Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:5514

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
17/531
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Svb heeft een aanvraag om remigratievoorzieningen voor een alleenstaande afgewezen. Volgens het beleid moet in het geval van gehuwden sprake zijn van duurzaam gescheiden leven om in aanmerking te komen voor de voorzieningen als alleenstaande. De rechtbank acht dit beleid in strijd met de Remigratiewet (Rw). De wetstekst en memorie van toelichting bieden geen aanknopingspunten voor deze uitleg. De Svb had moeten bekijken of eiser is opgehouden een gezamenlijke huishouding met zijn echtgenote te voeren. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Turkije, eiser, hierna te noemen: [eiser] ,

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder, hierna te noemen:

de SVB

(gemachtigde: mr. K. Verbeek).

Procesverloop

Met het besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit) heeft de SVB het verzoek van [eiser] om voorzieningen op grond van de Remigratiewet (Rw) afgewezen. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft de SVB het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017, waar [eiser] en de SVB zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Wat ging er aan deze zaak vooraf?

1.1

[eiser] is gehuwd met mevrouw [eiser] (hierna: echtgenote). Op 2 juni 2014 heeft de echtgenote remigratievoorzieningen voor hen aangevraagd. In het besluit van

14 november 2014 heeft de SVB besloten dat [eiser] en de echtgenote recht hebben op remigratievoorzieningen voor gehuwden zodra zij geremigreerd zijn. In het besluit van

12 mei 2015 heeft de SVB besloten dat het recht op de remigratievoorzieningen van [eiser] en de echtgenote vanaf 5 mei 2015 ingaat, omdat zij op 4 mei 2015 uit Nederland naar Turkije zijn vertrokken.

1.2

Op 22 februari 2016 heeft de echtgenote telefonisch contact opgenomen met de SVB en gemeld dat zij terug wil keren naar Nederland. Ook heeft zij toen verteld dat [eiser] in Turkije blijft wonen. Op 18 maart 2016 heeft de echtgenote zich in Nederland bij haar zoon en zijn gezin gevestigd. Op 17 mei 2016 heeft de SVB de remigratievoorzieningen van [eiser] en de echtgenote met ingang van april 2016 beëindigd.

Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiser] heeft op 30 mei 2016 het formulier ‘onderzoek woonsituatie’ ingevuld en ondertekend en aan de SVB verzonden. Op het formulier heeft [eiser] aangegeven dat de echtgenote sinds maart 2016 niet meer bij hem woont en terug naar Nederland is gegaan.

2.2.

In het primaire besluit heeft de SVB besloten dat [eiser] geen recht heeft op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande. Naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] hiertegen heeft de SVB een onderzoek naar de leefsituatie van [eiser] en de echtgenote uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek staan in de handhavingsrapportage van 22 december 2016.

2.3.

In het bestreden besluit heeft de SVB het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens de SVB heeft [eiser] geen recht op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande, omdat hij is gehuwd met de echtgenote en zij niet duurzaam gescheiden van elkaar leven. Het feit dat [eiser] in Turkije woont en de echtgenote in Nederland zegt nog niet dat sprake is van duurzaam gescheiden leven. Er is sprake van contact, gezamenlijke vakanties en geen sprake van een wil om te scheiden. [eiser] en de echtgenote hebben niet een fundamentele, definitieve keuze gemaakt die duurzaam wordt uitgedragen en geleefd, aldus de SVB.

3. [eiser] stelt in beroep dat hij wel recht heeft op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande. Hij woont niet meer samen met de echtgenote, omdat zij zich duurzaam in Nederland heeft gevestigd. Er is geen sprake meer van een gezamenlijke huishouding.

Wat vindt de rechtbank van deze zaak?

4.1

Voor de toepasselijke regelgeving en de totstandkomingsgeschiedenis van die regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.2

De rechtbank moet beoordelen of de SVB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] geen recht heeft op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande, omdat hij niet duurzaam gescheiden van de echtgenote leeft.

4.3

Zoals ter zitting met partijen is besproken, is artikel 2b, derde lid, van de Rw op deze zaak niet van toepassing. Die bepaling heeft blijkens de tekst daarvan immers betrekking op de situatie dat er vanuit Nederland geremigreerd gaat worden. Deze situatie doet zich hier echter niet voor.

