachte dit in het geheel heeft nagelaten, waardoor de bij [naam B.V.] gangbare praktijk van opvragen van gegevens bij [naam] werd voortgezet, kan zij als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor het door [naam B.V.] gepleegde strafbare feit.

Medeplegen door verdachte (tweede cumulatief/alternatief)

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo dat het tweede cumulatief/alternatief van feit 1 subsidiair betrekking heeft op die zaken waarin verdachte zelf – al dan niet samen met anderen van [naam B.V.] – gegevens bij [naam] heeft opgevraagd. Daarmee ziet de verdenking van het tweede cumulatief/alternatief op een kleiner aantal zaken dan de verdenking van het eerste cumulatief/alternatief. Het eerste cumulatief/alternatief gaat immers over alle gegevens die door een of meer van de medewerkers van [naam B.V.] bij [naam] zijn opgevraagd, dus ook de gevallen waarbij verdachte zelf bij het opvragen van die gegevens geen directe betrokkenheid had.

De rechtbank stelt vast dat in de ten laste gelegde periode in twee dossiers die in behandeling waren bij verdachte, door [naam] politiegegevens zijn verstrekt. Verdachte vroeg die gegevens bij [naam] op en nam die van [naam] in ontvangst. Dit terwijl – zoals hiervoor is vastgesteld – verdachte de aanmerkelijke kans aanvaardde dat sprake was van een onrechtmatige verstrekking. Ten aanzien van de andere zaken waarin medewerkers van [naam B.V.] gegevens bij [naam] opvroegen, kan niet vastgesteld worden dat verdachte bij het opvragen direct betrokken was. Van medeplegen is in die zaken geen sprake.

Conclusie: er is sprake van het schenden van een ambtsgeheim

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van [naam] . Als feitelijk leidinggever van [naam B.V.] gaat het om vertrouwelijke documenten die betrekking hebben op 135 zaken van [naam B.V.] . Als medepleger gaat het om vertrouwelijke documenten die betrekking hebben op twee zaken van verdachte.

5.4.3.

Feit 2

5.4.3.1 Was sprake van heling (feit 2 primair)?

De rechtbank stelt vast dat bij [naam B.V.] politiegegevens aanwezig waren die door [naam] waren verstrekt. [naam B.V.] en verdachte verkregen die politiegegevens door het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van [naam] . De aanwezige politiegegevens waren dan ook afkomstig van misdrijven die [naam B.V.] en verdachte zelf medepleegde.

De zogenaamde ‘heler-steler’-regel houdt in dat het niet mogelijk is om een voorwerp dat door een eigen misdrijf is verkregen, te helen. Om die reden kan feit 2 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, niet worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.4.3.2. Was sprake van witwassen (feit 2 subsidiair)?

In witwaszaken geldt niet een vergelijkbare regel als de zogenaamde ‘heler-steler’-regel. Een verdachte kan een voorwerp witwassen dat afkomstig is van een door hemzelf gepleegd misdrijf. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat wanneer sprake is van een eigen misdrijf, niet elke witwashandeling de kwalificatie witwassen rechtvaardigt. Dat is alleen zo als die handeling bijdraagt aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp.

De rechtbank kan niet vaststellen dat ten aanzien van de bij [naam B.V.] aangetroffen politiegegevens sprake was van handelingen die de criminele herkomst daarvan verborg of verhulde. Daarmee staat vast dat van een strafbare vorm van witwassen geen sprake is. Daarom oordeelt de rechtbank dat ook feit 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, niet is bewezen. Verdachte zal daarvan, om doelmatigheidsredenen, worden vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen

feit 1 subsidiair, eerste cumulatief/alternatief, te weten dat:

[naam B.V.] . in de periode van 22 maart 2010 tot en met 11 september 2012 te Amstelveen en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [naam] , geheimen, die aan [naam] , uit hoofde van haar ambt als volontair in dienst van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Dienst Executieve Ondersteuning kenbaar waren en waarvan [naam B.V.] . en [naam] redelijkerwijs moesten vermoeden, dat [naam] uit hoofde van haar ambt verplicht was deze te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft [naam B.V.] . [naam] een hoeveelheid vertrouwelijke documenten inhoudende informatie uit het politiesysteem basisvoorziening handhaving (BVH) en/of BVI-IB en/of uitdraaien van processen-verbaal van politie laten opvragen en printen en verstrekken, ten behoeve van [naam B.V.] .,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte en haar mededader [medeverdachte] feitelijk leiding hebben gegeven;

en

feit 1 subsidiair, tweede cumulatief/alternatief, te weten dat verdachte:

in de periode van 22 maart 2010 tot en met 11 september 2012 te Amstelveen en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, te weten [naam] , geheimen, die aan [naam] , uit hoofde van haar ambt als volontair in dienst van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Dienst Executieve Ondersteuning kenbaar waren en waarvan zij, verdachte, en haar mededader redelijkerwijs moesten vermoeden dat [naam] uit hoofde van haar ambt verplicht was deze te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte [naam] een hoeveelheid vertrouwelijke documenten inhoudende informatie uit het politiesysteem basisvoorziening handhaving (BVH) en/of BVI-IB en/of uitdraaien van processen-verbaal van politie laten opvragen en printen en verstrekken, ten behoeve van verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Bewijs

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte de bewezen geachte feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Het overzicht van de bewijsmiddelen is opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

8 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Straf of maatregel

10.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie gaat bij de strafeis uit van de door de officier van justitie onder 1 primair en 2 subsidiair bewezen geachte feiten. De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van tweehonderd uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van honderd dagen.

10.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over een op te leggen straf.

10.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of er een straf aan verdachte moet worden opgelegd, kijkt de rechtbank naar de ernst van de bewezen geachte feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, de persoon van verdachte en de gevolgen van de strafvervolging voor verdachte.

Met betrekking tot de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan is het volgende van belang.

De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan die waarvan de officier van justitie uitging bij het formuleren van de strafeis. Het medeplegen van schending van een ambtsgeheim is uit zijn aard een ernstig strafbaar feit, maar desondanks een wezenlijk minder zwaar strafbaar feit dan omkoping van een ambtenaar. De rechtbank ziet allereerst daarin aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van de eis van de officier van justitie. Niettemin zou in beginsel een straf op zijn plaats zijn.

Doordat het ambtsgeheim van [naam] is geschonden, kwamen er ten onrechte vertrouwelijke politiegegevens terecht bij letselschadeadvocaten en bij de slachtoffers die zij bijstonden. Dat is onwenselijk, niet in de laatste plaats omdat slachtoffers daardoor onnodig veel persoonlijke informatie over een mogelijke veroorzaker van een verkeersongeval kunnen krijgen. Zo is in dit geval gebleken dat een slachtoffer in een van de bij [naam B.V.] in behandeling zijnde letselschadezaken, als gevolg van de door [naam] in strijd met haar ambtsgeheim aan [naam B.V.] verstrekte politiegegevens, kon beschikken over contactgegevens van een kennelijk als verdachte aangemerkte wederpartij. Dit terwijl die gegevens hem in geen geval hadden mogen worden verstrekt, omdat dergelijke gegevens niet nodig zijn voor benadeelden om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.

Doordat het ambtsgeheim van [naam] is geschonden, werd ook het vertrouwen dat de samenleving stelt in het functioneren van de politie geschaad. De samenleving moet er immers op kunnen vertrouwen dat er op een juiste en zorgvuldige wijze wordt omgegaan met de (zeer) vertrouwelijke gegevens waarover de politie beschikt en dat is nu niet gebeurd. Doordat verdachte de feiten in het kader van haar beroep als advocaat pleegde, is ook het aanzien van en het vertrouwen in de advocatuur geschaad.

Gelet op het geschonden vertrouwen en de ongewenste gevolgen van het strafbare feit, alsmede de hoeveelheid zaken waarin politiegegevens zijn verstrekt, is in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf een passende sanctie op het medeplegen van schending van een ambtsgeheim.

Bij de vraag of in dit geval een werkstraf opgelegd moet worden weegt voor de rechtbank nog het volgende mee.