4.4

De SVB heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 5, eerste lid, van de Rw. De SVB heeft die bepaling in haar beleidsregels zo uitgelegd dat bij echtgenoten sprake moet zijn van duurzaam gescheiden leven om afzonderlijk van elkaar recht op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande te hebben.1 De wettekst en de Memorie van Toelichting bieden echter geen aanknopingspunten voor deze uitleg. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.5

In artikel 5, eerste lid, van de Rw wordt allereerst geen onderscheid gemaakt tussen de mee remigrerende echtgenoot en andere partners zoals omschreven in artikel 1, onder g, van de Rw. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Rw heeft bij verbreking van de gezamenlijke huishouding dus ieder der partijen recht op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande, ongeacht of die partijen gehuwd zijn. Verder worden in de Memorie van Toelichting ‘verlating of echtscheiding of verbreking van het samenlevingsverband’, ‘de feitelijke huwelijks- en samenlevingsomstandigheden’ en ‘verbreking van de relatie’ genoemd. De totstandkomingsgeschiedenis van de Rw geeft dus evenmin een duidelijke aanwijzing voor het standpunt van de SVB dat gehuwden zonder gezamenlijke huishouding, in afwijking van artikel 5, eerste lid, van de Rw, duurzaam gescheiden van elkaar moeten leven om recht te krijgen op remigratievoorzieningen naar de norm voor een alleenstaande. De rechtbank verwijst daarbij nog naar artikel 6, eerste en tweede lid, van de Rw. Hieruit blijkt ook niet dat er geen recht op remigratievoorzieningen meer bestaat voor een gehuwde remigrant als de echtgenoot van de remigrant zich weer in Nederland vestigt.

4.6

Op grond van wat in alinea 4.5 is overwogen vindt de rechtbank dat het beleid van de SVB, dat inhoudt dat een gehuwde remigrant alleen als alleenstaande remigrant wordt aangemerkt als hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot leeft, in strijd is met de Rw. Dit beleid wordt daarom onverbindend geacht.

4.7

Hieruit volgt dat de SVB bij de beoordeling van het recht op remigratievoorzieningen van [eiser] ten onrechte heeft gekeken of hij en de echtgenote duurzaam gescheiden van elkaar leven. De SVB had moeten bekijken of [eiser] is opgehouden een gezamenlijke huishouding met de echtgenote te voeren. Tussen partijen is niet in geschil dat de gezamenlijke huishouding tussen [eiser] en de echtgenote is verbroken, omdat [eiser] in Turkije en de echtgenote in Nederland woont. [eiser] heeft dus recht op remigratievoorzieningen als ware hij een alleenstaande remigrant.

4.8

Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de wet. Aan het primaire besluit kleeft hetzelfde gebrek. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om in deze uitspraak in plaats van de SVB te beslissen dat [eiser] recht heeft op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande. Het is voor de rechtbank namelijk niet duidelijk vanaf welke datum [eiser] daar recht op heeft. De SVB zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

5. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de SVB aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt de SVB in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de SVB op om binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [eiser] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de SVB in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage

Op grond van artikel 1, onder g, van de Rw moet onder partner mede de mee remigrerende echtgenoot worden verstaan.

Op grond van artikel 2b, derde lid, van de Rw worden remigratievoorzieningen slechts verstrekt indien de remigrant en zijn partner die eveneens in Nederland verblijft en van wie de remigrant niet duurzaam gescheiden leeft, gezamenlijk remigreren.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Rw verkrijgt ieder der partijen een recht op de remigratievoorzieningen als ware hij een alleenstaande remigrant, indien de remigrant een partner heeft en hij ophoudt met deze persoon een gezamenlijke huishouding te voeren.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Rw eindigt het recht op de remigratievoorzieningen van de remigrant met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de remigrant zijn hoofdverblijf wederom in Nederland heeft.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Rw eindigt het recht van de partner op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de partner zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.

In de Memorie van Toelichting bij de Rw staat in paragraaf 3.4 onder meer het volgende:

“Een vaker gesignaleerd probleem vormt het feit dat de maandelijkse uitkering op basis van de huidige Remigratieregeling 1985 wordt uitbetaald aan de aanvrager, meestal de man. Bij verlating of echtscheiding of verbreking van het samenlevingsverband blijft de vrouw

dan zonder inkomen achter. Daarom is van diverse zijden bepleit de remigratietoelage af te stemmen op de feitelijke huwelijks- of samenlevingsomstandigheden. Om aan het bezwaar van de huidige uitvoeringspraktijk tegemoet te komen, is in het onderhavige wetsvoorstel

neergelegd, dat bij verbreking van de relatie elk van beide partners een recht verkrijgt op de remigratie-uitkering, als ware beide ex-partners alleenstaande remigranten. Deze invulling van de individualisering spoort met de regeling dat bij overlijden van een van de partners de langstlevende partner eveneens een recht verkrijgt op de uitkering als ware die

een alleenstaande remigrant.” 2

In de artikelsgewijze toelichting van de Memorie van Toelichting bij artikel 5 van de Rw staat onder meer het volgende:

“Bij de individualisering in het eerste lid van de hier bedoelde voorzieningen behoeven de remigrant en zijn echtgenoot formeel niet te scheiden. (..)”.3

1 Zie SB1002 en SB1003.

2 Kamerstukken II 1997/98, 25 741, nr. 3, p. 8.

3 Kamerstukken II 1997/98, 25 741, nr. 3, p. 15.