Van belang is de vraag welk voordeel [naam B.V.] had van de onrechtmatig verkregen informatie. De officier van justitie heeft betoogd dat het kunnen beschikken over politiegegevens het kantoor van [naam B.V.] een grote voorsprong heeft gegeven op de concurrenten en dat dit in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het succes van de letselschadepraktijk van [naam B.V.] . De rechtbank is echter van oordeel dat dat voordeel beperkt is geweest. [naam B.V.] kreeg door de feiten niet meer cliënten, omdat [naam B.V.] alleen informatie opvroeg met betrekking tot verkeersslachtoffers die al cliënt van [naam B.V.] waren. Ook kan niet vastgesteld worden dat de advocaten van [naam B.V.] een voor hen gunstigere selectie van zaken konden maken, doordat zij beter geïnformeerd waren. De politiegegevens werden immers opgevraagd nadat verkeersslachtoffers al cliënten van [naam B.V.] waren geworden. Dat betekent echter niet dat [naam B.V.] in het geheel geen voordeel had bij de verstrekkingen door [naam] . [naam] kon snel informatie leveren en het opvragen van de gegevens kostte de advocaten weinig tot geen moeite. In die zin was ‘ [naam] ’ de makkelijke weg en dat heeft de bedrijfsvoering van [naam B.V.] in de ten laste gelegde periode onrechtmatig vergemakkelijkt. Ook het feit dat [naam] meer informatie verschafte dan via de reguliere weg kon worden verkregen kan het in bepaalde gevallen voor de advocaten van [naam B.V.] makkelijker hebben gemaakt om voor de belangen van hun cliënten op te komen.

Toch is dit een betrekkelijk gering voordeel. Dit draagt er ook aan bij dat deze strafzaak niet te vergelijken is met andere strafzaken waarin politie-informatie bewust wordt gelekt om andere strafbare feiten te kunnen plegen of om lopende of toekomstige politieonderzoeken te kunnen belemmeren.

Het totaalbeeld van deze strafzaak is dat [naam] ook nadat zij wegging bij [naam organisatie] nog over politiegegevens kon beschikken en bereid was die te blijven verstrekken aan advocaten van [naam B.V.] . [naam] heeft daarbij niet of niet hoofdzakelijk haar eigen voordeel beoogd, maar handelde vanuit haar gedrevenheid voor slachtoffers. Door de informatie bij [naam] te blijven opvragen hebben verdachten vooral gedaan wat makkelijk was en goed uitkwam, zonder daar al te veel bij stil te staan, maar dat kan hen wel worden verweten. Zij zijn nadat [naam] niet langer bij [naam organisatie] werkte doorgegaan met het opvragen van informatie, zonder te onderzoeken of dat volgens de toepasselijke regelgeving toegestaan was. De advocaten hadden overigens wel recht op bepaalde informatie om hun cliënten bij de staan. Zij hadden echter niet het recht die gegevens bij een willekeurige politiemedewerker op te vragen wiens taak het niet was die gegevens te verstrekken. Bovendien was het zo dat [naam] geen enkele selectie toepaste, waardoor de advocaten ook privacygevoelige gegevens ontvingen die voor het geoorloofde doel niet nodig waren en die zij dus in geen geval behoorden te krijgen. Van boos opzet op schending van ambtsgeheimen ten einde een groot commercieel voordeel te behalen is echter niet gebleken.

Met betrekking tot de persoon van verdachte is het volgende van belang. Uit het verdachte betreffende strafblad van 12 april 2017 blijkt dat verdachte, naast deze zaak, verder niet strafrechtelijk met politie of justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat dit in de toekomst wel gaat gebeuren. Dat geldt in dit geval nog meer omdat de onderhavige strafvervolging grote gevolgen heeft voor verdachte.

Wat betreft die gevolgen van de strafvervolging is het volgende van belang.

De officier van justitie is naar aanleiding van een verdenking van omkoping van een politiemedewerker een groot onderzoek gestart waarbij ingrijpende dwangmiddelen zijn ingezet, waaronder een doorzoeking in het kantoorpand van [naam B.V.] . Gezien de aard van de verdenking is het terecht dat de officier van justitie stevig inzet en na een openbare behandeling ter terechtzitting een oordeel van de rechtbank vraagt. Tegelijkertijd moet de rechtbank uiteindelijk wel constateren dat de zwaarste beschuldiging, namelijk die van omkoping, ongegrond is en gelden de overige, hiervoor genoemde, straf verminderende omstandigheden.

Deze vaststellingen door de rechtbank in een vonnis maken de gevolgen van de vervolging voor verdachte echter niet zonder meer ongedaan. Die gevolgen raken verdachte, naar eigen zeggen privé, maar in elk geval zakelijk. Het kantoor [naam B.V.] is als gevolg van de doorzoeking, het strafrechtelijk onderzoek en de daarop volgende (dreigende) strafvervolging uiteen gevallen, waarbij sprake is van voorstelbare financiële verliezen. Dat heeft verdachte, als partner van dat kantoor, geraakt. Ook accepteerde [naam B.V.] in het kader van deze strafzaak een transactievoorstel van ongeveer 40.000 euro en de afdoening daarvan komt ook deels voor rekening van verdachte. Als gevolg van de openbare behandeling van deze strafzaak, verschenen in verschillende media ook berichten over omkoping, waarin verdachte tot in de persoon herleidbaar was, in elk geval binnen de letselschadebranche. Dat leidde er mede toe dat één van de letselschadeorganisaties verdachte na het requisitoir van de officier van justitie meedeelde dat zij haar lidmaatschap van die organisatie moest opzeggen. Daarbij werd het pleidooi van de verdediging en het oordeel van de rechtbank niet meer afgewacht.

Verdachte heeft ook langdurig te maken met deze gevolgen. Het eerste moment waarop verdachte met deze strafzaak werd geconfronteerd (de doorzoeking van het kantoorpand van [naam B.V.] ) was in september 2012 en het uiteindelijke vonnis van de rechtbank is van augustus 2017. Dit tijdsverloop van bijna vijf jaar is mede veroorzaakt door de verdediging gevoerde procedures en ingediende onderzoekswensen en in die zin is – juridisch – geen sprake van schending van de redelijke termijn. Dat neemt echter niet weg dat verdachte al langere tijd de consequenties van haar handelen ondervindt, maar onzeker is gebleven over de uiteindelijke afloop.

Een straf dient in het algemeen om door leedtoevoeging de strafbare daad te vergelden, de samenleving duidelijk te maken dat het strafbare gedrag ontoelaatbaar is en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nog een strafbaar feit te plegen. Naast de eigenlijke strafoplegging heeft het plegen van een strafbaar feit vaak nog andere negatieve gevolgen voor een verdachte, bijvoorbeeld negatieve publiciteit en aantasting van persoonlijke en zakelijke relaties. Dat vloeit voort uit het strafbare handelen zelf en is in de regel geen reden om daarmee bij de strafoplegging rekening te houden. In dit geval is dat anders om de volgende redenen:

- De reacties van derden op de vervolging van verdachte, met de voor haar genoemde ingrijpende gevolgen, zullen naar moet worden aangenomen mede zijn afgestemd op de zwaar aangezette beschuldiging van omkoping van een politiemedewerker, waarvan verdachte thans wordt vrijgesproken;

- De negatieve publiciteit naar aanleiding van het uitbrengen van de tenlastelegging en het requisitoir is in belangrijke mate gebaseerd op het zware verwijt van omkoping en gaat er wat de schending van ambtsgeheimen betreft vanuit dat sprake was van ‘boos opzet’ teneinde een groot commercieel voordeel te behalen. De rechtbank komt op beide punten tot een ander oordeel. Dat betekent dat het beeld dat van verdachte in de media is geschetst genuanceerd zou moeten worden. De ervaring leert evenwel dat een eenmaal geschetst negatief beeld – ook als de rechtbank tot een gunstiger oordeel komt – verdachte, zowel privé als op zakelijk gebied, nog zal blijven achtervolgen.

Deze omstandigheden maken samen dat de rechtbank in dit geval de negatieve gevolgen die – achteraf gedeeltelijk ten onrechte – uit deze strafzaak voortvloeien, wel meeweegt.

Naast de reeds indirect opgelegde straf, de transactie die [naam B.V.] heeft betaald en die mede ten laste van verdachte is gekomen, zijn de hiervoor genoemde andere gevolgen zo ernstig dat de rechtbank aanvullende leedtoevoeging door het opleggen van een straf niet passend acht. Volstaan kan worden met de vaststelling dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bewezen verklaarde strafbare feiten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel opgelegd zal worden.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de feiten 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, 2 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, en 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de feiten 1 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief

feitelijk leiding geven aan medeplegen van een geheim waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van een geheim waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Piena, voorzitter,

mrs. R.H.C. Jongeneel en L.R. Wisse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2017.

1 Aanvullend dossier, pag. 884.

2 Aanvullend dossier, pag. 885.

3 Aanvullend dossier, pag. 890-891.

4 Politiegegevens zijn gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon die in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt (artikel 1, onder a, Wpg).

5 Artikel 7 Wpg.

6 Artikel 18 Wpg en uitgewerkt in artikel 4:2 Bpg.

7 Art. 177 en 363 Sr.

8 ECLI:NL:HR:2016:733.